Een hol vat

Ik heb badkamers met vochtproblemen gezien die interessanter zijn dan wat Het Nieuwe Instituut te bieden heeft. Het Nieuwe Instituut!

Jarenlang kwam de verfbrander alleen in actie om iets te gratineren. Er is zelfs een tijd geweest, tijdens een verbouwing, dat alles met de brander werd bereid. Ik was toen minder dan één stap verwijderd van mijn eerste kookboek. Per slot van rekening zijn er ook boekjes met maaltijden die in de vaatwasser kunnen worden klaargemaakt, of onder de motorkap van de auto. Echt, ik was bijna de Heston Blumenthal van de verfbrander geworden.

Net zoals je na elke verbouwing hartgrondig ‘nooit meer’ zegt, zijn er apparaten die je zweert nimmer meer aan te raken wegens slechte herinneringen aan eenvoudige karweitjes die erger uit de hand liepen dan een geflopte Hollywood-blockbuster. De verfbrander was zo’n apparaat en dat hij mijn genetisch aangelegde opruimwoede overleefde is alleen te danken aan zijn culinaire functie. Maar ergens in de vallei der ledigheid die ‘de feestdagen’ heet, ben ik de in het verleden behaalde negatieve resultaten vergeten en kwam ik pas na een half afgebrande deurpost tot de ontdekking waar ik aan begonnen was. Geen weg terug, de weg vooruit eindeloos en zwaar. En dan ligt de vlucht op de loer.

Gelukkig moest mijn vrouw voor haar werk naar een tentoonstelling over biodesign in Het Nieuwe Instituut. Vroeger was dat het Nederlands Architectuurinstituut, maar dat ging wegens bezuiniging samen met Premsela, het Nederlands Instituut voor Design en Mode, en Virtueel Platform, kennisinstituut voor e-cultuur.

Het Nieuwe Instituut. Als zoiets op een gevel staat, vraag ik me meteen af waar ‘het oude instituut’ is, of ‘het niet zo nieuwe, maar toch ook weer niet vreselijk oude’. Maar dat komt doordat taal mijn ding is. Voor toeristen lijkt het me trouwens niet handig, zo’n naam. Zet op het ding wat het is, zeg ik, maar daar denken marketingfluisteraars wel vaker anders over.

De nietszeggendheid van de naam is heel veelzeggend als je het mission statement leest: ‘De huidige tijd wordt gekenmerkt door radicale technologische, economische, culturele en sociale veranderingen. Het Nieuwe Instituut wil, op een genetwerkte wijze met onder meer architecten, ontwerpers, kunstenaars, makers en ondernemers, kennisinstellingen en culturele organisaties, deze snel veranderende wereld in kaart brengen, zichtbaar maken, ter discussie stellen en delen.’

Met de oude naam zijn blijkbaar ook de laatste mensen die nog konden schrijven weggedaan, anders kan ik zo’n tekst niet verklaren. Nee, wacht, dat kan ik wel. Nog geen paar weken geleden zag ik in Boijmans Van Beuningen een presentatie van ontwerpen voor het nieuwe museumdepot. De tekstjes daarbij waren een orgie van taalfouten, in ademnood verkerende grammatica en de pseudo-filosofische ideeënschimmel die architecten blijkbaar van nature afscheiden.

Ik kan uren kijken naar die twee regels over wat Het Nieuwe Instituut wil. Dat de huidige tijd wordt gekenmerkt door radicale veranderingen… Heel anders dan, zeg, de eerste vijftig jaar van de vorige eeuw, de industriële revolutie, de kolonisatie, de Franse Revolutie, de tijd van de grote ontdekkingsreizen, de volksverhuizing, ik noem maar wat. En dat je de snel veranderende wereld op ‘een genetwerkte wijze’ in kaart brengt. Ik kijk er niet vreemd van op als over een tijdje een bebrilde jongeman voor mij bij de biobakker staat en vraagt of het zuurdesembrood wel genetwerkt tot stand is gekomen. Ik dacht dat het woord ‘delen’ alleen werd gebruikt door christen-democraten, die altijd dankbaar zijn dat ze dit mogen doen en dat met ons willen delen.

Maar goed, biodesign. Wat is het?

Ik ben het nieuwe jaar ingegaan met het voornemen om het glas vaker als half vol te zien, maar nu moet ik met u delen dat dat al in de eerste week is mislukt. Die tentoonstelling in Het Nieuwe Instituut is een hol vat, een leeg glas, de nieuwe kleren van de keizer. Het is een serie quasi-wetenschappelijke opstellingen (buizen! slangen! bubbelende retorten!) waarin schimmels, bacteriën en andere levensvormen hun ding doen op het niveau van een eerste lesje biologie voor tienjarigen. Het is bonen laten kiemen op natte watten, zelf tuinkers kweken en een sinaasappel laten beschimmelen. Het is wat kunstenaars knutselen als hun wordt gevraagd om ‘iets met wetenschap te doen’. Ik heb badkamers met vochtproblemen gezien die interessanter zijn.

Als het Nederlands Architectuurinstituut ergens aan leed dan aan conservatoritis. Zelfs als er een tentoonstelling was over zoiets prozaïsch als de ontwikkeling van het bouwblok was er een ontwerper met een idee overheen gegaan en zag je meer vorm dan inhoud. Dat is niet verdwenen nu de design- en e-culture-mensen erbij zijn gekomen. Techniek is blijkbaar te saai, dus dat moet dan worden ingepakt. En het helpt ook niet dat de neiging van architecten om te laten zien dat ze niet van de straat zijn zich meestal uit in gelul van het grandioze soort en enorm veel creativiteit waar niemand op zit te wachten.

Later die dag, toen ik bij de ijzerwarenhandel van de gebroeders Schaap kwam om een nieuw setje schrapers, werd ik omringd door mensen die de dingen bij hun naam noemden en geen andere ambitie hadden dan spijkers in hout slaan, lood solderen en verstek zagen. Eindelijk begreep ik weer hoe je kunt zien of het glas half vol is, dat dat geen filosofische of mindfulness-exercitie is, maar dat je gewoon je vinger erin moet steken en kijken wanneer die nat wordt.