Een reis langs de Duits-Duitse grens

Een herinnering opgetrokken uit beton

14 oktober 2009 - De voormalige grens tussen Oost- en West-Duitsland is een kroniek van de Koude Oorlog. Tientallen gedenkplaatsen en musea vertellen het schrijnende verhaal van de deling. En nog altijd is niet ‘naar elkaar gegroeid wat bij elkaar hoort’.

Medium grens2

Precies op de plek waar de voormalige Duits-Duitse grens aan de Oostzee begint, ligt een naaktstrand, een zogeheten FKK-strand. Aan de West-Duitse kant. Vroeger loerden hier Oost-Duitse grenswachters naar de blote westerlingen, vertellen de Wessi’s. Vreemd. Want de Freie Körperkultur was in de DDR populairder dan in de Bondsrepubliek. En ook niet zo weggestopt op speciale FKK-stranden. De grenssoldaten van de Nationale Volksarmee wilden waarschijnlijk vooral weten of kapitalistisch bloot anders was dan socialistisch bloot.

Het strand ligt op het schiereiland Priwall, dat wel met het oosten maar niet met het westen is verbonden. De West-Duitse naaktrecreanten moesten voor hun hobby eerst met een pont overvaren vanuit Travemünde, de badplaats voor de Hamburgers. De havenmetropool aan de Elbe, residentie van de liberale elite, lag niet ver van de Duits-Duitse grens. Maar men leefde er of de grens niet bestond. Voor de intelligentsia rond de bladen Die Zeit, Der Spiegel en Stern begon ‘ten oosten van de Elbe’ de woestijn. Voor de DDR had men alleen belangstelling voor zo ver die in de buitenlandse politiek van de Bondsrepubliek een rol speelde. Hoe de mensen er leefden, dachten en voelden was nauwelijks onderwerp van gesprek, de journalistieke nieuwsgierigheid reikte zelden tot over de grens.

Het is een in West-Duitsland veel gebruikte maar slordige manier om de DDR aan te duiden: ‘ten oosten van de Elbe’. Slechts op twee betrekkelijk korte stukken vallen Elbe en Duits-Duitse grens met elkaar samen, bij Lauenburg en bij Dömitz. Wie vanaf Hamburg stroomopwaarts vaart, duikt even voorbij Dömitz, bij het dorpje Schnackenburg, definitief de voormalige DDR in om dwars door het land via Maagdenburg en Dresden maar de bron van de Elbe in Tsjechië op te stomen.

Daar waar de Elbe de Duitslanden scheidde, bij elkaar zo’n tachtig kilometer, hebben veel mensen geprobeerd naar het Westen te vluchten. De rivier was een machtige verleider die tot koene vluchtplannen aanzette. Velen hebben bij hun pogingen het leven gelaten. Daarover vertelt een ontroerend museumpje in Schnackenburg, door vrijwilligers volgepropt met van alles dat aan de voormalige grens herinnert, tot en met voertuigen, uniformen, wapens en instructies voor de grenswachters.

Daar is ook het verhaal te lezen van ingenieur Manfred Augustin uit Hattingen. Met een collega bouwde hij in een afgelegen garage een kleine onderzeeër, zeven meter lang en vier ton zwaar. In de nacht van 30 januari 1976 lieten ze het gevaarte bij Wittenberg te water en voeren ermee richting Schnackenburg, waar de Bondsrepubliek begon. Door de vrieskou bevroor hun kijker. Ze moesten opduiken, werden ontdekt en gearresteerd. Voor hun opmerkelijke technische prestatie kregen ze vier jaar gevangenis en twee jaar dwangarbeid. In West-Duitsland had men meer waardering voor het tweetal. De regering van de Bondsrepubliek kocht hen vrij. Ze verlieten de DDR uiteindelijk heel prozaïsch per auto.

Om het risico te verkleinen dat grensbewoners vluchtplannen smeedden, werd de grensstreek drastisch ‘gezuiverd’. In 1952 verordonneerde de DDR-regering de instelling van een sperzone langs de grens met een breedte van vijf kilometer. In dat gebied mochten alleen DDR-burgers wonen die als betrouwbaar golden. Ze kregen een speciale pas en ook hun bezoekers hadden speciale toestemming nodig. Maar eerst werd het gebied ontdaan van bewoners die niet voor de volle honderd procent loyaal aan de DDR waren. Dat betrof in die gebieden vooral boeren die niet aan de collectivisatie van de landbouw wilden meewerken, maar ook burgers met contacten in het Westen, voormalige leden van Hitlers NSDAP en eenvoudige kerkgangers.

In twee rondes, in 1952 en 1961, werden elf- à twaalfduizend mensen gedwongen te verhuizen. De eerste ronde heette met een mensen verachtende uitdrukking ‘Actie Ongedierte’, bij de tweede bedachten de partijbureaucraten een onschuldiger naam: ‘Actie Korenbloem’. Maar de methode bleef hetzelfde: een militaire eenheid, geholpen door aankomend partijkader, sloot het dorp af, vrachtwagens reden naar de huizen van de verdoemde families, laadden het huisraad in en namen de bewoners mee naar dorpen die veelal in het andere uiteinde van de DDR lagen.

Dat het DDR-regime er niet in was geslaagd alle opstandigheid de kop in te drukken, bewezen de bewoners van Rüterberg, een gehucht dat op enkele kilometers van Dömitz vanaf een heuvel op de traag stromende Elbe uitkijkt. Daar woonde de kleermaker Hans Rasenberger, een hobby-historicus met een grote liefde voor Zwitserland. Geïnspireerd door de Zwitserse onafhankelijkheidsverklaring op de berg Rütli organiseerde hij een bijeenkomst van alle dorpsbewoners en nodigde daarvoor ook regionale bestuurders, een officier van de grenstroepen en een commissaris van de volkspolitie uit. Op de bijeenkomst las hij een verklaring voor waarin hij de ‘Dorpsrepubliek Rüterberg’ uitriep, die voortaan haar eigen wetten zou maken en zich niet langer door het DDR-regime zou laten ringeloren.

De circa negentig dorpsbewoners namen de verklaring unaniem aan. De aanwezige autoriteiten waren verbijsterd maar grepen niet in. De vergadering vond plaats op 8 november 1989. Een dag later viel de Berlijnse Muur, nog een dag later was Rüterberg een voor iedereen vrij toegankelijke gemeente. De deelstaat Meckelenburg-Voorpommeren verleende de gemeente het recht om zich twintig jaar lang Dorpsrepubliek Rüterberg te noemen. Van het hek van ijzergaas dat het hele dorp omsloot, staat nu alleen nog de poort overeind. Hij herinnert aan die ene heerlijke, heroïsche dag van onafhankelijkheid.

Medium grens

Niet ver van Dömitz, aan de andere kant van de Elbe, kan men een ander typisch grensfenomeen aanschouwen. Als om elkaar te pesten, maar ook uit politiek opportunisme, bouwden beide Duitslanden veel van hun voorzieningen voor kernenergie zo dicht mogelijk tegen de grens aan. Dat scheelde de helft aan protesterende omwonenden, moest men hebben gedacht.

Voor de West-Duitsers bleek die rekening niet op te gaan. Schuin tegenover Dömitz ligt Gorleben. Daar plande de Bondsrepubliek de ondergrondse opslag van hoog-radioactief afval. Van meet af aan was Gorleben het symbool van de antikernenergiebeweging. Nog steeds stromen elk najaar, wanneer er weer nieuwe containers met kernafval uit Frankrijk arriveren, activisten uit heel Duitsland toe om een rituele dans met de politie uit te voeren. Ze smeden zich vast aan de rails, gieten hun voeten in betonblokken, blokkeren de wegen met zitdemonstraties. De politie heeft iedere keer verscheidene dagen nodig om de protesteerders los te zagen, uit te hakken en weg te dragen.

Meer naar het zuiden, richting Harz, liggen links en rechts van de grens zoutmijnen waarin laag-radioactief afval ligt opgeslagen. Aan de oostkant is dat de mijn Morsleben, op DDR-manier slordig onderhouden, aan de westkant de mijn Asse, die al enige tijd in het nieuws is omdat door lekkages radioactiviteit het grondwater bedreigt. De enorme problemen rond de opslag in Gorleben en Asse zijn het afgelopen jaar tot een politicum uitgegroeid dat politieke partijen tegen elkaar opzet en de antikernenergiebeweging nieuwe vleugels geeft.

Iets ten zuiden van Morsleben kruist de Duits-Duitse grens bij Marienborn de snelweg naar Berlijn. Voor Berlijn-reizigers van vóór de Wende is de grensovergang daar een vertrouwd punt. Lange files tussen lage, grauwe gebouwen uit beton en geribbeld staal, onvriendelijke grenswachters en eindeloze controles, zowel bij het binnenrijden als bij het verlaten van de DDR. Spiegels op wieltjes die onder de auto werden geschoven om te zien of daar misschien een Republiksflüchtling onder hing. Beambten met gereedschapskisten die hele deuren openschroefden. De bouwsels staan er allemaal nog, ingericht als museum, waarin de geslaagde én mislukte vluchten zijn gedocumenteerd.

Even voorbij de Harz treft men een goed bewaarde grensvoorziening aan tussen de plaatsen Duderstadt en Worbis. Daar zijn ook nog enkele honderden meters van de drie meter hoge, uit ijzergaas gebouwde hekken blijven staan. Een aangrijpend panorama, dat tegelijk heel duidelijk laat zien welke aanslag de grensinstallaties op het landschap pleegden.

Die hekken stonden aan weerszijden van een strook van honderd meter breed. Tussen de hekken bevonden zich wachttorens en bunkers, lichtinstallaties en laag boven de grond gespannen signaaldraad, een zorgvuldig aangeharkte zandstrook om voetafdrukken te registreren en een betonnen geul tegen vluchtauto’s, plus nog een rijweg van betonplaten voor de auto’s van de grenswachters, de zogeheten Kolonnenweg. De beveiliging werd gecompleteerd met mijnen, honden en automatische schietinstallaties.

De DDR heeft een groot deel van haar technische vernuft en een flink deel van haar staatsbegroting besteed aan het almaar verbeteren en verfijnen van die grensinstallaties. In 1952, drie jaar na de oprichting van de DDR, was het land begonnen met een paar simpele rijen betonpalen waartussen prikkeldraad was gespannen. Die allereerste verscherping van de grensbewaking was een reactie op het Duitslandverdrag dat de regering in Bonn op 26 mei had gesloten met de Amerikaanse, Engelse en Franse bezettingsmachten. Daarmee veranderde de Bondsrepubliek in een soevereine staat. Wat voorheen een demarcatielijn was tussen de verscheidene bezette gebieden veranderde in een staatsgrens.

Volgens de verordening die de DDR-regering nog dezelfde dag deed uitgaan, was een streng grensregime noodzakelijk om ‘het binnendringen van tweedrachtzaaiers, spionnen, terroristen en andere schadelijke elementen te verhinderen’. Het regime zou echter onmiddellijk worden opgeheven zodra er ‘in heel Duitsland vrije verkiezingen zouden plaatsvinden die moeten uitmonden in de Duitse eenheid op democratische en vrijheidslievende grondslag’. Een kleine veertig jaar later vonden die verkiezingen eindelijk plaats. De veertienhonderd kilometer lange grens, die inmiddels van eenvoudig prikkeldraad tot een hightech-installatie was geëvolueerd, werd toen in een mum van tijd opgerold.

Het is aan het initiatief van ijverige vrijwilligers en wakkere burgemeesters te danken dat hier en daar nog delen van de grensinstallaties zijn blijven staan, dat een stuk of vijftig wachttorens voor de sloop zijn behoed, dat er in totaal zo’n tachtig monumenten zijn opgericht die aan dramatische gebeurtenissen rond de grens herinneren en dat er een stuk of vijftig grensmusea zijn ingericht – kleine, amateuristische musea zoals in Schnackenburg, of grote, professionele zoals tussen Duderstadt en Worbis.

In het plaatsje Böseckendorf, niet ver van Worbis, is het even zoeken naar het monument dat herinnert aan een van de spectaculairste vluchtgeschiedenissen. Tegelijk met de bouw van de Berlijnse Muur in augustus 1961 begon het DDR-regime met de zoveelste versterking van de Duits-Duitse grens. Tevens startte het regime de eerder genoemde Actie Korenbloem, de tweede reeks deportaties uit het grensgebied. Veel bewoners van Böseckendorf stonden op de lijst van wankelmoedige burgers. De conservatieve, katholieke boeren hadden zich lang tegen de collectivisatie verzet. Toen de boeren lucht van de lijst kregen, besloten ze collectief de DDR te ontvluchten. 53 dorpsbewoners van veertien families braken in de nacht van 2 oktober door het prikkeldraad.

Aan de stroom van evenementen die dit jaar de twintigste verjaardag van de val van de Muur opluisteren, droeg de commerciële omroep Sat.1 in september bij met een tweedelige televisiefilm over de vlucht van de Böseckendorfse bevolking: De nacht waarin een dorp verdween. De film is exemplarisch voor de gedeeltelijke verkitsching van de Duits-Duitse geschiedenis. Ter verhoging van het dramatische effect liet de regisseur tussen het prikkeldraad een vrouw een kind baren en de hoofdpersoon vreemdgaan.

Het zijn niet alleen de DDR-grensinstallaties die een tocht langs de Duits-Duitse grens tot een geschiedenisles over de Koude Oorlog maken. Verder zuidwaarts reizend vanaf Böseckendorf stuit men al snel op het West-Duitse plaatsje Friedland. Daar is een groot opvangcentrum gevestigd. De groepen ontheemden en vluchtelingen die daar achtereenvolgens onderdak vonden, vertellen op een bijzondere manier het verhaal van het naoorlogse Duitsland.

Onmiddellijk na Hitlers capitulatie werden in het Friedlandse barakkenkamp ‘verdrevenen’ ondergebracht: Duitsers die als gevolg van de afspraken tussen de geallieerden uit Oost-Europese gebieden zoals Oost-Pruisen, Silezië en Sudetenland werden verjaagd, gebieden waar ze al generaties lang hadden gewoond. Met de jaren mengden zich onder de verdrevenen steeds meer ‘terugkeerders’: Duitsers, veelal soldaten, die door de Russen (krijgs)gevangen waren gemaakt en soms jarenlang in Rusland, vaak tot diep in Siberië, hadden vastgezeten.

Vanaf de jaren vijftig, toen verdrevenen en terugkeerders al bijna allemaal netjes over de Bondsrepubliek waren verspreid, diende het centrum voor de opvang van vluchtelingen uit de DDR en andere Oostbloklanden. Daar moesten ze verplicht een tijd verblijven. Ze werden er uitvoerig verhoord en tegelijkertijd klaargestoomd voor een leven in de kapitalistische Bondsrepubliek. In de jaren zeventig kwamen daar nog Vietnamese bootvluchtelingen en politieke vluchtelingen uit Chili bij.

Al in de jaren tachtig maar vooral in de jaren negentig diende het centrum in Friedland tevens voor de opvang van zogeheten Spätaussiedler: ‘Volksduitsers’ uit het Oostblok die de mogelijkheid werd geboden het Duitse staatsburgerschap te verwerven. Ze hoefden slechts te kunnen aantonen dat ze van Duitsers afstamden die soms al eeuwen geleden naar bijvoorbeeld Siberië waren geëmigreerd. Aan deze stroom migranten, die vaak de Duitse taal maar nauwelijks beheersen of hooguit een paar woorden in een ouderwets dialect kennen, is nog altijd geen einde gekomen.
Die Volksduitsers delen het uitgebreide, inmiddels uit keurige, stenen woonblokken bestaande opvangcentrum tegenwoordig met hedendaagse asielzoekers, voornamelijk afkomstig uit Bosnië, Irak en Iran. Alle bewoners worden er op Duits-grondige en Duits-propere manier verzorgd door grote charitatieve instellingen, zoals de katholieke Caritas, de evangelische Diakonie en het neutrale Rode Kruis. Uiteraard is inmiddels ook gezorgd voor een islamitische gebedsruimte.

Vlak bij Friedland staat boven op de Hagenberg een gigantisch monument, in 1967 opgericht door het Verbond van Terugkeerders, Krijgsgevangenen en Nabestaanden van Vermisten. Vier enorme betonblokken wijzen met hun spitse punt wanhopig in de lucht. Het is, let wel, een gedenkteken exclusief voor de Duitse slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog, zowel voor de Duitse verdrevenen en krijgsgevangenen als voor de 9.340.900 Duitse doden. Omdat in de jaren zestig het Duitse slachtofferschap hoe langer hoe meer taboe werd, is het monument nooit echt populair geworden. Maar dat kan ook zijn omdat het zo godsgruwelijk lelijk is.

Verder zuidwaarts bereikt de voormalige Duits-Duitse grens bij het plaatsje Geisa zijn meest westelijk gelegen punt, door de Amerikanen Point Alpha gedoopt. De Ami’s hebben daar, heel uitzonderlijk, zelfs een klein openluchtmuseum ingericht dat laat zien hoe de tegenstanders in de Koude Oorlog elkaar daar elke dag recht in de ogen keken. Gelet op de voorzieningen aan beide kanten van de hekken moeten de Oost-Duitse grenssoldaten scheel van jaloezie hebben gekeken naar de vrijetijdsbesteding van de Amerikanen. Basketballen, barbecuen en hangen rond een rockende Wurlitzer-jukebox zat er voor de jongens en meisjes van de Nationale Volksarmee niet in. Die hadden hooguit een lekke voetbal, een Gulaschkanone en een trekharmonica.

Het Point Alpha-museum geeft ook uitleg over de Fulda Gap. Vanaf de heuvel waarop het museum ligt kijkt men westwaarts een breed glooiend dal in dat zich goed leent voor een aanval met tankdivisies. De eerste stad die de oprukkende Russen dan zouden bereiken is Fulda, maar even verderop ligt Frankfurt, met zijn vliegvelden en zijn financiële centrum. De Amerikanen verwachtten dan ook dat een Derde Wereldoorlog bij Point Alpha zou beginnen. Specialisten schreven tal van militair-strategische handboeken over de Fulda Gap, aanval en verdediging zijn veelvuldig gesimuleerd en voor amateur-strategen is er zelfs een bordspel waarop twee teams elkaar met pionnen te lijf kunnen gaan.

De voormalige Duits-Duitse grens kan men tegenwoordig op verschillende manieren afreizen. Wie het met de auto wil doen, kan de Erlebnisstrasse der deutschen Einheit volgen, een traject van 2500 kilometer dat in ruime bogen rond de grens slingert en alle belangrijke historische plekken aandoet. Sinds dit jaar is er ook een fietsroute, de Eisernen-Vorhang-Radweg, bedacht en uitgewerkt door de Grünen-europarlementariër Michael Cramer, die eerder al de Mauerradweg in Berlijn had geïnitieerd. Maar het echte werk is natuurlijk een voettocht over de Kolonnenweg, de ooit ononderbroken, veertienhonderd kilometer lange weg van geperforeerde betonplaten, waarover vroeger de jeeps van de DDR-grenswacht reden.

De Thüringse journalist Landolf Scherzer is zo iemand van het echte werk. Enkele jaren geleden heeft hij een groot stuk van de Kolonnenweg op de grens van Thüringen en Beieren te voet afgelegd, althans voorzover de betonplaten niet overwoekerd waren of opgeofferd aan landbouwgrond. Het stuk dat hij bewandelde reikte ruwweg van Point Alpha tot aan Mödlareuth. Hij schreef er een prachtig boek over, Der Grenzgänger, waarin hij niet alleen de compleet nieuwe flora en fauna beschrijft die sinds de Wende in de grensstrook zijn opgebloeid, maar vooral ook de mensen die links en rechts van de grens wonen.

Overal liep Scherzer de grensdorpen en -stadjes binnen. Bij elk eerste huis aan de linkerkant van de weg belde hij aan en tekende hij de verhalen op van de bewoners die de grens nog hadden meegemaakt. Scherzer vroeg ook hoe het de mensen nu vergaat. Kunnen ze het vinden met het volk aan de andere kant? De een wel, de ander niet. Wessi’s startten bedrijven aan de oostkant, omdat de arbeidskrachten daar goedkoop waren. Ossi’s stortten zich op het verenigingsleven aan de westkant, want daar waren ze in de DDR goed in. Maar om nu te zeggen dat ‘naar elkaar groeit wat bij elkaar hoort’ (ex-kanselier Willy Brandt in november 1989) – dat kan men na lezing van Scherzers Grenzgänger niet concluderen.

Tekenend is een schoolonderzoek dat Scherzer deed. In twee naburige stadjes aan weerszijden van de voormalige grens, Neustadt (Beieren) en Sonneberg (Thüringen), vroeg hij middelbare scholieren wat ze van de jongens en meisjes aan de andere kant vonden. Oost over west: ‘We kunnen niet met elkaar omgaan, we zijn twee heel verschillende volkeren.’ ‘Ze kunnen maar één ding goed daar: broodjes shoarma maken.’ ‘Ik wil geen Turk als vriend.’ ‘In Neustadt is iedereen met zichzelf bezig, in Sonneberg helpen de mensen elkaar.’ West over oost: ‘Ik versta geen woord van wat ze zeggen.’ ‘De meisjes daar lopen er als hoeren bij.’ ‘Ossi’s zijn Scheisse, ze zijn lelijk en kijken scheel.’ ‘Doe mij maar Neustadt, dat is voor mij Turkije. Sonneberg, dat is buitenland.’

Scherzer vroeg de jongeren ook wat ze van de plannen vonden om de twee gemeenten, die zeven kilometer van elkaar vandaan liggen, samen te voegen. Een jongen uit Sonneberg: ‘Dan stikt het hier ineens van de Turken. Dan barst de bom. Buitenlanders tegen heel veel nazi’s. Sonneberg moet Duits blijven!’

Is het dan
echt zo? Zijn Oost-Duitse jongeren allemaal neonazi’s? De jonge Sonneberger bevestigt het cliché. Wie deze zomer door het grensgebied reisde, kon ook weinig anders concluderen. Er waren verkiezingen in aantocht. Aan de rand van iedere Oost-Duitse gemeente wemelde het van de affiches die voor de Nationaldemokratische Partei Deutschlands wierven. Het wekte de indruk dat die extreem-rechtse partij daar diepe wortels had. Na al die NPD-borden aan de gemeentegrenzen boden de affiches van de andere partijen in het centrum van de gemeenten nog enige hoop. De verkiezingsuitslag bracht de definitieve geruststelling: de NPD haalde in de grensstreek nergens meer dan een paar procenten. De aanhang van de NPD bestaat kennelijk vooral uit afficheplakkers.

In de hoofden van de mensen aan weerszijden van de grens staat de Muur ook twintig jaar na zijn fysieke val nog fier overeind. Niet ver van waar de grens aan zijn einde komt en overgaat in de Duits-Tsjechische grens staat de Muur zelfs nog reëel overeind. Dat is in het dorp Mödlareuth, ook Klein Berlijn genoemd. Net als het grote Berlijn deelde ten tijde van de DDR een muur het dorp hardvochtig in tweeën. De circa vijftig inwoners werden zonder pardon in twee groepen gescheiden. Eerst kwam er prikkeldraad, toen een houten hek, vervolgens een stalen hek en ten slotte een betonnen muur. Toen konden ze zelfs niet meer naar elkaar zwaaien.

In het dorpsmuseum zijn in een ontroerende film de beelden te zien van hoe het begon, hoe het was en hoe het eindigde. De twee delen van Mödlareuth lijken na de Wende weer harmonieus met elkaar te zijn vergroeid. Het kan dus wel. Met herenigde krachten onderhouden sindsdien de bewoners bijna liefdevol een stuk muur dat hen ooit scheidde. Een uit beton opgetrokken herinnering aan een mensonwaardige episode uit hun bestaan.