Monarchie Kunstmatige tradities

Een hol spiegelpaleis

Aan monarchen zijn altijd en overal magische gaven toegeschreven, doch het Nederlandse koningshuis kwam daarvoor te laat. Wel vraagt ook hier de bijzondere positie van de koning de burgers een spel te spelen.

De rijksappel (ook wel ‘kloot’ geheten) zal op de tafel liggen naast de scepter en de kroon, precies tussen het publiek en Willem-Alexander in. Gedurende de hele ceremonie zullen ze met geen vinger worden aangeraakt, de koning zal er alleen naar mogen kijken. En wie zich onder de plechtigheid verveelt, zal zich ongetwijfeld gaan afvragen wat de symboliek hiervan kan zijn.

Met een kwinkslag wordt ons koningshuis wel eens afgedaan als Hollandse folklore, maar in werkelijkheid lijdt de monarchie juist onder een gebrek daaraan. Er zijn rond de monarchale geschiedenis geen bekende middeleeuwse Nederlandse legendes in de sfeer van koning Arthur, Merlijn, Parsival of Lancelot. Ons koningshuis is daar ook veel te jong voor. Willem-Alexander is nog maar de zevende koning van een koninkrijk dat nog net geen twee eeuwen oud is. Zijn koninklijke waardigheid ontleent hij aan het idee dat hij afstamt van prins Willem van Oranje, die weliswaar als vader des vaderlands is aangemerkt, maar uit een veel latere tijd stamt dan die van de legendarische koningen en daarom veel meer als een realistisch, echt menselijk figuur wordt voorgesteld, al sterft hij wel de tragische dood van een held.

De middeleeuwse legendes zijn al lang en breed gedisneyficeerd en in plastic Playmobil gegoten, maar ze hebben nog altijd invloed op de beleving van de monarchie. In hun kinderlijke eenvoud beschrijven ze ons hoe het volk zich tot een koning verhoudt. En duidelijk is dit een bijzondere relatie. Zelfs anders dan de verhouding tussen een gewone burger en een hooggeplaatste ambtenaar (hetgeen een koning feitelijk is). De eerbied voor zijn persoon moet voortkomen uit iets anders dan de diensten die hij verricht. De koning valt in een geheel eigen categorie die volkomen buiten de samenleving staat.

In Frankrijk demonstreerden de koningen tot ver in de achttiende eeuw over goddelijke krachten te beschikken door in speciaal daarvoor georganiseerde ceremoniën duizenden zieken van heinde en verre door handoplegging te genezen van scrofula, oftewel ‘koningszeer’. Een eeuwenoud geloof werd hiermee in ere gehouden. De Britse koningen konden zelfs nog meer. Ze genazen niet alleen scrofula, maar ook epilepsie en bepaalde spierziekten, met behulp van zogenaamde cramp rings die door hen waren aangeraakt om ze van een bijzondere geneeskracht te voorzien. Deze gaven kregen ze door dezelfde goddelijke wilsbeschikking waar ze ook hun troon aan te danken hadden.

In diezelfde tijd bleken de Nederlanders een heel andere kijk op de macht te hebben. Terwijl in de achttiende eeuw massa’s Engelsen en Fransen ervan overtuigd waren dat hun zweren en bulten zouden verdwijnen door de magische aanraking van hun koning, werden in de Lage Landen de stadhouders zo kritisch tegen het licht gehouden dat tot tweemaal toe besloten werd dat het land ook wel zonder kon. Aanhangers van de ‘ware vrijheid’ vonden het principe van de erfopvolging gevaarlijk vanwege de tirannie waarin dit kon ontaarden. De derde en laatste keer dat men zich van een stad­houder ontdeed was in 1795 toen het patriottische deel van Nederland een verbond sloot met de Franse Republikeinen en stadhouder Willem V zich gedwongen zag in een scheepje vanuit Scheveningen Het Kanaal over te steken. De Engelse en Franse eerbied voor de mystiek van de monarchie was in ons land dan ook ver te zoeken.

Toen in 1813 de zoon van de laatste stadhouder na een jarenlange verbanning naar Nederland terugkeerde en tot ‘soeverein vorst’ werd uitgeroepen, was er geen koninklijke traditie om op terug te vallen. Nederland was een paar jaar daarvoor al wel heel even een koninkrijk geweest door toedoen van Napoleon, maar toen ging het om een van buitenaf opgedrongen koningschap om de broer van de keizer van een respectabele positie te voorzien. Na de val van het keizerrijk herkreeg Nederland zijn soevereiniteit, maar men keerde niet terug naar de Nederlandse traditie van een republiek met of zonder stadhouder. In plaats daarvan werd het Vorstendom der Nederlanden in het leven geroepen met Willem Frederik van Oranje-Nassau als ‘vorst’.

Op 2 december 1813 kwam de nieuwe soevereine vorst naar Amsterdam, waar hij ontroerd het volk toesprak dat hem opmerkelijk welwillend ontving. De legitimiteit van zijn positie kon in deze eerste kennismaking echter niet onbesproken blijven. Hij was erfopvolger van stadhouder Willem V, had zich voor ongeveer de helft van de Nederlanders verdienstelijk gemaakt door tijdens de omwenteling van 1795 dapper tegen de Nederlandse Patriotten en het Franse leger te strijden, maar hij was duidelijk niet vanwege een goddelijke wilsbeschikking noch door verkiezingen van welke aard dan ook aangewezen voor de troon. Een troon die overigens nog niet bestond en dus ook niet vacant was. Hij was eenvoudigweg gevraagd door een driemanschap van zogenaamde notabelen die onder elkaar hadden besloten het machts­vacuüm dat met de val van Napoleon was ontstaan op deze manier snel te vullen.

In een toespraak aan het volk legde de nieuwe vorst hierover verantwoording af in verrassend eenvoudige bewoordingen. De reden voor zijn benoeming berustte naar zijn idee op wederzijdse liefde. Zelf was hij ‘nimmer opgehouden het volk te beminnen’ en ‘uw vertrouwen, uwe liefde legt de soevereiniteit in mijne handen en van alle zijden dringt men op aanneming daarvan’. Meer was het niet. De totstandkoming van het Koninkrijk der Nederlanden berustte simpelweg op een gevoel.

Precies zoals de Engelse historicus Eric Hobsbawm later heeft beschreven in The Invention of Tradition is er toen een ‘traditie’ voor Nederland bedacht. De stadhouders hadden nooit een koningsmantel gedragen. En ook de andere symbolen die bij het koningschap hoorden, een rijksappel, een scepter en een kroon, moesten voor de gelegenheid bij een Haagse juwelier worden besteld. Men koos kennelijk voor de minder dure oplossing. Zo blijkt de rijksappel van verguld zilver, bezet met rode en blauwe imitatie-diamanten.

De koningen van de nieuwe negentiende-eeuwse constitutionele monarchieën leken door de kunstmatig gecreëerde tradities weggerukt uit de legendes van hun voorouders (als ze die al hadden). Maar in die nieuwe natiestaten was dit heel acceptabel omdat de sprookjes van Grimm, de Keltische verhalen van de blinde bard Ossian, de Arthur-legenden en andere Europese mythen en verhalen belangrijke aanknopingspunten waren geworden voor de ontwikkeling van nationalistische sentimenten. Aangevuld met noties uit de Romantiek bracht dit een lawine aan kitsch met zich mee. Omdat de ridders en magiërs die samen met koningen de volks­verhalen bevolkten in de negentiende-eeuwse werkelijkheid natuurlijk niet bestonden, bleef er een nogal wezenloos beeld over van wat een koning vermocht te zijn. Een man op een troon uit een vage maar oude wereld, herkenbaar aan de eeuwige symboliek van kronen en scepters.

De Nederlandse koning en zijn collega’s van andere constitutionele monarchieën werden ertoe veroordeeld een tijdloze ruimte te bewonen, een karikaturale limbo die geen deel meer uitmaakte van de echte wereld. Er werd een constructie bedacht waarin de koning naar het volk toe onmondig werd gemaakt door het dogma van zijn onschendbaarheid en de ministeriële verantwoordelijkheid. Ondanks de inmiddels algemeen aangehangen idealen van gelijkheid en vrijheid van meningsuiting bleken hiertegen geen onoverkomelijke bezwaren te zijn.

De antropoloog James Frazer heeft in The Golden Bough honderden bladzijden gewijd aan de bijzondere positie die koningen in alle mogelijke culturen hebben bekleed. Het is allemaal even bizar. De priesterkoning van de Zapotec uit Zuid-Mexico moest altijd door hovelingen op een schild worden rondgedragen, omdat hij met zijn voeten de grond niet mocht aanraken. De West-Afrikaanse stam, de Ewe, had een ‘onzichtbare koning’ die alleen ’s nachts in het donker naar buiten mocht en met niemand mocht spreken behalve met zijn vertegenwoordiger, de zogenaamde ‘zichtbare koning’, die dan wel altijd met zijn rug naar hem toe moest zitten. En in het Afrikaanse Guinee was een stam die zijn koning in het bos liet wonen. Hij mocht zijn huis niet verlaten en alleen slapen in een zittende houding, omdat ze geloofden dat als hij ging liggen de wind ook zou gaan liggen en de zee daarom niet meer bevaarbaar zou zijn.

In veel van deze verhalen leven koningen op grote afstand van hun volk, zoals de koningpriester die naar de top van een berg was verbannen waar hij in zorgvuldig afgesloten potten de wind bewaarde waarmee hij het weer reguleerde. Ondanks zijn geïsoleerde bestaan kon hij via zijn ministers als koning het land besturen. Eén keer per jaar mocht hij van de berg afkomen om, net als bij ons op Koninginnedag, naar de markt te gaan, maar het was dan wel taboe om het huis van een gewone sterveling te betreden.

De variaties waarmee een individu op rituele wijze als hoofdman of koning buiten de samenleving wordt geplaatst, blijken onuitputtelijk. En zo hebben ook wij onze eigen variant daarop, een koning die het grondrecht van vrije menings­uiting wordt ontzegd en die zich ook nooit zonder escorte onder het volk bewegen kan. Een situatie die door zijn buitenissigheid de beschrijvingen in The Golden Bough kan evenaren.

Hoewel de aparte status van de koning wordt geaccepteerd alsof het een niet te betwisten natuurwet geldt, is er ook wel ongemak onder het volk merkbaar. Er is geen onvoorwaardelijke verering. De bijzondere positie van de koning vraagt de burgers een spel te spelen, maar daar moeten ze dan wel eerst in kunnen geloven. De bereidheid daartoe is niet altijd even groot. Als de voorzitter van de Eerste Kamer, die de officiële gastheer voor de plechtigheid is, in een radio-uitzending vertelt dat voor de inhuldiging van Willem-Alexander vijfhonderd ‘gewone burgers’ zullen worden uitgenodigd, begint onmiddellijk wrevelig getwitter over het onderscheid tussen ‘gewoon’ en ‘ongewoon’. ‘Man, ik ben zó gewoon.’ En tientallen varianten daarop. Het gewone van burgers in contrast met het ongewone van de koning, waarvan iedereen weet dat hij ook juist weer heel gewoon is, leidt tot een knetterende kortsluiting in het hoofd van sommigen.

Het Nederlandse koningshuis roept dan ook wezenlijke vragen op over schijn en werkelijkheid. Misschien moet het koningschap wel gezien worden als een simulacrum. Iets wat, volgens de Franse filosoof Jean Baudrillard, betekenisvol lijkt en van alles suggereert maar uiteindelijk misschien toch meer wegheeft van een hol spiegelpaleis.

En lijkt het leven van Oranje-prinsen en -prinsessen niet pijnlijk veel op het leven van Truman Burbank die opgroeit in een filmstudio waarin het nagenoeg perfecte dorpje Seahaven is nagebouwd? Truman weet zelf niet dat hij de hoofdrolspeler is in een realityshow. Pas op zijn dertigste begint hij te vermoeden dat er iets niet klopt en gaat hij op zoek naar de waarheid. Ontroerend zijn de laatste beelden, als zijn fans van over de hele wereld, die hem trouw dag in, dag uit op televisie volgden, hem uit de grond van hun hart toejuichen wanneer het hem lukt de rand van de studio te ontdekken en de deur waarop ‘exit’ staat te openen, zelfs al betekent dit het einde van hun favoriete show. Hierin schuilt een sterke analogie met Europese koningen. Wie weet zal op een dag de eerste monarch durven zeggen dat hij er ook zelf niet meer in gelooft en op zoek gaan naar de uitgang.

Nu we in de postmoderne samenleving gepreoccupeerd zijn met uiteenlopende vraagstukken over feit en fictie, zal het steeds moeilijker worden om negentiende-eeuwse koninklijke rituelen op dezelfde wijze op te voeren. In de afgelopen decennia is onder brede lagen van de bevolking het bewustzijn gegroeid dat machtssymbolen manipulatief zijn, waardoor zo’n ceremonie nu een andere lading krijgt. De Duits-Amerikaanse historicus Ernst Kantorowicz, die in zijn beroemde boek The King’s Two Bodies de betekenissen analyseerde die in de Middeleeuwen aan koningen werden gegeven, schreef al in de eerste alinea: ‘Politieke mystiek loopt het gevaar om zijn betovering te verliezen of tamelijk betekenisloos te worden zodra het uit zijn oorspronkelijke omgeving, zijn tijd en plaats, wordt gehaald.’ Dit is beslist ook een probleem voor het Nederlandse koningshuis, dat gelukkig nooit al te zeer heeft geprobeerd om koninklijke mystiek aan het volk op te dringen. Al is het er tegelijk wel van afhankelijk.

En zo kunnen we ons verbazen over de regalia die tijdens de inhuldiging onaangeroerd op een koninklijk roodfluwelen tafelkleed liggen. Wat doen die daar? Ze horen historisch gezien de eenheid van het rijk, de soevereiniteit van het land en de waardigheid van de koning als staatshoofd te symboliseren. Dat is althans de formele betekenis die aan ze is gegeven. Maar de burger die ze tijdens de ceremonie daar ziet liggen, heeft ondertussen zijn eigen associaties. Ze wekken verwondering omdat ze doen denken aan een Disney-koning of aan de meisjesafdeling van de speelgoedwinkel vol prinsessenspullen. En al gauw doemt de vraag op of ze wel echt zijn. Maar dan is het al te laat. Dan is de betovering verbroken.


Caroline Hanken promoveerde in 1996 op de antropologische dissertatie Gekust door de koning, over de koninklijke maîtresses aan het Franse hof. Daarna publiceerde zij Sebalds reizen: Het verlangen van de zeeman in de zeventiende eeuw en De koning is dood!, een waar gebeurd verhaal afkomstig uit de memoires van de markiezin De la Tour du Pin. In 2010 verscheen Door een Hollandse winter: De predikant, de hofdame en de revolutie van 1795