Een hol ondergronds gerommel

J. G. Frazer, De gouden tak. Vertaald door Aris van Praam, uitgeverij Contact, 900 blz., f145,-
OMDAT DE wederkomst van de Verlosser toch al weer zo'n twee millennia op zich laat wachten, blijven we nieuwsgierig waar en wanneer hij zich op aarde zal aandienen. Van die brandende nieuwsgierigheid heeft in de loop der tijd al menigeen gebruik gemaakt door zich als Verlosser te presenteren, of op z'n minst door zich als zijn persoonlijk afgevaardigde op te werpen. Omdat niemand zeker is van zijn ware identiteit, kan iemand die de rol van speciale koerier van de Verlosser op zich heeft genomen, steevast rekenen op een groep volgelingen. De onzekersten onder ons blijken zelfs geneigd om achter de eerste beste aan te lopen die het einde der tijden nog tijdens dit leven voorspelt - en wie hem niet volgt, zal branden in de hel.

Angst is nog altijd het beste middel om mensen te exploiteren, want de rol van Verlosser blijkt de acteur, mits commercieel goed begeleid, tegenwoordig geen windeieren te leggen. Het komt erop aan het verhaal zo goed mogelijk te brengen, want ontmaskering betekent een eind aan de carriere. Zo'n Verlosser neemt een groot risico wanneer hij de Apocalyps voor de volgende week voorspelt, want dan is het gauw bekeken. En als de Verlosser, zoals ooit Lou de Palingboer, te zeer tamboereert op zijn onsterfelijkheid, dan doet het zijn imago niet goed als hij op een onbewaakt moment de pijp uitgaat.
Een fraai geval van ontmaskering moet zich rond 1830 aan de grens van Kentucky hebben voorgedaan. Daar leek het even of de Zoon van God zich metterdaad had gemeld. De bewoners van de streek waren maar al te zeer vereerd dat de zoon van God uitgerekend Kentucky had uitverkoren als plaats voor zijn wederkomst. Kentucky, of all places. Ja, hij was daar aangekomen als redder der mensheid om de goddelozen, ongelovigen en zondaren op hun plek te wijzen. Als zij zich niet binnen de kortste keren beterden, dan zou hij een teken geven waardoor de wereld in een oogwenk zou vergaan.
Menigeen werd door zijn woorden overtuigd, ook de toevallig daar neergestreken Duitser die de Messias nederig vroeg of hij de verschrikkelijke catastrofe ook in het Duits wilde aankondigen omdat zijn landgenoten het Engels niet machtig waren. En het zou toch zonde zijn als ze alleen om die reden verdoemd zouden zijn. De heiland bekende eerlijk dat hij geen Duits sprak. ‘Wat’, riep de Duitser. 'U, de zoon van God? En u spreekt niet eens alle talen, zelfs geen Duits! Kom nu, u bent een schurk, een bedrieger en een gek. U hoort in een gesticht.’ De bewoners van Kentucky waren in een klap genezen van hun goedgelovigheid en dropen af, misschien ook wel een beetje beschaamd omdat ze zich zo gemakkelijk in het ootje hadden laten nemen.
DEZE ANEKDOTE ontleen ik aan het beroemde boek van Sir James George Frazer, De gouden tak, dat aanvankelijk in tweedelige editie in 1890 werd gepubliceerd. Bij de derde uitgave groeide het uit tot twaalf delen die in de periode tussen 1907 en 1915 werden uitgegeven. De Nederlandse vertaling van The Golden Bough betreft de verkorte versie, die ten behoeve van het lekenpubliek in 1922 verscheen - nog altijd een dikke pil van zo'n negenhonderd pagina’s. Het is niet echt een boek dat je van voren naar achteren uitleest, maar waar je heerlijk in kunt grasduinen, omdat het boordevol verhalen staat die je plots een inzicht geven in de symbolische betekenis van allerlei zeden en gewoonten uit het dagelijks leven, waarvan je niet wist dat ze residuen zijn van oeroude gebaren. Frazers boek is een vademecum voor de herkomst van heel wat tics van het (bij)geloof. Het is een antropologische studie van magische praktijken en rituelen uit de vroegste tijden, maar evenzeer een diagnose van onze eigen irrationele gedragingen.
Wie denkt dat onze beschaving de gruwelen van de primitieve samenlevingen heeft overwonnen - maar wie zou dat nog denken na Auschwitz - vindt in dit boek een enorme hoeveelheid materiaal waaruit blijkt dat angst en verlangen door de eeuwen heen en op de gekste plaatsen door gelijksoortige verhalen en rituelen werden en worden bezworen: de angst voor de doden, voor de vreemdeling, de angst voor al datgene wat we met het verstand niet kunnen begrijpen.
Wat zich ook tot op de dag van vandaag aan beestachtigheden voordoet, het zijn atavismen waarvan de daders waarschijnlijk niet eens weten dat zij ze van hun voorvaderen hebben overgeerfd. Wie zich vol afschuw afwendt van het tv-scherm wanneer dat uitbarstingen van onvoorstelbaar, nooit eerder vertoond geweld vertoont, leze Frazers boek. De rituelen blijken een merkwaardig constant patroon te vormen. Zonder enige kennis van Auschwitz, Bosnie of Ruanda, blijken de woorden die Sir James aan het begin van deze eeuw opschreef, opmerkelijk profetisch van karakter.
Terwijl hij zich afvroeg welke betekenis zo'n permanente onderlaag van barbarij onder de oppervlakte van de beschaving voor de toekomst kon hebben, klonk zijn voorlopige antwoord niet al te optimistisch: 'We bewegen ons voort’, noteerde hij, 'over een dunne korst die ieder ogenblik kan openbarsten door de onderaardse krachten die eronder sluimeren. Van tijd tot tijd verraadt een hol ondergronds gerommel of een plotseling oplaaiende vlam wat er onder onze voeten gaande is.’
DE GOUDEN TAK is in eerste instantie een wetenschappelijke studie, maar laat zich lezen als een volumineuze roman, waarvan men de intrige niet precies hoeft te volgen om toch bij de verschillende hoofdstukken en subhoofdstukken aan zijn trekken te komen. De roman bevat een hoofdplot, maar er zijn zoveel aantrekkelijke subplots dat een lezer maar al te graag verdwaalt in het labyrint dat de auteur voor hem heeft gebouwd.
Als wetenschappelijke studie is Frazers boek van meet af aan uitgefloten - hij legt verbanden tussen feiten die nog al eens discutabel werden geacht, hij bedreef 'antropologie vanuit de leunstoel’ - maar de invloed van het boek is immens geweest, niet alleen op de classici die aan het begin van onze eeuw profiteerden van zijn inzichten in de samenhang tussen mythen en rituelen, maar vooral op de literatuur.
Vickery, die een diepgaande studie heeft gewijd aan de invloed van De gouden tak op de literatuur, kwam tot de conclusie dat Frazer met zijn overstelpende materiaal het aanzien van de twintigste-eeuwse literatuur grondiger heeft veranderd dan Freud, Nietzsche en Marx bij elkaar. Dat geldt zeker voor de modernistische literatuur van Engeland: de uitwerking van De gouden tak op het werk van Yeats, Lawrence, Pound en Joyce is onmiskenbaar. The Waste Land, het beroemde gedicht van T. S. Eliott, zou zonder Frazers boek ondenkbaar zijn geweest. Hetzelfde geldt voor Finnegans Wake van James Joyce. Allen gebruikten Frazers boek als een schatkamer voor hun verhaalmotieven. En ook in ons land is het boek veel gelezen, het zou niet moeilijk zijn (en het is ook gedaan) om elementen uit Frazers werk aan te wijzen in het werk van Nooteboom, Claus, Mulisch en Hamelink.
De gouden tak biedt schrijvers dan ook een rijk repertoire aan ideeen, handelingen en ceremonieen. Het laat zien hoe rituelen die wij nog kennen met betrekking tot de geboorte en de dood, met de puberteit en het huwelijk een langdurige traditie hebben, verspeid over de hele wereld. Het laat zien hoe ceremonieen en feesten waarin gemeenschappen zichzelf bevestigen uit de plooien van de tijd voortkomen, dat oogstfeesten, carnavalfestiviteiten en kroningsplechtigheden schatplichtig zijn aan gewoonten die uit primitieve samenlevingen stammen. Primitief is overigens een aanduiding die bij Frazer niet meteen in de slechtste betekenis van het woord behoeft te worden opgevat, want de auteur was ervan overtuigd dat in de mythen die uit deze samenlevingsvormen zijn voortgekomen, kennis lag opgeslagen die zich aan het licht van de (wetenschappelijke) rede onttrekt, maar die in zijn hardnekkig voortleven niet onderschat mag worden.
De literaire auteurs die bij hem te rade gingen, hebben deze slagkracht van de mythen in de twintigste eeuw evenzeer tot voedingsbodem van hun verbeeldingskracht gemaakt. Frazer was geen onverdeeld bewonderaar van de mythische verbeeldingswereld - integendeel, men zou zijn boek kunnen opvatten, zoals Vickery doet, als het verhaal van een grote kruistocht tegen het bijgeloof, ondernomen door een held die maar een geloof heeft, dat in de rationele wetenschap.
DE GOUDEN TAK is een monumentale roman die gepresenteerd wordt als een mysterie, waarvan de oplossing stap voor stap, met het aandragen van telkens nieuwe feiten wordt opgelost. Wat is dat raadsel? Het wordt al meteen op de eerste bladzijde van het boek uit de doeken gedaan: het gaat erom een verklaring te geven voor de merkwaardige regel waaraan de opvolging in het priesterschap van Diana onderworpen was. We krijgen het verhaal te lezen van een zoektocht, een ware odyssee die ons naar alle continenten zal brengen, de meest raadselachtige oceanen zal bevaren.
De zoektocht begint bij een schilderij van Turner. Daarop staat een tafereel afgebeeld, een droomachtig visioen van het kleine, door bossen omzoomde Meer van Nemi, aan de Italiaanse kust. In de oudheid was dit bosrijke landschap het toneel van een vreemde en telkens terugkerende tragedie. Daar lag het heiligdom van Diana. In het heilig woud stond een boom waaromheen men op ieder moment van de dag en waaschijnlijk tot diep in de nacht een sombere gestalte kon zien rondsluipen. 'In zijn hand’, vertelt Frazer, 'had hij een ontbloot zwaard en hij loerde voortdurend argwanend om zich heen, alsof hij elk ogenblik verwachtte door een vijand te worden overvallen. Hij was priester en moordenaar, en de man naar wie hij speurde, zou hem vroeg of laat vermoorden en het priesterschap van hem overnemen. Zo was de regel van het heiligdom. Een kandidaat voor het priesterschap kon hem alleen in het ambt opvolgen door hem te doden en nadat hij hem had gedood, bleef hij in functie tot hij zelf werd gedood door iemand die sterker of sluwer was dan hij.’
Bij het ambt dat hij op deze hachelijke voorwaarde vervulde, behoorde de koningstitel, maar ongetwijfeld heeft geen gekroond hoofd ooit onrustiger geslapen dan deze schim in het heilige woud.
DIT BARBAARSE gebruik van het priesterschap van Nemi kent geen parallel in de klassieke oudheid, reden waarom Frazer aannam dat de oorsprong ervan gezocht moest worden in primitieve tijden die definitief aan ons zicht zijn onttrokken. Om achter de betekenis van deze vreemde geschiedenis te komen, zou men niet alleen de legenden moeten onderzoeken. Die legenden waren er legio in omloop, bijvoorbeeld de legende waarin wordt verhaald dat van die heilige boom in het woud geen tak mocht worden afgebroken; alleen een weggelopen slaaf mocht dat, als hij kon, en als hij er in slaagde de priester tot een duel uit te dagen. Dat gegeven wordt in heel wat verhalen opgehaald, zoals bij Vergilius die vertelt dat Aeneas de Gouden Tak afsneed voor hij zijn hachelijke tocht naar het Dodenijk ondernam. Deze priester- koning van het heilige woud zou wel eens het oervoorbeeld kunnen zijn van het ontstaan van het koningsschap, en de raadselachtige elementen die er tot op de dag van vandaag mee verbonden zijn, inzichtelijk kunnen maken.
WANT WAAROM worden aan koningen magische en goddelijke krachten toegekend? Frazer zocht weliswaar niet naar een universele verklaring, maar draagt materiaal aan voor een plausibele interpretatie. Koning en tovenaar moeten in het vroegste begin in een persoon verenigd zijn geweest. Dat brengt hem naar de wereld van het magische denken, waarvan hij de contouren op een zeer heldere (maar nogal eens aangevochten) wijze beschrijft. Hij laat zien hoe de religie zich van dit magische heeft losgemaakt en hoe daarin het koningschap is meeveranderd, zonder de aanvankelijke magische trekken te verliezen.
Het verhaal van Nemi bestaat kortom uit een aantal vreemde ingredienten, waarvan Frazer de herkomst probeert te achterhalen door de verschillende varianten die de primitieve samenleving hebben overleefd stuk voor stuk op te sporen. Het raadsel in Nemi brengt hem voor mogelijke antwoorden in het hart van Afrika, in het diepste zuiden van India en zelfs recente gebruiken in Engeland of Duitsland blijken stukjes van de enorme legpuzzel te bevatten. Hoe verder hij reist, hoe meer je de indruk krijgt van een trage grimas die de plooien over het oeroude gezicht van de aarde trekken.
Frazer beschrijft de rituelen rond dit koningsschap, de taboes waarmee het is omgeven, de functie van de zondebok die ermee verbonden is en hij laat zien dat ook de beschaafde religieuze uitingen ervan hun voorafschaduwing vinden in de primitieve samenleving.
De kruisiging en wederopstanding van Jezus Christus is niet meer dan een herkenbaar motief in de korst van een langdurige geschiedenis. Tongue in cheek vertelt Frazer over het conflict dat in de eerste eeuwen van onze jaartelling was ontstaan tussen christenen en heidenen over de opmerkelijke overeenkomst tussen de dood en wederopstanding van hun respectieve godheden: de heidenen stelden dat de wederopstanding van Christus een valse imitatie van de wederopstanding van hun Attis was en de christenen hielden met hetzelfde vuur vol dat Attis een duivelse imitatie was van Christus. Zolang de Verlosser door zijn wederkomst geen einde heeft gemaakt aan de controverse die tot op de dag van vandaag voortduurt, blijft het gevecht doorgaan, worden koningen gekroond en weer afgezet, zondebokken gezocht en geofferd.
Frazer beloont de lezer die op zijn schip meevaart, ruimschoots. Uitgeverij Contact heeft de Nederlandse lezer een dienst bewezen met een prachtig uitgevoerde vertaling van Frazers imposante boek.