Een verzameling geïmproviseerde opslagplaatsen ligt langs de snelweg in Ghout al-Shaal, een buurt van auto-herstelbedrijven en schrootwerven in het westen van Tripoli, de hoofdstad van Libië. Vroeger was het een opslagplaats voor cement en beton, maar in januari 2021 werd het terrein heropend, met verhoogde muren, bedekt met prikkeldraad. Mannen in zwarte en blauwe camouflage-uniformen, gewapend met kalasjnikovs, bewaken een blauwe zeecontainer die dienst doet als kantoor. Aan de poort hangt een bordje: ‘Rechtbank voor de vervolging van illegale migranten’. In feite is de faciliteit een geheime gevangenis voor migranten. De naam in het Arabisch is Al Mabani: ‘Het Gebouw’.

Op 5 februari 2021, om drie uur ’s nachts, brachten gewapende mannen Aliou Candé, een stevige, verlegen migrant van 28 jaar uit Guinee-Bissau, naar de gevangenis. Hij was anderhalf jaar eerder van huis weggegaan omdat zijn boerderij niet liep; hij wilde zich bij zijn broers in Europa voegen. Maar toen hij met 130 andere migranten op een vlot de Middellandse Zee overstak, onderschepte de Libische kustwacht hen en bracht ze naar de gevangenis. De groep werd in cel nummer 4 geduwd, waar al zo’n tweehonderd anderen zaten.

Er was nauwelijks plaats om te zitten in de massa lichamen, en migranten die al op de grond zaten, deden hun best om niet vertrapt te worden. De tl-lampen aan het plafond bleven de hele nacht branden. Een klein traliewerk in de deur was de enige bron van natuurlijk licht. Candé zocht een plekje in een uithoek en begon in paniek te raken. ‘Wat moeten we doen?’ vroeg hij aan een celgenoot.

Niemand buiten Al Mabani wist dat Candé gevangen was genomen. Hij werd niet beschuldigd van een misdaad en mocht niet met een advocaat spreken; hij kreeg geen enkele aanwijzing of hij ooit zou mogen vertrekken. In de eerste dagen van zijn gevangenschap was hij vooral op zichzelf aangewezen en onderwierp hij zich aan de grimmige routines van deze plek. De Zintan-brigade, een van de machtigste milities van het land, controleerde de gevangenis, en haar gewapende mannen patrouilleerden in de gangen.

Ongeveer vijftienhonderd migranten werden er vastgehouden, in acht cellen, gescheiden naar geslacht. Er was slechts één toilet per honderd mensen, en Candé moest vaak plassen in een waterfles of poepen in de douches. Migranten sliepen op dunne matrassen vol luizen, schurftmijt en vlooien; er waren niet genoeg matrassen voor iedereen, dus sliepen paartjes om beurten: de een overdag, de ander ’s nachts. De gevangenen vochten om wie er in de douche mocht slapen, de enige plek met ventilatie. Twee keer per dag werden ze in een enkele rij naar de binnenplaats gebracht, het was hun verboden om naar de lucht te kijken of te praten tijdens het lopen. Bewakers zetten, net als dierenverzorgers, gedeelde schalen met voedsel op de grond, en de migranten gingen er in kringen omheen zitten om te eten.

De bewakers waren wreed en sloegen gevangenen die bevelen negeerden met wat er maar voorhanden was: een schop, een brandslang, een kabel, een boomtak. ‘Ze sloegen iedereen zonder enige reden’, vertelde Tokam Martin Luther, een oudere man uit Kameroen, die naast Candé op de mat sliep, me. Gedetineerden speculeerden dat de bewakers de overledenen dumpten bij een stapel stenen en gips achter een van de buitenmuren van het kamp. De bewakers boden migranten de vrijheid aan tegen betaling van 2500 Libische dinar – ongeveer vijfhonderd dollar. Tijdens de maaltijden liepen ze rond met mobiele telefoons, zodat de gedetineerden ouders konden bellen die konden betalen. Maar Candé’s familie kon zich zo’n losgeld nooit veroorloven. Luther vertelde me: ‘Als je niemand hebt om te bellen, ga je gewoon zitten.’

In de afgelopen zes jaar heeft de Europese Unie, moe van de financiële en politieke kosten van de opvang van migranten uit Afrika bezuiden de Sahara, een ingewikkeld systeem van immigratiehandhaving opgezet om hen tegen te houden voordat ze de Europese kusten bereiken. De EU heeft de Libische kustwacht, een semi-militaire organisatie, uitgerust en opgeleid om op de Middellandse Zee te patrouilleren, humanitaire reddingsoperaties te saboteren en migranten gevangen te nemen. De migranten worden vervolgens voor onbepaalde tijd vastgehouden in een netwerk van gevangenissen die worden gerund door milities, die geld verdienen aan hun opsluiting. In de eerste zeven maanden van het afgelopen jaar werden ongeveer zesduizend migranten gevangen gezet, de meesten in Al Mabani. Internationale hulporganisaties hebben een hele reeks misstanden gedocumenteerd: marteling van gedetineerden met elektrische schokken, verkrachting van kinderen door bewakers, afpersing van gezinnen voor losgeld, de verkoop van mannen en vrouwen voor dwangarbeid. ‘De EU heeft iets gedaan wat jarenlang zorgvuldig is bedacht en gepland’, aldus Salah Marghani, die van 2012 tot 2014 Libië’s minister van Justitie was. ‘Een hel creëren in Libië, met het idee om mensen af te schrikken om naar Europa te gaan.’ >

Drie weken nadat Candé in Al Mabani aankwam, bedacht een groep gedetineerden een ontsnappingsplan. Moussa Karouma, een migrant uit Ivoorkust, en enkele anderen poepten in een afvalbak en lieten die twee dagen lang in een hoek van de cel staan, tot de stank te overweldigend werd. ‘Het was mijn eerste keer in een gevangenis’, vertelde Karouma me. ‘Ik was doodsbang.’ Toen bewakers de celdeuren openden, stormden negentien migranten langs hen heen. Ze klommen boven op een badkamer met een laag dak, lieten zich vierenhalve meter naar beneden vallen, en verdwenen in een wirwar van steegjes in de buurt van de gevangenis. Voor degenen die achterbleven, waren de gevolgen bloedig. De bewakers riepen versterkingen op, die kogels de cellen in schoten en vervolgens de gevangenen begonnen te slaan.

In de weken die volgden, probeerde Candé uit de problemen te blijven en klampte hij zich vast aan een hoopvol gerucht dat hij had gehoord: dat de bewakers van plan waren de migranten in zijn cel vrij te laten ter ere van de ramadan, negen weken later. ‘De Heer verricht wonderen’, schreef Luther in een dagboek dat hij bijhield. ‘Moge zijn genade alle migranten over de hele wereld blijven beschermen, en in het bijzonder die uit Libië.’

W at de migrantencrisis is gaan heten, begon rond 2010, toen migranten die oorlogen in het MiddenOosten, opstanden in Afrika bezuiden de Sahara en de gevolgen van de klimaatverandering ontvluchtten, Europa begonnen binnen te stromen. De Wereldbank voorspelt dat droogte, mislukte oogsten en woestijnvorming de komende vijftig jaar nog eens honderdvijftig miljoen mensen op de vlucht zullen drijven, vooral uit het mondiale Zuiden. Op het hoogtepunt van de crisis, in 2015, kwamen in één jaar tijd een miljoen migranten uit het Midden-Oosten en Afrika naar Europa. De eerste grote tragedie vond plaats in 2013, toen een vlot met meer dan vijfhonderd Eritreeërs in brand vloog en zonk op de Middellandse Zee, op een kilometer van de Italiaanse kust, waarbij 360 mensen omkwamen. Het overheersende eerste instinct in Europa was medeleven. ‘We kunnen dit aan!’ zei de Duitse bondskanselier Angela Merkel.

De zuidkust van Italië ligt op slechts een paar honderd kilometer van Noord-Afrika. Begin 2014 werd de 39-jarige Matteo Renzi de jongste premier in de geschiedenis van het land. Net als Merkel was hij vastbesloten om migranten te verwelkomen. Hij zei: ‘Europa is het niet waard om zichzelf een beschaafd Europa te noemen, als het zich afwendt bij het zien van dode lichamen.’ Hij steunde een ambitieus opsporings- en reddingsprogramma onder de naam Operatie Mare Nostrum, of ‘Onze Zee’, dat de veilige doortocht van zo’n honderdvijftigduizend migranten garandeerde en hun juridische hulp aanbood om te helpen bij hun asielaanvragen. Volgens Emma Bonino, de voormalige Europese commissaris voor humanitaire zaken, bood de regering van Renzi in 2014 aan om iedere migrant die via Libië kwam op te nemen.

Toen de aantallen bleven toenemen, sloeg de ambivalentie in Europa om in recalcitrantie. ‘Je zit met een enorm dilemma’, aldus James Hollifield, een migratie-expert op het Franse Instituut voor Geavanceerd Onderzoek. ‘Landen moeten een manier vinden om hun grenzen te beveiligen zonder de essentie van de liberale staat te vernietigen.’ Nationalistische politieke partijen zoals Alternative für Deutschland en het Front National in Frankrijk begonnen de situatie uit te buiten om xenofobie te bevorderen.

Renzi’s oorspronkelijke Mare Nostrum-operatie had zo’n 115 miljoen euro gekost, en Italië, dat worstelde om zijn derde recessie binnen zes jaar af te wenden, kon de operatie niet volhouden. Pogingen in Italië en Griekenland om migranten elders onder te brengen liepen op niets uit: Polen en Hongarije wilden helemaal geen migranten opnemen. Oostenrijkse functionarissen spraken over het bouwen van een muur aan de grens met Italië. Italiaanse extreem-rechtse politici hekelden Renzi, en hun populariteit schoot omhoog. In december 2016 trad Renzi af, en zijn partij draaide uiteindelijk zijn beleid terug. Ook hijzelf nam afstand van zijn aanvankelijke vrijgevigheid. ‘We moeten ons bevrijden van een gevoel van schuld’, zei hij. ‘We hebben niet de morele plicht om in Italië mensen te verwelkomen die er slechter aan toe zijn dan wij.’

In de daaropvolgende jaren begon Europa aan een andere aanpak onder leiding van Marco Minniti, een protegé van Renzi, die minister van Binnenlandse Zaken van Italië werd. Op zijn aandringen stopte Italië met zoek- en reddingsacties verder dan dertig mijl van zijn kust. De EU begon humanitaire boten met geredde migranten de toegang tot haar havens te ontzeggen. Italië vervolgde zelfs hun kapiteins voor hulp bij mensensmokkel.

In 2015 hielp Minniti de EU bij het opzetten van het Emergency Trust Fund for Africa, waaraan sindsdien bijna zes miljard dollar is uitgegeven. Voorstanders schilderen het programma af als ontwikkelingsbevorderend, en wijzen erop dat het de Covid-19-hulp in Soedan financiert, evenals opleidingen voor ‘groene banen’ in Ghana. Maar een groot deel van het werk bestaat uit het uitoefenen van druk op Afrikaanse landen om strengere immigratiebeperkingen in te voeren en uit het financieren van de instanties die deze beperkingen handhaven, om migranten tegen te houden voordat zij Europa bereiken. Het programma verplaatst in feite de grens van Europa naar de noordelijke rand van Afrika en dwingt Afrikaanse regeringen om die grens te bewaken.

In 2018 vroegen leden van het Europees Parlement de Europese Commissie naar vermeende ‘boodschappenlijstjes’ die door functionarissen uit Niger waren verstuurd en waarin werd gevraagd om auto’s, vliegtuigen en helikopters in ruil voor steun van anti-immigratiebeleid. Er gingen ook fondsen naar repressieve staatsagentschappen. In Ethiopië stelde het programma de EU in staat de persoonsgegevens van Ethiopische onderdanen te delen met de inlichtingendienst van het land, die een geschiedenis heeft van het opsluiten en wreed behandelen van betogers. In Soedan werden fondsen gebruikt om een inlichtingencentrum op te richten voor de geheime politie van het land, die de middelen ook gebruikte om plaatselijke demonstraties de kop in te drukken. Het geld is niet onderworpen aan controle door het Europees Parlement.

‘Ik weet niet hoelang dit gaat duren’, zei Candé die ochtend tegen zijn vrouw. ‘Maar ik hou van je en ik kom terug’

In 2011 was de oude machthebber van het land, Moeammar Kadhafi, gedood tijdens een opstand die was aangewakkerd door de Arabische Lente en gesteund werd door een door de VS geleide invasie; sindsdien was het land een mislukte staat geworden. In 2017 reisde Minniti naar Tripoli, en sloot hij deals met de nieuwe regering en de machtigste milities van het land. De EU, Italië en Libië ondertekenden een memorandum van overeenstemming waarin ‘de vastberadenheid om samen te werken bij het vinden van dringende oplossingen voor de kwestie van clandestiene migranten die Libië doorkruisen om Europa over zee te bereiken’, wordt bevestigd. In de afgelopen zes jaar heeft het Trust Fund een half miljard dollar uitgetrokken voor de aanpak van de migratie door Libië. Marghani vertelde me dat het doel van het programma duidelijk is: ‘Maak van Libië de slechterik. Maak Libië tot dekmantel voor het beleid, terwijl de goede mensen uit Europa zeggen dat ze geld bieden om dit helse systeem veiliger te maken.’

Het beleid heeft geleid tot een sterke daling van het aantal migranten. In de eerste helft van vorig jaar hebben nog geen 21.000 mensen via de Middellandse Zee Europa bereikt. Minniti zei in 2017 tegen de pers: ‘Wat Italië in Libië heeft gedaan, is een model om met migrantenstromen om te gaan zonder grenzen of prikkeldraadversperringen op te werpen.’ (Minniti heeft sindsdien de regering verlaten en staat nu aan het hoofd van de Med-Or Foundation, een denktank van de defensie-industrie; hij weigerde commentaar te geven.)

Diploma uitreiking voor rekruten van de Libische kustwacht op het Italiaanse marineschip San Giorgio. Ze werden getraind door de marine van Europese landen. Valletta, Malta, februari 2017 © Gianni Cipriano / the New York Times / ANP

Candé is opgegroeid op een boerderij in de buurt van het dorp Sintchan Demba Gaira in Guinee Bissau. Het heeft geen mobiele ontvangst, verharde wegen, sanitaire voorzieningen of elektriciteit. Hij woonde in een lemen huis, met zijn vrouw Hava en hun twee jonge zonen. Hij was onrustig in het dorp: hij luisterde naar buitenlandse muzikanten en volgde Europese voetbalclubs. Hij sprak Engels en Frans en leerde zichzelf Portugees, in de hoop op een dag in Portugal te wonen. Jacaria, een van de drie broers van Candé, vertelde me: ‘Aliou was een heel lieve jongen – nooit in de problemen. Hij was een harde werker. De mensen respecteerden hem.’

Candé’s boerderij produceerde cassave, yams en cashewnoten – een gewas dat goed is voor negentig procent van de export van het land. Maar de weerpatronen waren aan het veranderen, waarschijnlijk als gevolg van de klimaatverandering. ‘We voelen de kou niet meer tijdens het koude seizoen, en de hitte komt eerder dan zou moeten’, zei Jacaria. Door zware regenval was de boerderij een groot deel van het jaar alleen per kano bereikbaar; droogteperiodes duurden twee keer zo lang als een generatie eerder. De vier magere koeien van Candé produceerden weinig melk.

Candé, een vrome moslim, maakte zich zorgen dat hij voor God faalde om voor zijn gezin te zorgen. ‘Hij voelde zich schuldig en jaloers’, aldus Bobo, een van Candé’s broers. Jacaria was naar Spanje geëmigreerd, en Denbas, een andere broer, naar Italië. Beiden stuurden geld en foto’s van chique restaurants. Samba, de vader van Candé, vertelde me: ‘Wie naar het buitenland gaat, brengt fortuin mee naar huis.’ Candé’s vrouw was acht maanden zwanger, maar zijn familie moedigde hem aan om ook naar Europa te gaan, met de belofte dat ze voor zijn kinderen zouden zorgen. ‘Alle mensen van zijn generatie gingen naar het buitenland en slaagden’, zei zijn moeder, Aminatta. ‘Dus waarom hij niet?’ Op de ochtend van 13 september 2019 vertrok Candé naar Europa, met een roman, twee broeken, een T-shirt, een leren dagboek en zeshonderd euro. ‘Ik weet niet hoelang dit gaat duren’, zei Candé die ochtend tegen zijn vrouw. ‘Maar ik hou van je en ik kom terug.’

Candé werkte zich een weg door CentraalAfrika, liftend of verstopt in bussen en auto’s, tot hij Agadez, Niger, ooit de Poort naar de Sahara genoemd, bereikte. Van oudsher zijn de grenzen van Centraal-Afrikaanse landen open, net als in de EU. In 2016 gebruikten EU-ambtenaren het Trust Fund echter om een nieuwe wet in Niger te helpen invoeren, wet 36 genaamd: van de ene op de andere dag werden buschauffeurs en gidsen, die jarenlang migranten naar het noorden hadden vervoerd langs een weg omzoomd met waterputten, uitgeroepen tot mensensmokkelaars en onderworpen aan gevangenisstraffen van dertig jaar. Migranten werden gedwongen om gevaarlijker routes te overwegen. In 2019 trokken Candé en een half dozijn anderen door de Sahara, soms slapend in het zand aan de kant van de weg. Hij sloop door een deel van Algerije dat in handen is van bandieten. ‘Ze nemen je gevangen en slaan je tot je vrijgelaten wordt’, vertelde hij zijn familie. ‘Dat is alles wat er is.’

In januari kwam hij in Marokko aan, probeerde te betalen voor de overtocht per boot naar Spanje en vernam dat de prijs drieduizend euro was. Jacaria drong er bij hem op aan om terug te keren, maar Candé zei: ‘Jij hebt hard gewerkt toen je in Europa was. Je hebt geld naar de familie gestuurd. Nu is het mijn beurt.’ In Libië, zo hoorde hij, kon hij een goedkopere bootreis naar Italië boeken. Hij kwam afgelopen december aan in Tripoli en huurde een kamer in Gargaresh, een migrantensloppenwijk. Zijn oudoom, Demba Balde, een veertigjarige kleermaker, had jarenlang zonder papieren in Libië gewoond en de autoriteiten ontlopen. Balde vond voor Candé een baan als huisschilder en drong er bij hem op aan om af te zien van zijn plan om de Middellandse Zee over te steken. Balde zei: ‘Ik vertelde hem dat het de route des doods was.’

In mei reisde ik naar Tripoli om het systeem van migrantendetentie aldaar te onderzoeken en ik had een onderzoeksteam meegenomen, onder wie een fotograaf en een filmmaker. In Tripoli stonden kantoren, hotels, flatgebouwen en scholen langs de kustlijn, half afgebouwd en verlaten. Op ieder kruispunt stonden gewapende mannen in legerbroeken. Bijna geen westerse journalisten mogen Libië binnen, maar met de hulp van een internationale hulpgroep kregen wij een visum. Kort na aankomst gaf ik mijn team volgapparatuur en moedigde hen aan fotokopieën van hun paspoorten in hun schoenen te stoppen. We werden ondergebracht in een hotel in de buurt van het stadscentrum en kregen een klein veiligheidsteam toegewezen.

Libië is niet altijd ongastvrij voor migranten geweest. Midden jaren negentig omarmde Kadhafi het pan-Afrikanisme en moedigde hij Afrikanen ten zuiden van de Sahara aan om te komen werken in de olievelden van het land. Maar vanaf begin deze eeuw begon Kadhafi, deels op aandringen van Europa, de migratie aan banden te leggen. In 2007 stelde hij aparte visumregelingen in voor Arabieren en Afrikanen. In 2008 ondertekende hij een ‘vriendschapsverdrag’ met de Italiaanse premier Silvio Berlusconi, waarin hij zich ertoe verbond Italië te helpen de illegale immigratie in te dammen. Hij gebruikte dit soms als onderhandelingstroef. Nadat hij was omvergeworpen, stortte Libië in chaos. Vandaag strijden twee regeringen om legitimiteit: de door de VN erkende regering van nationale eenheid en de interim-regering, gesteund door Rusland en het zelfbenoemde Libische nationale leger. Beide zijn afhankelijk van wisselende, cynische allianties met gewapende milities die loyaal zijn aan stammen en die grote delen van het land besturen.

De naam van de Libische kustwacht doet klinken alsof het om een officiële militaire organisatie gaat, maar ze heeft geen verenigd commando; ze bestaat uit een assortiment van lokale patrouilles die er door de VN van beschuldigd worden banden te hebben met milities. Minniti vertelde de pers over de begindagen van de onderneming: ‘Toen we zeiden dat we de Libische kustwacht nieuw leven moesten inblazen, leek dat een dagdroom.’ Het Trust Fund for Africa van de EU heeft sindsdien tientallen miljoenen dollars uitgegeven om van de kustwacht een geduchte proxy-macht te maken.

In 2018 hielp de Italiaanse regering, met de zegen van de EU, de kustwacht om goedkeuring te verkrijgen van de VN om haar jurisdictie uit te breiden tot bijna honderd mijl uit de kust van Libië – ver in de internationale wateren, en halverwege de afstand naar de Italiaanse kust. De EU leverde zes speedboten van glasvezel, dertig Toyota-landcruisers, radio’s, satelliettelefoons, opblaasbare vlotten, en vijfhonderd uniformen. In september 2020 besteedde de EU bijna een miljoen dollar aan tien kantoorcontainers voor een commandocentrum van waaruit Libië zijn onderscheppingen op zee kan coördineren, en ze zorgt voor de training van kustwachtofficieren. Tijdens een ceremonie in oktober jongstleden onthulden EU-functionarissen en Libische commandanten twee witte kotters van staal, glasvezel en kevlar, die in Italië waren gebouwd en in Tunesië met geld uit het Trust Fund waren opgewaardeerd. ‘De aanpassing van deze twee vaartuigen was een uitstekend voorbeeld van de constructieve samenwerking tussen de Europese Unie, Italië, een lidstaat van de EU, en Libië’, aldus Jose Sabadell, ambassadeur van de EU in Libië.

Misschien wel de meest waardevolle hulp komt van het grensagentschap van de EU, Frontex, dat in 2004 is opgericht om de grens van Europa met Rusland te bewaken. In 2015 begon Frontex met het leiding geven aan een ‘systematische inspanning om schepen met migranten op zee te onderscheppen en te vernietigen’. Vandaag heeft Frontex een budget van meer dan een half miljard euro, en een eigen geüniformeerde dienst, die het kan inzetten bij operaties buiten de grenzen van de EU. Het agentschap houdt de Middellandse Zee vrijwel continu in de gaten met drones en privé gecharterde vliegtuigen. Wanneer het een migrantenschip ontdekt, stuurt het foto’s en locatiegegevens naar partners in de regio. Een woordvoerder van Frontex vertelde me dat het agentschap ‘nooit rechtstreeks heeft samengewerkt met de Libische autoriteiten’. Maar een onderzoek door een coalitie van Europese nieuwsorganisaties, waaronder Lighthouse-Reports, Der Spiegel, Libération en ard, heeft twintig gevallen gedocumenteerd waarbij, onmiddellijk nadat Frontex migrantenboten had opgespoord deze werden onderschept door de kustwacht.

Het onderzoek leverde bewijs op dat Frontex de locaties van de migrantenvlotten soms rechtstreeks aan de kustwacht doorgeeft. Functionarissen stuurden mij onlangs de resultaten van een open-records-verzoek, waaruit blijkt dat het agentschap van 1 tot 5 februari, rond de tijd dat Candé op zee was, 37 e-mails heeft uitgewisseld met de Libische kustwacht. (Frontex weigerde de inhoud van de e-mails vrij te geven, omdat dit volgens hen een risico zou inhouden voor de ‘veiligheid van migranten’.)

Een hoge functionaris bij Frontex, die uit angst voor represailles om anonimiteit heeft verzocht, vertelde me dat het agentschap zijn bewakingsbeelden ook doorstuurt naar de Italiaanse autoriteiten, die vervolgens zelf de kustwacht kunnen inlichten. Juridische experts stellen dat deze acties in strijd zijn met internationale wetten tegen refoulement, oftewel het terugsturen van migranten naar onveilige plaatsen. De Frontex-functionaris betoogde dat zelfs deze ‘indirecte methode’ het agentschap niet vrijstelt van verantwoordelijkheid: ‘Zij verstrekken die informatie. Zij voeren de actie niet zelf uit, maar het is de informatie die tot het refoulement leidt.’ De functionaris drong er herhaaldelijk bij zijn superieuren op aan om niet langer te helpen bij pogingen om migranten terug te brengen naar Libië. ‘Het maakte niet uit wat je hun vertelde’, zei hij. ‘Ze waren niet bereid het te begrijpen.’

Een Libisch kustwachtschip beschoot een migrantenvlot; vijf mensen verdronken, terwijl de commandanten met hun mobiele telefoons filmden

De Libische kustwacht racet vervolgens met haar eigen vaartuigen naar de vlotten en probeert de migranten op te pakken voordat ze naar Europa worden gebracht. Soms wordt er geschoten op de reddingsboten of de vlotten van de migranten. Sinds januari 2016 heeft de kustwacht volgens de Internationale Organisatie voor Migratie (iom) ruim negentigduizend migranten onderschept. In 2017 reageerde een boot van de hulpgroep Sea-Watch op noodoproepen van een zinkende migrantenboot. Terwijl Sea-Watch twee opblaasbare vlotten inzette, arriveerde een kotter van de Libische kustwacht, de ‘Ras Jadir’, die de vlotten in zijn deining deed kapseizen. De kotter schepte de migranten uit het water voordat ze aan boord van de ngo-boot konden gaan, en sloeg hen toen ze aan boord klommen. Johannes Bayer, het hoofd van de Sea-Watch-missie, vertelde me: ‘We hadden het gevoel dat de kustwacht er alleen maar op uit was om zo veel mogelijk mensen terug te halen naar Libië, zonder zich te bekommeren om het feit dat er mensen aan het verdrinken waren.’ Minstens twintig mensen kwamen om tijdens de onderschepping, onder wie een tweejarig jongetje. Afgelopen februari beschoot een kustwachtschip een migrantenvlot en liet het zinken; vijf mensen verdronken, terwijl de commandanten met hun mobiele telefoons filmden.

De kustwacht lijkt straffeloos te werk te gaan. In oktober 2020 werd Abdel-Rahman Al-Milad, een commandant van een kustwachteenheid in Zawiya, toegevoegd aan de sanctielijst van de VN-Veiligheidsraad en gearresteerd door de Libische autoriteiten, op beschuldiging van ‘directe betrokkenheid bij het tot zinken brengen van migrantenboten met vuurwapens’. Al-Milad had in 2017 vergaderingen bijgewoond met de Italiaanse autoriteiten in Rome en Sicilië, om meer geld te vragen uit het Trust Fund. In april vorig jaar werd hij vrijgelaten, onder verwijzing naar een gebrek aan bewijs. De kustwacht, die voor dit stuk commentaar weigerde, heeft vaak gewezen op haar succes bij het beperken van de migratie naar Europa, en betoogd dat humanitaire schepen haar inspanningen om illegale mensensmokkel te bestrijden belemmeren.

‘Waarom verklaren de ngo’s ons de oorlog?’ vroeg een woordvoerder van de kustwacht in 2017 aan Italiaanse media. ‘Zij zouden in plaats daarvan met ons moeten samenwerken als ze daadwerkelijk in het belang van de migranten willen handelen.’ De woordvoerder van het Trust Fund zei dat de EU geen geld geeft aan de kustwacht – alleen training en uitrusting – en dat het doel is om ‘de levens te redden van degenen die gevaarlijke reizen maken over zee of over land’.

In mei vorig jaar bracht een videograaf van mijn team, Ed Ou, vijf weken door aan boord van een schip van Artsen zonder Grenzen, dat migranten in de Middellandse Zee probeerde te redden. De organisatie lokaliseerde de migrantenvlotten met behulp van radar en vrijwilligersvliegtuigen, maar in de meeste gevallen was de kustwacht hen voor en werden de migranten gevangen genomen. Af en toe zagen hulpverleners een Frontex-drone – een iai-‘reiger’, die tot 45 uur onafgebroken kan blijven vliegen – boven hun hoofd cirkelen. Hun schip was zo behoedzaam om alleen reddingsacties uit te voeren in internationale wateren, maar dreigementen van de kustwacht knetterden over de radio. ‘Blijf weg van ons doel’, zei een officier. Een ander dreigde: ‘Ga niet de Libische wateren in. Anders reken ik met je af, en neem ik mijn toevlucht tot andere maatregelen.’ Af en toe slaagde een redding, en een aantal Soedanese migranten sprak door hun tranen heen over wat ze in Libië hadden gezien.

Bootvluchtelingen klimmen op een boot van de Libische kustwacht nadat hun opblaasbootje zonk. Vijf mensen verdronken. © Lisa Hoffmann / Sea-Watch

Op 3 februari 2021, om tien uur ’s avonds, leidde een mensensmokkelaar Candé en ruim honderd anderen naar de Libische kust, en duwde hen op weg op een opblaasbaar rubber vlot. Sommige migranten, opgewonden door het vertrek, braken in gezang uit. Twee uur later voer de boot de internationale wateren binnen. Candé, aan de zijkant van het vlot, voelde zich hoopvol.

De mensensmokkelaar had drie migranten de leiding gegeven. Een ‘bussolier’ fungeerde als gids, met behulp van een kompas. Een ‘kapitein’ bemande de motor en bediende de satelliettelefoon; zodra ze ver genoeg van Libië verwijderd waren, moest hij Alarm Phone, een humanitaire groep, bellen en om redding vragen. Een ‘commandant’ hield orde en zorgde ervoor dat niemand de plug aanraakte die, als hij eruit getrokken werd, het vlot zou laten leeglopen. Al snel werd de zee ruw, waardoor iedereen ziek werd en het water aan hun voeten veranderde in een soep van braaksel, uitwerpselen, snoeppapiertjes en baguettekruimels. Verschillende migranten probeerden de boot leeg te scheppen met doormidden gesneden plastic waterflessen. Er brak een gevecht uit en iemand dreigde het vlot met een mes open te snijden voordat hij werd overmeesterd.

Bij dageraad kalmeerde het water, en de migranten, die besloten dat ze ver genoeg van Libië verwijderd waren, belden Alarm Phone voor hulp. Een operator vertelde hun dat er een koopvaardijschip niet ver bij hen vandaan was, wat tot feestvreugde leidde. ‘Bosa, vrij, bosa, vrij’, scandeerden de migranten, gebruik makend van een Fulani-woord voor overwinning. Maar toen het koopvaardijschip aankwam, zei de kapitein aan dat hij geen reddingsboten had en stuurde hij snel weer weg.

Candé’s boot was inmiddels zeventig mijl van Italië verwijderd, ver buiten de Libische wateren, maar nog steeds binnen de uitgebreide jurisdictie die Europa voor de kustwacht had helpen creëren. Op 4 februari, rond vijf uur ’s middags, merkten de migranten een vliegtuig op dat een kwartier boven hen cirkelde en vervolgens wegvloog. Uit gegevens van de ADS-B Exchange, een organisatie die het luchtverkeer volgt, blijkt dat het om de Eagle1 ging, een wit Beech King Air 350-bewakingsvliegtuig dat door Frontex wordt geleased. (Het agentschap weigerde commentaar te geven op zijn rol in de gevangenneming.) Ongeveer drie uur later verscheen een schip aan de horizon. ‘Hoe dichterbij het kwam, hoe duidelijker we het zagen – en de zwarte en groene lijnen van de vlag’, zei Soumahoro, met wie Candé bevriend was geraakt op het vlot. ‘Iedereen begon te huilen en zijn hoofd vast te houden en te zeggen: “Shit, het is Libisch.”’

Het schip, een Vittoria P350 patrouillevaartuig, was een van de kotters die in oktober door de EU waren onthuld. De kustwacht ramde het vlot van de migranten drie keer, en beval hun toen aan boord te klimmen. ‘Schiet op!’ riepen de officieren. Een van hen sloeg een aantal migranten met de kolf van zijn geweer; een ander sloeg hen met een touw. De migranten werden weer aan land gebracht, in bussen en vrachtwagens geladen, en naar Al Mabani gereden.

Tijdens en na het bewind van Kadhafi bouwde Libië tal van faciliteiten om politieke gevangenen, militieleden en buitenlandse huurlingen op te sluiten. Toen Europa zich tot het land wendde om migranten op te vangen, waren er voldoende faciliteiten om hen vast te houden. Er zijn momenteel een vijftiental erkende detentiecentra, waarvan Al Mabani het grootste is. Een functionaris van de iom vertelde me dat er sinds 2017 tienduizenden migranten in de gevangenissen zijn vastgehouden. Volgens de Libische wet kunnen niet-geautoriseerde buitenlanders voor onbepaalde tijd worden vastgehouden, zonder toegang tot een advocaat. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen economische vluchtelingen, asielzoekers en de slachtoffers van illegale mensensmokkel. In mei vertelden zes vrouwen in het Shara al-Zawiya centrum aan onderzoekers van Amnesty International dat ze waren verkracht of aan andere vormen van seksuele marteling waren onderworpen. In Abu Salim werden in februari vorig jaar twee migranten gedood tijdens een ontsnappingspoging. Diana Eltahawy, werkzaam bij Amnesty International, verklaarde in juli: ‘Het hele netwerk van Libische detentiecentra voor migranten is verrot tot in de kern.’

Migranten die door de kustwacht gevangen worden genomen, worden in bussen geladen, waarvan vele door de EU zijn geleverd, en naar de gevangenissen gebracht; soms verkopen eenheden van de kustwacht hen tegen betaling aan detentiecentra. Sommige migranten komen nooit in een van de officiële gevangenissen terecht. In de eerste zeven maanden van 2021 werden volgens de iom ruim vijftienduizend migranten opgepakt door de Libische kustwacht, maar slechts ongeveer zesduizend kwamen aan in aangewezen faciliteiten. ‘De cijfers kloppen gewoon niet’, aldus Federico Soda, hoofd van de missie van de iom in Libië. Soda denkt dat veel migranten verdwijnen in ‘onofficiële’ faciliteiten die worden gerund door smokkelaars en milities, waar hulporganisaties geen toegang toe hebben.

Al Mabani werd begin dit jaar opgericht door Emad al-Tarabulsi, een hooggeplaatste leider in de Zintan-brigade. De militie heeft banden met de Zintan-stam, die heeft geholpen Kadhafi omver te werpen, en hield diens zoon Seif jarenlang vast als politiek gevangene. Tegenwoordig is de groep gelieerd aan de door de VN gesteunde regering van nationale eenheid, en Al-Tarabulsi was korte tijd plaatsvervangend hoofd van de inlichtingendienst. (Al-Tarabulsi weigerde commentaar te geven.) De gevangenis werd gebouwd in een hoek van de stad die door de militie wordt gecontroleerd; militieleden werden er stafleden en schutters, en Noureddine al-Ghreetly, een zacht sprekende militiecommandant, werd aangesteld om de gevangenis te leiden.

De EU geeft toe dat de migrantengevangenissen wreed zijn. De woordvoerder van het Trust Fund zei tegen me: ‘Het standpunt van de EU over de omstandigheden waaronder migranten worden vastgehouden in de detentiecentra in Libië is duidelijk: de situatie in deze centra is onaanvaardbaar. Er moet een einde komen aan het huidige systeem van willekeurige detentie.’ Vorig jaar zei Josep Borell, vice-voorzitter van de Europese Commissie: ‘Het besluit om migranten willekeurig vast te houden, valt volledig onder de verantwoordelijkheid’ van de Libische regering. In haar oorspronkelijke overeenkomst met Libië beloofde de EU te zullen helpen bij de financiering en de beveiliging van de detentie van migranten. Vandaag houden de Europese functionarissen vol dat ze de sites niet rechtstreeks financieren.

De bestedingen van het Trust Fund zijn ondoorzichtig, maar de woordvoerder vertelde me dat het fonds alleen geld stuurt naar VN-agentschappen en internationale ngo’s die ‘levensreddende steun verlenen aan migranten en vluchtelingen in detentie’, onder meer door het verstrekken van ‘gezondheidszorg, psychosociale steun, contante hulp en non-food-artikelen’. Tineke Strik, lid van het Europees Parlement, vertelde me dat deze bewering grotendeels betekenisloos is: ‘Als de EU de Libische kustwacht en haar middelen niet zou financieren, zou er geen interceptie zijn en zou er geen doorverwijzing plaatsvinden naar deze afschuwelijke detentiecentra.’

Met EU-geld worden de boten gekocht waarmee migranten gevangen worden genomen, de bussen waarmee ze naar de gevangenissen worden gebracht

Zij wees er ook op dat de EU geld stuurt naar de regering van nationale eenheid, waarvan het directoraat voor de bestrijding van illegale migratie toezicht houdt op de locaties. Ook al betaalt de EU niet rechtstreeks voor de bouw van detentiefaciliteiten of de salarissen van hun schutters, toch helpt haar geld, dat via regeringsagentschappen en ngo’s wordt uitgegeven, indirect om een groot deel van hun werking in stand te houden. Met EU-geld worden de boten gekocht waarmee migranten gevangen worden genomen, de tablets met touchscreens waarmee hulpverleners de migranten tellen wanneer ze van boord gaan, en de bussen waarmee ze naar de gevangenissen worden gebracht. EU-geld dat via VN-agentschappen als de iom en de Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen van de Verenigde Naties wordt doorgesluisd, helpt bij het betalen van de dekens, winterkleren en slippers die zij bij aankomst krijgen. Met dat geld zijn ook de toiletten en douches in verschillende faciliteiten gebouwd en zijn de zeep, hygiënekits en het toiletpapier gekocht die de migranten gebruiken, evenals de schuimmatrassen waarop ze slapen.

Het Trust Fund for Africa van de EU betaalt de suv’s die de Libische autoriteiten gebruiken om jacht te maken op migranten die aan detentie zijn ontsnapt, en om degenen te vangen die het land via de Sahara binnenkomen. Wanneer gedetineerden ziek worden, brengen door het Trust Fund gekochte ambulances hen naar het ziekenhuis. En wanneer zij sterven, betaalt de EU hun lijkzakken en geeft zij de Libische autoriteiten instructies voor een religieus verantwoorde behandeling van hun lichamen. Afzonderlijk helpen sommige van deze inspanningen om de gevangenissen humaner te maken, maar samen helpen zij het systeem in stand te houden.

Milities maken ook gebruik van verschillende methoden om winst te maken uit de faciliteiten. Ze sluizen vaak geld en goederen weg die door humanitaire organisaties en overheidsinstanties naar migranten worden gestuurd – een systeem dat bekend staat als ‘omleiding van hulp’. De directeur van een detentiecentrum in Misrata vertelde onderzoekers van Human Rights Watch dat zijn militie ook het cateringbedrijf beheerde dat de faciliteiten bevoorraadde, en zo’n 85 procent van het geld wegsluisde dat de Libische regering en hulporganisaties stuurden om maaltijden aan de migranten te verstrekken. Er is ook gedocumenteerd dat milities voedsel, dekens, emmers en toiletartikelen stelen. Uit een intern onderzoek dat het Trust Fund in april 2019 financierde, bleek dat een groot deel van het geld dat het via humanitaire groepen stuurde, uiteindelijk bij milities terechtkwam.

Wetten die dateren uit het tijdperk van Kadhafi staan ook toe dat buitenlanders, ongeacht hun leeftijd, worden gedwongen om zonder loon in het land te werken. Een Libische onderdaan kan migranten tegen betaling uit een gevangenis oppikken, hun ‘voogd’ worden en gedurende een bepaalde tijd toezicht houden op hun werkzaamheden. In 2017 zond cnn beelden uit van een veiling net buiten Tripoli, waarop migranten werden verkocht voor werk op de boerderij en in de bouw; het bieden begon bij vierhonderd dinar, oftewel ongeveer 88 dollar, per persoon. Dit jaar vertelde ruim een dozijn migranten uit Al Mabani, sommigen nog maar veertien jaar oud, aan Amnesty International dat ze gedwongen waren om op boerderijen of in particuliere woningen te werken, en om wapens schoon te maken en te laden in militaire kampementen tijdens actieve vijandelijkheden.

Afpersing komt misschien nog wel het meest voor. In de detentiefaciliteiten heeft alles een prijs: bescherming, voedsel, medicijnen en, het duurst van alles, vrijheid. Maar zelfs het betalen van losgeld garandeert geen vrijlating; sommige migranten worden gewoon doorverkocht aan een ander detentiecentrum.

Tijdens een ontmoeting vorig jaar met de Duitse ambassadeur in Libië erkende generaal Al-Mabrouk Abdel-Hafiz, die aan het hoofd staat van het directoraat voor de bestrijding van illegale migratie van de regering van nationale eenheid, het agentschap dat verantwoordelijk is voor de detentiefaciliteiten voor migranten, de wrede omstandigheden in de gevangenissen. Hij schilderde zichzelf en zijn land af als belast met een onmogelijke taak. ‘Libië is niet langer een doorgangsland, maar eerder een slachtoffer dat er alleen voor staat om een crisis het hoofd te bieden die de landen van de wereld niet hebben weten op te lossen’, zei hij.

Malinees kind vastgehouden samen met andere migranten in het Mitiga detentiecentrum van het Libische anti-immigratie departement, nadat ze door de Libische kustwacht zijn gered van de verdrinkingsdood. © Mohame Ben Khalifa / AP / ANP

Enkele dagen na mijn aankomst in Libië reisde ik naar Gargaresh, de migrantensloppenwijk, om met voormalige gedetineerden te spreken. Tijdens de Tweede Wereldoorlog heette het gebied Campo 59, en werd het gebruikt als militaire gevangenis onder leiding van de Italianen en vervolgens de Duitsers. Vandaag is het een wirwar van steegjes en smalle straatjes, omringd door fastfoodrestaurants en telefoonwinkels. Overvallen door militieleden maken deel uit van het dagelijkse leven. Candé’s vriend Soumahoro ontmoette me op de hoofdweg en nam me mee naar een kamer zonder ramen, waar twee andere migranten woonden. Tijdens een maaltijd chana masala vertelde hij me over zijn tijd in de gevangenis. ‘Het is heel moeilijk voor me om hierover te praten’, zei hij.

Migranten in Al Mabani werden geslagen als ze tegen elkaar fluisterden, in hun moedertaal spraken of lachten. Onruststokers werden dagenlang vastgehouden in de ‘isoleercel’, een verlaten benzinestation achter de vrouwencel met een bord van Shell ervoor. De cel had geen toilet, dus moesten de gevangenen in de hoek poepen; de stank was zo erg dat bewakers maskers droegen als ze op bezoek kwamen. Bewakers bonden de handen van een gedetineerde vast aan een touw dat aan een stalen plafondbalk hing en sloegen hem of haar. ‘Het is niet zo erg om een vriend of een man te zien schreeuwen als hij wordt gemarteld’, zei Soumahoro. ‘Maar het zien van een man van twee meter die een vrouw met een zweep slaat…’ In maart vorig jaar organiseerde Soumahoro een hongerstaking om te protesteren tegen het geweld van de bewakers, en werd hij naar de isoleercel gebracht, waar hij ondersteboven werd opgehangen en herhaaldelijk werd geslagen. ‘Ze hangen je op als een kledingstuk’, zei hij.

Verschillende ex-gedetineerden die ik in Tripoli heb gesproken, zeiden dat ze getuige waren geweest van seksueel misbruik en vernedering. Adjara Keita, een 36-jarige migrante uit Ivoorkust, die twee maanden in Al Mabani vastzat, vertelde me dat vrouwen regelmatig uit hun cel werden gehaald om door de bewakers te worden verkracht.

De bewakers gebruikten migranten als collaborateurs, waardoor de gedetineerden verdeeld bleven. Mohammad Soumah, een 23-jarige uit Guinee-Conakry, bood zich aan om te helpen met de dagelijkse taken en moest al snel informatie delen. Welke migranten haatten elkaar? Wie waren de oproerkraaiers? Toen de regeling werd geformaliseerd, noemden de gedetineerden hem ‘mandoob’, Arabisch voor ‘vertegenwoordiger’. Als ze losgeld betaalden om te mogen vertrekken, voerde Soumah de onderhandelingen. Als beloning mocht hij in de ziekenboeg slapen, of bij de koks die aan de overkant van de straat woonden. Op een bepaald moment, als een geschenk voor zijn loyaliteit, lieten de bewakers hem een aantal migranten kiezen die vrijgelaten mochten worden. Hij kon zelfs het kamp verlaten, maar ging nooit ver weg. ‘Ik wist dat ze me zouden vinden en me zouden slaan als ik probeerde te ontsnappen’, vertelde hij me.

Artsen zonder Grenzen bezocht de gevangenis tweemaal per week en stelde vast dat de gedetineerden onder de blauwe plekken en snijwonden zaten, oogcontact vermeden en terugdeinsden voor harde geluiden. Soms gaven migranten het personeel wanhoopsbriefjes mee, geschreven op de achterkant van gescheurde pamfletten van de Wereldgezondheidsorganisatie. Velen vertelden de artsen dat ze zich ‘vermist’ voelden, en vroegen of iemand hun familie kon vertellen dat ze nog in leven waren. Tijdens een bezoek konden de artsen Candé’s cel niet in omdat die zo vol zat: ze schatten dat er drie gedetineerden per vierkante meter zaten. In plaats daarvan behandelden ze de migranten op de binnenplaats. De overbevolking was zo hevig dat tuberculose, waterpokken, schimmelinfecties en Covid-19 zich snel verspreidden. De artsen hoorden over mishandelingen van de nacht ervoor, en maakten een lijst van breuken, snijwonden, schaafwonden en andere verwondingen; één kind was zo erg gewond dat het niet meer kon lopen.

Halverwege mijn maaltijd met Soumahoro ging mijn telefoon, en een politieagent aan de lijn begon tegen me te schreeuwen: ‘U mag niet met migranten praten. U mag niet in Gargaresh zijn.’ Hij zei dat als ik niet onmiddellijk wegging ik zou worden gearresteerd. Toen ik terugkeerde naar mijn auto zei de politieagent, die daar stond, dat ik het land zou worden uitgegooid als ik met nog meer migranten zou praten. Daarna konden mijn team en ik niet ver meer gaan. Als ex-gedetineerden hun verhaal wilden doen, moest ik ze stiekem mijn hotel binnenloodsen.

Terwijl Candé in zijn cel zat, wachtend op zijn vrijlating tijdens de ramadan, vond hij manieren om de tijd te doden: hij probeerde Arabisch te leren van Luther, en speelde poker. Het tweetal ontwikkelde bijnamen voor de bewakers, gebaseerd op de bevelen die ze blaften. Een van hen stond bekend als ‘Khamsa Khamsa’, Arabisch voor ‘vijf, vijf’, wat hij tijdens het eten riep om de migranten eraan te herinneren dat elke kom door vijf mensen gedeeld moest worden. Een andere bewaker, ‘Gamis’, of ‘ga zitten’ genoemd, zorgde ervoor dat niemand bleef staan. ‘Stil zijn’ hield het geklets in de gaten. Op een gegeven moment zorgden Candé en Luther voor een migrant die een psychotische aanval leek te hebben; hij sloeg en schreeuwde. ‘Hij was zo gek dat we hem in bedwang moesten houden, zodat we rustig konden slapen’, schreef Luther. Uiteindelijk brachten de bewakers de gevangene naar een ziekenhuis, maar drie dagen later kwam hij terug, even gestoord als altijd.

Eind maart vertelden de bewakers de migranten dat ze niet zouden worden vrijgelaten tijdens de ramadan. Luther schreef: ‘Dit is hoe het leven is in Libië. We zullen nog steeds geduld moeten hebben om van onze vrijheid te kunnen genieten.’ Maar Candé was gebroken. Toen hij was opgepakt, had de kustwacht op een of andere manier zijn mobiele telefoon niet in beslag genomen. Hij had hem verborgen gehouden omdat hij bang was dat hij zwaar gestraft zou worden als hij gepakt zou worden. Maar eind maart stuurde hij via WhatsApp een spraakbericht naar zijn broers om de situatie uit te leggen: ‘Je kunt je telefoon hier niet te lang aan laten staan. We probeerden over het water naar Italië te komen. Ze pakten ons en brachten ons terug. Nu zitten we opgesloten in de gevangenis.’ Hij smeekte ze: ‘Zoek een manier om onze vader te bellen.’ Toen wachtte hij, hopend dat ze het losgeld bij elkaar zouden schrapen.

Candé zei tegen Soumahoro: ‘Ik ga niet vechten. Ik ben de hoop van mijn hele familie.’ De vechtpartij duurde drieënhalf uur

Op 8 april, om twee uur ’s nachts, werd Candé wakker van het lawaai: diverse Soedanese gevangenen probeerden de voordeur van cel nummer 4 open te wrikken en te ontsnappen. Candé vreesde dat alle gevangenen gestraft zouden worden en wekte Soumahoro, die met een tiental anderen de confrontatie met de Soedanezen aanging. ‘We hebben al verschillende keren geprobeerd uit te breken’, zei Soumahoro tegen hen. ‘Het is nooit gelukt. We werden alleen maar geslagen.’ De Soedanezen wilden niet luisteren en Soumahoro zei tegen een andere gevangene dat hij de bewakers moest waarschuwen, die een zandtruck tegen de celdeur zetten.

De Soedanezen rukten ijzeren buizen uit de toiletmuur en begonnen ermee te zwaaien naar degenen die hadden ingegrepen. Een migrant werd in zijn oog geraakt, een ander viel op de grond en het bloed gutste uit zijn hoofd. De groepen begonnen elkaar te bekogelen met schoenen, emmers en stukken gipsplaat. Candé zei tegen Soumahoro: ‘Ik ga niet vechten. Ik ben de hoop van mijn hele familie.’ De vechtpartij duurde drieënhalf uur. Sommige migranten schreeuwden om hulp en riepen: ‘Open de deur!’ In plaats daarvan lachten en juichten de bewakers, en filmden ze het gevecht met hun telefoons alsof het een kooigevecht was.

Maar om half zes ’s ochtends gingen de bewakers weg, om terug te komen met halfautomatische geweren. Zonder waarschuwing schoten ze tien minuten achter elkaar door het toiletraam de cel in. ‘Het was een waar slagveld’, vertelde Soumahoro me. Twee tieners uit Guinee-Conakry werden in hun been geraakt. Candé, die zich tijdens het gevecht in de douche had verstopt, werd in zijn nek geraakt. Hij wankelde langs de muur, spoot bloed en viel toen op de grond. Soumahoro probeerde het bloeden te stelpen. Candé stierf tien minuten later.

Al-Ghreetly kwam enkele uren later aan en schreeuwde tegen de bewakers: ‘Wat hebben jullie gedaan? Jullie kunnen alles met ze doen, maar jullie mogen ze niet doden!’ De migranten weigerden Candé’s lichaam af te staan tenzij ze bevrijd werden, en de paniekerige bewakers riepen Soumah, de collaborateur, erbij om te onderhandelen. Uiteindelijk stemde de militie in met de voorwaarden. ‘Ik, Soumah, zal deze deur openen en jullie zullen eruit komen’, zei hij. ‘Maar er is één voorwaarde. Als jullie eruit komen, veroorzaak dan geen problemen. Veroorzaak geen chaos. Ik zal voor jullie lopen, tot aan de uitgang.’ Even voor negen uur ’s ochtends namen de bewakers hun posities in bij de poort, de wapens geheven. Soumah opende de celdeur en zei tegen de driehonderd migranten dat ze hem langzaam moesten volgen, in één rij, zonder te praten.

Migranten in de Ganzour detentiecentrum in Tripoli. © Mahmud Turkia / AFP / ANP

Op mijn zesde dag in Tripoli waren mijn team en ik bezig de details van Candé’s dood bij elkaar te sprokkelen. Tegen de wil van de regering in hadden we tientallen migranten, functionarissen en hulpverleners ondervraagd. Ik had de stellige indruk dat het hotelpersoneel en onze privé-‘bewakers’ onze bewegingen aan de autoriteiten doorgaven.

Op zondag 23 mei, kort voor acht uur ’s avonds, zat ik in mijn hotel, aan de telefoon met mijn vrouw in Washington D.C., toen er op de deur werd geklopt. Toen ik opendeed, stormden een stuk of tien gewapende mannen de kamer binnen. Ze hielden een pistool tegen mijn voorhoofd en riepen: ‘Op de grond!’ Ze plaatsten een kap over mijn hoofd en sloegen me, schopten me en trapten me op mijn gezicht, waardoor ik twee gebroken ribben had, bloed in mijn urine, en schade aan mijn nieren. Toen sleepten ze me de kamer uit.

Mijn onderzoeksteam was op weg naar een diner in de buurt van ons hotel. Een witte pick-up-truck ramde een burgerauto voor hen, blokkeerde de weg, en een stuk of zes mannen met maskers en semi-automatische wapens sprongen uit de truck. Ze haalden de chauffeur van mijn team uit het busje en sloegen hem met een pistool, vervolgens blinddoekten ze mijn collega’s en voerden ze weg. We werden naar een verhoorkamer op een geheime locatie gebracht, waar ik opnieuw op mijn hoofd en in mijn ribben werd gestompt. Ik kon de mannen de anderen horen bedreigen. ‘Je bent een hond!’ schreeuwde er een tegen onze fotograaf, Pierre Kattar, die hij in het gezicht sloeg. Ze fluisterden seksueel bedreigende dingen tegen het vrouwelijk lid van ons team, Mea Dols de Jong, een Nederlandse filmmaker, en zeiden: ‘Wil je een Libisch vriendje?’ Na een paar uur verwijderden ze onze riemen, ringen en horloges, en plaatsten ze ons in cellen.

Ik heb sindsdien ontdekt – door satellietbeelden te vergelijken met het weinige dat we van de omgeving hebben gezien – dat we werden vastgehouden in een geheime gevangenis op een paar honderd meter van de Italiaanse ambassade. Onze gijzelnemers vertelden ons dat ze deel uitmaakten van de ‘Libische Inlichtingendienst’, nominaal een agentschap van de regering van nationale eenheid hoewel ze banden hebben met een militie, genaamd de Al-Nawasi Brigade. Onze ondervragers schepten op dat ze hadden samengewerkt onder Kadhafi.

Ik werd in een isoleercel geplaatst, met een toilet, douche, een schuimmatras en een aan het plafond bevestigde camera. Bewakers reikten blikken gele rijst en flessen water aan via een gleuf in de deur. Iedere dag werd ik urenlang ondervraagd in een verhoorkamer. ‘We weten dat je voor de cia werkt’, bleef een man tegen me zeggen. ‘Hier in Libië wordt spionage bestraft met de dood.’ Soms legde hij een pistool op de tafel of richtte het op mijn hoofd. Voor mijn ontvoerders werden de stappen die ik had genomen om mijn team te beschermen een bewijs van mijn schuld. Waarom droegen ze volgapparatuur bij zich, en hadden ze geld en kopieën van hun paspoorten in hun schoenen? Waarom had ik twee ‘geheime opnameapparaten’ in mijn rugzak (een Apple Watch en een GoPro), samen met een pakje papieren met de titel ‘Geheim Document’ (een lijst met contactpersonen voor noodgevallen die ik had gelabeld als ‘Beveiligingsdocument’)?

Het feit dat ik journalist was, was eerder een secundaire misdaad dan een verdediging. Mijn ontvoerders vertelden me dat het illegaal was om migranten te interviewen over de misstanden in Al Mabani. ‘Waarom probeer je Libië in verlegenheid te brengen?’ vroegen ze. Ze zeiden herhaaldelijk tegen me: ‘Jullie hebben George Floyd vermoord.’ Ik tikte op de muur van mijn cel en hoorde Kattar, de fotograaf, terug tikken, wat ik op de een of andere manier geruststellend vond.

Mijn vrouw had het begin van mijn ontvoering gehoord en het ministerie van Buitenlandse Zaken gewaarschuwd. Samen met de Nederlandse buitenlandse dienst begon het ministerie bij de president van de regering van nationale eenheid te lobbyen voor onze vrijlating. Op een gegeven moment werden we uit onze cel gehaald om een video op te nemen die moest ‘bewijzen dat we nog leefden’. Onze bewakers zeiden dat we het bloed en het vuil van onze gezichten moesten wassen, en op een bank moesten gaan zitten voor een tafel met frisdrank en gebak. ‘Lach’, zeiden ze, en ze droegen ons op om tegen de camera te zeggen dat we humaan behandeld werden. ‘Praat. Kijk normaal.’ Na vijf dagen stemde de militie ermee in om ons te laten gaan. We moesten ‘bekentenis’-documenten ondertekenen, geschreven in het Arabisch op briefpapier van het ‘Departement voor de Bestrijding van Vijandigheid’, en met de naam van een officier erop, genaamd generaal-majoor Hussein Muhammad Al-A’ib. Toen we vroegen wat er in de documenten stond, lachten onze ontvoerders.

Deze ervaring, die zeer beangstigend was maar gelukkig van korte duur, bood een blik in de wereld van de onbeperkte detentie in Libië. Ik dacht vaak aan de maandenlange opsluiting van Candé, en de nog wredere afloop daarvan. Op 28 mei werden mijn team en ik vrijgelaten uit onze cellen en begeleid naar de deur. We werden naar een vliegtuig gebracht en naar Tunesië gevlogen, formeel gedeporteerd voor de misdaad van ‘verslaggeving over migranten’.

In de weken na de dood van Candé verspreidde het bericht zich snel in de stad onder degenen die waren ontsnapt, en het bereikte uiteindelijk Ousmane Sane, de 44-jarige onofficiële consulaire vertegenwoordiger van Guinee-Bissau. Sane ging met Balde, de oom van Candé, naar het politiebureau, waar ze een kopie van het autopsierapport kregen. De autoriteiten kenden Candé’s naam niet, dus de formulieren waren anoniem, en ze suggereerden ook dat hij was omgekomen in een gevecht, wat Sane woedend maakte. ‘Het was geen gevecht’, vertelde hij me. ‘Het was een kogel.’ Later gingen Sane en Balde naar het plaatselijke ziekenhuis om Candé’s lichaam te identificeren; hij werd naar buiten gereden op een metalen brancard, gewikkeld in een wazige witte doek die gedeeltelijk was losgemaakt om zijn gezicht te onthullen. De volgende dagen reisden ze Tripoli rond om de schulden af te betalen die Candé na zijn dood had gemaakt: 188 dollar voor het verblijf in het ziekenhuis, negentien dollar voor de witte lijkwade en de begrafeniskleren, 236 dollar voor de aanstaande begrafenis.

Candé’s familie hoorde twee dagen later van zijn dood. Samba, zijn vader, vertelde me dat hij nauwelijks kon slapen of eten: ‘Het verdriet weegt zwaar op mij.’ Hava was inmiddels bevallen van een dochter, Cadjato, die nu twee is, en vertelde me dat ze niet zou hertrouwen voordat ze klaar was met rouwen. ‘Mijn hart is gebroken’, zei ze. Jacaria hoopte dat de politie de moordenaars van zijn broer zou arresteren. ‘Ik denk niet dat ze dat zullen doen’, zei hij. ‘Dus hij is weg. Weg in alle opzichten.’ De omstandigheden op de boerderij zijn verslechterd, met nog meer overstromingen en een arbeider minder. Als gevolg daarvan zal Bobo, Candé’s jongste broer, waarschijnlijk proberen om zelf de reis naar Europa te maken. ‘Wat moet ik anders doen?’ zei hij.

Al-Ghreetly werd na de dood van Candé geschorst bij Al Mabani, maar een paar weken later werd hij weer aangesteld. Bijna drie maanden lang weigerde Artsen zonder Grenzen de gevangenis binnen te gaan; Beatrice Lau, het hoofd van de missie in Libië, schreef: ‘Het aanhoudende patroon van gewelddadige incidenten en ernstig letsel aan vluchtelingen en migranten, evenals het risico voor de veiligheid van ons personeel, heeft een niveau bereikt dat we niet langer kunnen accepteren.’ De organisatie hervatte haar activiteiten nadat ze de verzekering had gekregen dat er geen geweld meer zou zijn. Maar in oktober vorig jaar hebben de Libische autoriteiten, waaronder de Zintan-brigade, vijfduizend migranten opgepakt in Gargaresh en duizenden naar Al Mabani gestuurd. Binnen een week openden bewakers het vuur op gevangenen die probeerden te ontsnappen, waarbij zes doden vielen.

Na de dood van Candé riep Sabadell, de ambassadeur van de EU, op tot een formeel onderzoek, maar dat lijkt nooit te hebben plaatsgevonden. Europa’s inzet voor zijn anti-migrantenprogramma’s in Libië blijft onverkort van kracht. Vorig jaar heeft Italië zijn memorandum van overeenstemming met Libië vernieuwd, en sinds maart heeft het land nog eens vier miljoen dollar uitgegeven aan de kustwacht. De Europese Commissie heeft onlangs toegezegd een ‘nieuw en verbeterd’ maritiem commandocentrum te bouwen en drie extra schepen te kopen. Het aantal migranten dat Europa bereikt, blijft dalen, maar het sterftecijfer van degenen die de Middellandse Zee oversteken, is sinds 2017 met veertig procent gestegen.

Op 12 april, kort na het gebed van vijf uur ’s middags, verzamelden Balde, Sane en een twintigtal anderen zich op de begraafplaats Bir al-Osta Milad voor de begrafenis van Candé. De begraafplaats ligt op een stuk grond van acht hectare tussen een elektriciteitsstation en twee grote opslagplaatsen. De meeste dode migranten uit Libië liggen er begraven, en er zijn nu zo’n tienduizend graven, waarvan vele ongemarkeerd zijn. De mannen baden hardop terwijl Candé’s lichaam in een kuil werd neergelaten, niet meer dan anderhalve meter diep in het zand. Er werden zes rechthoekige stenen op geplaatst en een laag cement overheen gegoten. Iemand vroeg of er geld was van Candé om aan zijn familie te geven; niemand antwoordde. Na een pauze zeiden de mannen eenstemmig: ‘God is groot.’ Toen schreef een van hen met een stok de naam van Candé in het natte cement.

Ian Urbina werkte zeventien jaar als onderzoeksjournalist voor The New York Times. Hij maakte voor die krant de serie The Outlaw Ocean; in 2019 verscheen zijn gelijknamige boek. Het vormde de aanzet om de non-profitorganisatie The Outlaw Ocean Project op te richten, die verslag uitbrengt over mensenrechtenkwesties en milieukwesties op zee.

Vertaling: Menno Grootveld