Een hele intellectueel

Professor C.J.M. Schuyt is criminoloog, jurist en socioloog en columnist bij de Volkskrant. Men kent hem van zijn proefschrift over burgerlijke ongehoorzaamheid. Afgelopen maandag schreef hij over mij dat ik een ‘half-intellectueel’ ben. Schuyt verwijt mij dat ik ‘godsdienstige groeperingen grof heb beledigd’. Hij doelde op mijn ironische stukje over mijn humanistische opvoeding waarin ik christenen aansprak met ‘christenhonden’.

De redenering waarom Schuyt mij - evenals professor Smalhout in De Telegraaf overigens - een halfintellectueel en grof vindt, is deze - ik citeer Schuyt: ‘Opheffer mocht naar zijn mening niet beledigd worden vanwege zijn niet vrij gekozen afkomst, gelovigen mochten wel beledigd worden, omdat ze hun opvattingen vrijelijk hebben gekozen. Een onzinnige redenering.’
De helemaal hele intellectueel Schuyt, die duidelijk niet mijn stuk heeft gelezen en waarschijnlijk afgaat op wat hij her en der heeft gehoord, kletst maar wat. Ik werd destijds beschuldigd van discriminatie van minderheden. Ik heb toen de volgende omslachtig geformuleerde redenering geuit: 'Discriminatie is iemand aanvallen op eigenschappen waaraan hij niets kan doen - bijvoorbeeld een lichamelijk gebrek, een bruine huid, rood haar - en ook, op grond van die onvrijwillige eigenschappen, generalisaties maken die beledigend zijn en de schijn van waarheid bezitten, zoals: mensen met een lichamelijk gebrek zijn dommer dan gezonde mensen, negers zijn onbetrouwbaar en hebben een hyperseksualiteit die leidt tot verkrachtingen. Een levensbeschouwing echter (per definitie altijd zelf gekozen) - ik denk hierbij aan bijvoorbeeld het christendom, het jodendom, het boeddhisme, het humanisme - mag aangevallen worden, en is dan geen discriminatie omdat de aangevallene wordt aangevallen op principes en veronderstellingen die hij zelf is aangegaan en waartegen hij zich dus kan wapenen. Een overtuiging mag volgens mij geironiseerd worden en mag zelfs grof bejegend worden, want je hebt hem niet zomaar. Mag grof beledigd worden - zeg ik duidelijk. Niet moet! Het is de goede smaak die de aard van de polemiek bepaald.’
Dat is totaal iets anders dan wat Schuyt beweert. Schuyt, die om verschillende redenen beter zou moeten weten, verwijt mij gebrek aan tolerantie en, wat ik erger vind, hij verwijt mij fanatisme. Mijn stuk handelde juist over tolerantie! Ik verwees naar Multatuli. Het betreffende christenhondencitaat op grond waarvan men mij wilde veroordelen, bestond op zichzelf weer uit citaten van Multatuli, Karel van het Reve en Kuifje, en was een ironisch bedoelde poging om te illustreren hoe met name intolerante vooronderstellingen uit mijn jeugd ('Christenhonden zijn misdadigers’, zeiden mijn humanistische ouders) nog steeds intolerante gevoelens genereren, waarvan ik juist vind dat je die niet mag rationaliseren.
De hoogbegaafde hele intellectueel C.J.M. Schuyt draait dit allemaal om en stelt mij op een lijn met Centrumdemocraten en ander fanatiek tuig.
Ik denk dat Schuyts gebrek aan eruditie en slordigheid - hij kent zijn zaakjes niet of onvolledig - hem parten heeft gespeeld en zodoende leidt tot domme conclusies. Als half-intellectueel heb ik destijds mijn advocaat gewezen op een artikel dat precies verwoordde wat ik dacht en vond wat betreft vrijheid van meningsuiting en tolerantie. Dat artikel, van wetenschappelijke allure, was geschreven door de hele intellectueel Schuyt.
Alleen betrof het hier geen stuk van professor Kees, maar van zijn broer Gerard.
Mede op grond van dat stuk werd ik vrijgesproken.