Toneel: Hedda Gabler

Een heftig doodsverlangen

De trotse dochter van een Noorse generaal is ze, Hedda Gabler. Over haar moeder horen we niks. In een regieaanwijzing van Henrik Ibsen (1828-1906, ja, ja, het is óók Ibsenjaar) kijkt het portret van haar vader op haar neer. Over hem horen we ook nauwelijks iets.

Medium thumb.asp

Toen hij er nog was, kon Hedda erop los leven. Maar nu is hij dood. Hij heeft haar niets nagelaten, alleen twee pistolen in een foedraal, hier een glazen kastje in de muur van een ruimte die nog in aanbouw lijkt. Met die pistolen schiet ze regelmatig in de blauwe lucht. Waar gebeurt dat? Een soort Noors Wassenaar? Klagen de buren? Komt er een veldwachter om opheldering vragen? We weten het niet. Hedda Gabler schiet gewoon. Zoals Hedda Gabler ook «gewoon» trouwde. Ze was, zoals ze zelf zegt, uitgedanst. Ze koos voor een wetenschapper. Uit liefde? Uit verveling? Omdat met een man aan haar zijde het lege spel van verveling nog even voort kon? De tekst van Hedda Gabler (1890) meldt in ieder geval dat er van liefde bij Hedda geen sprake is. Ze behandelt haar man als een huisdier.

De eerste dialogen gaan over die nieuwe levensgezel van Hedda, de wetenschapper Jürgen Tesman, een oververhit joch, een ambitieuze wereldvreemde cultuurhistoricus (Roeland Fernhout). Zijn tante is op bezoek, ze heeft zijn oude pantoffels bewaard. In de regie van Ivo van Hove zien we dat Hedda Gabler (Halina Reijn) die eerste truttige conversaties aanhoort, gedrukt tegen en verborgen naast de centraal geplaatste piano. Hedda is na de martelende huwelijksreis thuisgekomen. «Thuis» is voor haar: eindstation, dood. Je voelt het aan alles: die vrouw is verschroeide aarde. Daar bloeit niks meer op. Ze moet nog wel een paar dromen over de nabije toekomst hebben gehad: soirées met BN’s – Bekende Noren – een rijpaard, zodat ze uit rijden kan gaan en wuiven naar de bewoners van dit Noorse Wassenaar: ah, ja, daar gaat de dochter van de beroemde generaal! Maar dat gaat allemaal niet door. Hedda tuimelt in het beklemmende universum van boekhouders, carrièreplanners en andere kleine krabbelaars, onder voorzitterschap van huisvriend, mecenas, machiavellist en rechter Brack (mooie, kwaadaardige rol van Barry Atsma). Zelfs haar voormalige minnaar Lövborg (Jacob Derwig) is een gemanipuleerde trol geworden, een clown met pretenties. Het universum van Hedda Gabler verandert snel in een hel. Geen mythische hel met de hoofdletter H («wie hier binnentreedt, late alle hoop varen»), maar een hel met de kleine letter «h» van huis-vol-beklemming. Halina Reijn sprokkelt in gestiek, in mimiek, in een tergende en jankende tekstbehandeling meesterlijk de elementen bij elkaar van een jonge vrouw die op een verkeerd moment in een foute wereld is gespuugd. Haar Hedda is een geboren zelfmoordenaar. In dit leven ís er geen leven. Niet voor haar.

Aan het eind van de negentiende eeuw, toen Henrik Ibsen Hedda Gabler schreef, was de diagnose van zelfmoordenaars verschoven van de romantische definitie («geen uitweg, nergens thuis») naar de klinische («hysterisch/schizofreen»). Ibsen is later omschreven als «de Freud uit het Noorden». In geen toneelstuk laat de auteur zijn protagonist zo verschrikkelijk alleen als in Hedda Gabler. Halina Reijn etst in felle pennenstreken het portret van dit dwaallicht, ze ontleedt Hedda met zo’n chirurgische precisie dat het deze toeschouwer afwisselend heet en koud om het hart werd. Ze is in het toneelspelen de kijker ook voortdurend twee of drie stappen voor. Je schaakt met haar mee, maar voor je het weet is Hedda alweer heel ergens anders. Iedere zet is hopeloos. Haar zelfmoord lijkt een bevrijding. Ze heeft niet alleen te lang gedanst, ze schaakt op te veel borden tegelijk. Aan het eind klemt ze zich opnieuw aan de piano vast. Maar ook de schoonheid van muziek zal haar niet meer redden. Ze heeft nog één pistool van generaal Gabler over. Met het andere bracht ex-minnaar Lövborg zich om. Geen heroïsche zelfmoord, maar een lullig bedrijfsongeval in het boudoir van een lokale hoer – Hedda’s laatste deceptie. Ze gebruikt het tweede wapen effectief. De toeschouwer verlaat dit spookhuis met de zekerheid dat er plichtmatig om haar gerouwd zal worden. Drie dagen, niet meer. Op haar grafsteen de laatste belediging: Hedda Tesman geboren Gabler.

Een gruwelijk stuk. Een messcherpe voorstelling. Die lang nadreunt.


Hedda Gabler:

In reprise seizoen 2011/2012

Toneelgroep Amsterdam, tot en met 19 augustus, Westergasfabriek Amsterdam, daarna nog in Utrecht (Central Studio’s), Antwerpen (De Singel) en Haarlem (Toneelschuur).

www.toneelgroepamsterdam.nl