Hoofdcommentaar

Een herinrichting van het ruimteschip aarde

Natuurrampen als de zeebeving van tweede kerstdag in de Indi sche Oceaan leggen niet alleen de kwetsbaarheid van de mens bloot, maar ook de kracht en zwakte van de getroffen samenlevingen en het internationale bestel waarvan zij deel uitma ken. Geen enkele ramp vindt immers plaats in een bestuurlijk, economisch en ideologisch vacuüm.

De Aziatische tsunami bewijst niet alleen «dat we allemaal opvarenden zijn van het kwetsbare ruimteschip aarde», zoals een commentator van persbureau Inter Press Service schrijft. De ramp bewijst ook dat de plaatsen aan boord nog even ongelijk verdeeld zijn als op vroegere passagiersschepen, waar de rijke opvarenden beschikten over eigen hutten met bediening terwijl de derde-klasse-passagiers elkaar verdrongen op de koude, vochtige en stinkende onderdekken, geteisterd door ziekte, zinloze vechtpartijen en overspoelende grondzeeën. Het is geen toeval dat verreweg de meeste slachtoffers van de Aziatische vloedgolf behoren tot de armen en machtelozen, net zo min als het toevallig is dat zij arm en machteloos zijn.

Ook de sympathie van het westerse publiek is onderhevig aan een eigen conjunctuur die samenhangt met de politieke perceptie van het getroffen gebied. De aardbevingen in Iran (1990) en Turkije (1999) wekten in de hele wereld een golf van ontzetting en medeleven op, maar de aardbeving van 1995 in het Japanse Kobe en omstreken ontlokte aan menig wes ters medium slechts hatelijke commentaren. Newsweek schreef dat het «steenrijke» Japan in zijn hemd stond vanwege zijn «achterlijke» bouwvoorschriften en dat de aardbeving een welkome correctie op het Japanse «meerderwaardigheidscomplex» was. Het ontging de westerse media dat de meeste getroffenen behoorden tot de burakumin, een verarmde en binnen Japan ernstig gediscri mineerde minderheid die wel degelijk een flinke dosis noodhulp en sympathie kon gebruiken.

Door alle aangrijpende reportages over weggevaagde dorpen, getroffen gezinnen, verweesde kinderen en vermiste toeristen zouden we bijna vergeten dat er in de Aziatische rampgebieden niet alleen onbeheersbare natuurkrachten, maar ook formidabele maatschappelijke krachten werkzaam zijn. Die krachten kunnen zowel het verloop van de ramp als de nasleep en de politieke repercussies ervan diepgaand beïnvloeden. Een historisch voorbeeld is de uitbarsting van de Kraka tau-vulkaan in 1883, die door veel Indonesiërs werd beschouwd als een teken van hoger hand om in opstand te komen tegen de Hollanders.

Zoals de reportage van Alexander Weissink vanuit Atjeh in deze krant laat zien, wordt de hulpverlening in dit zwaar getroffen gebied bemoeilijkt door de sluimerende burgeroorlog, waaraan de autoriteiten in Jakarta niet vreemd zijn. Het lijkt nog slechts een kwestie van tijd of de internationale hulpverlening doorkruist de prioriteiten van het centrale gezag en met name die van het Indonesische leger ter plekke. De leemtes die de autoriteiten laten vallen, zullen onvermijdelijk worden opgevuld door religieuze bewegingen, die vaak meer en betere hulp bieden dan het door en door corrupte wereldlijke gezag, maar tegelijk de plaatselijke politieke tegenstellingen aanwakkeren. Voorlopig hebben de hulpverleners de ondersteuning van het Indonesische leger hard nodig, maar als datzelfde leger de noodsituatie misbruikt om korte metten te maken met het gewapende verzet in de provincie kan er van effectieve hulpverlening geen sprake meer zijn.

Die situatie doet zich in crisisgebieden steeds vaker voor, zo blijkt uit gesprekken die De Groene Amsterdammer voerde met vertegenwoordigers van het Rode Kruis en Artsen zonder Grenzen. Soldaten werpen zich uit propagandistisch oogpunt op als hulpverleners, met als gevolg dat de echte hulpverleners worden beschouwd als partij in politieke conflicten en burgeroorlogen en vervolgens slachtoffer worden van moorden en ontvoeringen. Om die reden heeft Artsen zonder Grenzen besloten zich terug te trekken uit zowel Afghanistan als Irak, twee crisisgebieden waar de organisatie nu juist het hardst nodig is.

Anderzijds blijkt dat lokale hulpverleners vaak beter werk afleveren dan het inmiddels veelgesmade internationale hulpverlenings circus. Alle goede bedoelingen van de gulle gevers ten spijt zijn de meeste clichés over de internationale hulporganisaties helaas waar: ze slaan te midden van de slachtoffers hun verwarmde tenten op en leveren per four-wheel drive verjaarde medicijnvoorraden van de westerse farmaceutische industrie op de verkeerde plekken af. Het enige wat soms in hun voordeel pleit, is dat hun aanwezigheid een stimulans is voor de plaatselijke economie, maar dat voordeel vervliegt weer zodra ze hun tenten oppakken en naar het volgende rampgebied verhuizen. Dat de hulpverlening een industrie is geworden waarvan de excessen ook de hulpverleners zelf met weerzin vervullen, moet ons aan het denken zetten.

Kunnen wij in crisissituaties als de Aziatische overstromingsramp eigenlijk wel helpen, of houden wij onszelf en de slachtoffers voor de gek door tegen beter weten in vast te houden aan de pretentie? De getroffenen hebben geen behoefte aan een grote broer – of dat nu de Verenigde Naties, het Rode Kruis of de Amerikaanse Zesde Vloot is – die eventjes hun hand vasthoudt en hem daarna weer loslaat. Geen enkele hulporganisatie heeft ooit, waar ook ter wereld, effectieve hulp kunnen bieden als zij niet werd ondersteund door politieke veranderingsprocessen waarin de plaatselijke bevolking de hoofdrol speelde.

De beste bescherming van de Aziatische slachtoffers tegen de gevolgen van toekom stige overstromingen bestaat niet uit hulp lijnen en mondiale media-aandacht, maar uit zelfvertrouwen, weerbaarheid en politieke macht. Zolang we weigeren na te denken over een herinrichting van ons ruimteschip aarde, zijn we gedoemd gelijk de welvarende passagiers van weleer vanaf ons comfortabele bovendek gilletjes van schrik te slaken wanneer de golven weer eens over het onder dek spoelen en een armeluiskind de zee in sleuren.