Een hemelse nachtegaal

PETER VERHELST EN CARLL CNEUT
HET GEHEIM VAN DE KEEL VAN DE NACHTEGAAL
De Eenhoorn, 64 blz., € 24,95

Hans Christian Andersen die als ‘lelijk eendje’ van onsterfelijkheid en eeuwige roem droomde, zou zeker jaloers zijn geweest op Het geheim van de keel van de nachtegaal van dichter/romancier Peter Verhelst en illustrator Carll Cneut: een betoverende Vlaamse hervertelling van De nachtegaal (1843) in woord en beeld. Tegelijkertijd zou hij trots zijn geweest. Hij zou zich realiseren dat zonder zijn sprookje dit boek er vermoedelijk nooit was geweest en dat Verhelst en Cneut met hun kunstwerk zijn onsterfelijkheid bevestigen.
Bovenal zou Andersen na lezing van Het geheim van de keel van de nachtegaal nieuwsgierig zijn geweest. Nieuwsgierig naar de dichter Verhelst die net als hij er blijk van geeft voor een dubbelpubliek te kunnen schrijven. Die net als hij, al dan niet bewust, zoekt naar exclusiviteit, naar woorden die beelden vangen en naar ritmische zinnen die dansen en hardop moeten worden (voor)gelezen, dromend over hoe het leven te vervolmaken, onderwijl wetend dat die drang naar perfectie kan verworden tot een (zelf)vernietigend streven.
Ongetwijfeld schreef Andersen vanuit die wetenschap zijn sprookje over de ijdele keizer van China die lang geleden het lied van de namaaknachtegaal verkoos boven dat van de echte. De kunstvogel was onvermoeibaar, zong even mooi als de echte grijze nachtegaal, met meer regelmaat bovendien en was bezet met diamanten, robijnen en saffieren en derhalve een lust voor het oog. Maar tandwieltjes verslijten en radertjes roesten en op een dag hield de muziek van de gouden namaaknachtegaal op. Juist op dat moment werd de keizer dodelijk ziek. Hij wilde ‘de Dood’ met muziek verdrijven, maar de kunstvogel bleef bewegingloos stil, de keizerlijke smeekbedes ten spijt. Zo niet de levende nachtegaal die indertijd met de komst van de kunstvogel, tegen des keizers wil, zijn vrijheid had verkozen. Hij hoorde van de nood van de keizer en vloog – ondanks zijn ballingschap – naar het paleis om hem hoop en troost toe te zingen en ‘de Dood’ te verjagen.
Dat Verhelst zich heeft laten inspireren door Andersen mag niet verbazen. Behalve dat Verhelsts oeuvre is doordrongen van oude mythes en sprookjes sluit de moraal van De nachtegaal bijna naadloos aan bij Verhelsts ongeloof in een maakbare zinvolle wereld. Een glimp van het sublieme is het hoogst haalbare. Het is een ijdel streven natuurlijke schoonheid in haar hoogste vorm, zoals het lied van de hemelse nachtegaal, te willen vangen voor in de eeuwigheid.
Knap is hoe Verhelst geheel in de geest van Andersen de oorspronkelijke verhaallijn volgt, maar er tegelijkertijd verhaalelementen aan toevoegt. Mooi en goed gevonden is het nieuwe begin waarin Verhelst overtuigend schetst hoe overweldigend de macht van de Chinese keizer is, die een nieuwe tuin wenst en door een onbekende tuinier ‘uit de verste hoek van het Keizerrijk’ de bedwelmende ‘Keizerlijke Tuin der Tuinen’ laat ontwerpen. Een meesterlijk voorbeeld van geconstrueerde perfectie. En fascinerend is hoe Verhelst zijn sprookje laat vertellen bij monde van Andersens arme keukenmeisje. Verhelst laat haar als volwassene terugblikken op de dag dat het leven van de keizer veranderde door de komst van de nachtegaal, waardoor het verhaal een persoonlijk karakter krijgt.
Verhelsts keukenmeisje is een kind zoals Andersen kinderen zag en het liefst portretteerde: onschuldig, onwetend en daarom gelukkig. Zij is ‘een-meisje-dat-op-de-lucht-kan-leunen’, dat lenig als een slang is en liefst hoog in bomen klimt waar ze droomt dat ze de wolken kan aanraken. Zij is nog niet ‘besmet’ met de volwassen drang naar ‘goed, beter en perfect’. Zij gelooft nog in het onmogelijke en heeft genoeg aan haar geloof. Zij kan nog ‘grijpen naar sterren die er misschien niet eens meer zijn’. Zij weet nog hoe ze uit dat verlangen levenslust kan putten.
Begrijpelijk dat zij daarom ontsnapt aan het grote verdriet dat China overvalt wanneer met het heengaan van de namaaknachtegaal de wereld van de keizer instort, ‘bevriest’ en – met een knipoog naar Doornroosje – letterlijk tot stilstand komt. En al even begrijpelijk dat zij daarom, gepast toevallig, de nachtegaal terugvindt. Alleen hij kan de keizer doen ‘ontdooien’, dankzij zijn zangkunst, dankzij ‘het geheim van zijn keel’: slechts ‘een lichtroze tongetje’ dat als een ‘vlammetje’ aan de bevroren ziel van de keizer likt.
Verhelst toont zich hier een sensitief schrijver. Zijn taal is visueel, zijn beelden zijn bijna tastbaar, zijn toon is afwisselend zwaar en licht, zijn zinnen zingen als poëzie en zijn krachtige herhalingen vragen om voordrachtkunst. Zoals het sprookjes past.
Maar, het geheim van Verhelst is Carll Cneut. Zijn paginavullende schilderingen harmoniëren prachtig met de tekst. Als een schaduw volgt hij Verhelst in beweging en ritme, vult hij afwisselend overdadig en sober de ruimte, knipogend naar de traditionele oosterse schilderkunst, en met groot gevoel voor detail (zie de variatie in zijden kostuums).
Hij bedwelmt je met zijn kleurenpracht, hij overvalt je met zijn overvolle ‘Tuin der Tuinen’, hij doet je fronsen bij het zien van zijn kitscherige kunstvogel, hij doet je verdwalen in het groenblauwe woud van de kleine nachtegaal en hij laat je door het verhaal heen samen met het keukenmeisje, hoog in een boomtop bij het heldere licht van een volle maan, reiken naar de sterren, ook al weet je dat ze er misschien niet meer zijn.
Andersen, Verhelst en Cneut hebben elkaar zeldzaam goed begrepen

Het geheim van de keel van de nachtegaal is op 5 maart bekroond met de Woutertje Pieterse Prijs 2009 voor het beste jeugdboek