Een hollands sprookje

DE GRAFTEGEL op begraafplaats Zorgvlied in Amsterdam is al aan serieuze erosie onderhevig. Het is een bescheiden plaat van donker marmer, met in kleine letters alleen haar naam: Margaretha Hofmans. Daaronder, bijna niet meer te lezen, haar geboorte- en haar sterfdag: 23-6-1894 en 16-11-1968. De gedenksteen zakt al scheef in de aarde weg. Het is de enige tastbare herinnering aan Greet Hofmans, de vrouw op wier conto in de jaren vijftig de bijna-ondergang van de Nederlandse monarchie werd geschreven. In haar eigen ogen was zelfs dat al te veel. ‘Steen tegen mijn zin’, luidt een uit haar mond opgetekende notitie van 31 mei 1968, een half jaar voor haar dood. Er wordt zelfs gezegd dat Greet Hofmans niet begraven wilde worden maar gecremeerd, zodat haar as zou kunnen worden verstrooid over zee, terug naar de bron, zonder een spoor achter te laten. Haar devote aanhang vond dat kennelijk onchristelijk, of misschien wilde men toch iets tastbaars, al was het alleen maar voor zichzelf.

Het graf van Greet Hofmans wordt beheerd door de Stichting Molecaten, indertijd in het leven geroepen door haar kapitaalkrachtige beschermheren. Op Greets dertigste sterfdag, 16 november jongstleden, meldde het Algemeen Dagblad op gezag van een van haar beschermers, baron Walraven van Heeckeren van Molecaten uit Hattem, dat de stichting de grafrechten ook voor de komende decennia had afgedragen.
Dat Greet Hofmans geen monument voor zichzelf wilde was tekenend voor haar persoonlijkheid. Roem, eer, persoonlijk gewin - het waren begrippen die buiten haar belevingswereld vielen. In 1946 had ze afstand gedaan van haar - toch al karige - bezittingen. Sindsdien zwierf ze rond, als een soort bedelmonnik. Ze leefde van giften, waarvan ze het grootste deel weer weggaf, soms aan de gulle gever zelf, omdat ze alweer was vergeten waar het geld vandaan kwam. Na haar vijfenzestigste gaf ze haar karige pensioentje meestal aan iemand die het harder nodig had. Voor haar mysterieuze ‘doorgevingen’ (wenken van Gene Zijde voor eenieder die maar hulp nodig had) weigerde ze vergoedingen te ontvangen. Ook toen ze de rijksten der aarde tot haar devote achterban mocht rekenen, bleef ze straatarm. Greet Hofmans mocht dan lange tijd op het duurste stukje Nederland wonen, in Baarn, onder de rook van paleis Soestdijk, maar daar sliep ze wel in een houten woonwagen. Een slaapkamer ontbrak, alsook sanitair. In de tijd dat de gehele wereldpers haar naam in vette koppen op de voorpagina’s scandeerde, liep Greet Hofmans rond met een herhaaldelijk gebroken en weer bij elkaar gelijmd kunstgebit, waar ze uiteindelijk nauwelijks een hap mee kon nemen. Dat tekende haar armoede, eerst geleden door louter noodzaak, later als ascetische keuze.
HET LEVEN IS geen vetpot aan de Vinkenstraat 171 te Amsterdam, waar Margaretha Hofmans in 1894 ter wereld komt. Haar vader, Frederik Hofmans, een gewezen matroos, havenarbeider en zwemleraar, lijdt aan een ernstige maagaandoening. Haar moeder, Hermania Hofmans-Penner, is als gevolg van een dwarslaesie aan het bed gebonden. Aan Greet de taak om haar ouders te verzorgen en brood op tafel te brengen. Vanaf haar elfde jaar, na vier jaar lagere school, is het met haar schooltijd gedaan. Ze gaat thuis in de verpleging. Ook heeft ze de zorg over haar door tbc getroffen zus Hermien, die na een opleiding piano en zang aan het Amsterdams Conservatorium muzieklessen geeft. De familie verhuist een tijdje naar Zaandam, keert terug naar Amsterdam, naar de Frederik Hendrikstraat. Tussen de bedrijven door werkt Greet in fabrieken en confectie-ateliers, als naaister. Later zal ze ook administratief werk doen. Voor een glanzende carrière als secretaresse is ze niet in de wieg gelegd. Het gebrek aan onderwijs wreekt zich. Een verplichte EHBO-cursus weet ze niet te halen, hoe ze ook op de stof zwoegt. Zuster Lies treft het beter als zweminstructrice: opmerkelijk genoeg krijgt zij in de jaren twintig opdracht van het Koninklijk Huis om prinses Juliana zwemles te geven in het zwembad van paleis ’t Loo bij Apeldoorn.
'Ik had een erg zwaar leven’, aldus Greet. 'Mijn moeder werd heel erg ziek. Ik moest voor het hele gezin zorgen. We waren met vier kinderen. De anderen waren begaafd, ik niet. Ik had het heel zwaar, maar ik dacht, dit is de vuurproef, dit hoort erbij, je wordt getest.’ Toch is haar leven als jonge vrouw niet geheel overdekt met de grauwsluier van een Assepoester zonder bal. Thuis heerst een artistieke, creatieve stemming. Zuster Hermien studeert aan het conservatorium, broer Frederik bezoekt de Tekenacademie en wordt lithograaf. Ook Greet is artistiek aangelegd. Ze loopt de 'volksconcerten’ in het Concertgebouw onder leiding van Mengelberg af. Ze gaat naar ballet- en toneelvoorstellingen en de bioscoop. Het is haar meisjesdroom om balletdanseres te worden, in de voetsporen van haar idool Anna Pavlova, een in die tijd legendarische danseres. Tot haar weinige persoonlijke bezittingen behoort een foto met handtekening van Anna Pavlova. Ook droomt ze van een loopbaan als actrice. Voor dat doel solliciteert ze (tevergeefs) bij diverse toneelgezelschappen, onder meer bij Albert van Dalsum.
OOK IN RELIGIEUS opzicht mag de familie Hofmans excentriek worden genoemd. Greets moeder is een van de eerste leden van de Nederlandse afdeling van de Theosofische Vereniging. Ze geeft haar diepe geloof in de schrifturen van de Russische theosofe Helena Blavatsky door aan haar kinderen. Greet wordt in 1908 ingeschreven als lid van de vereniging. De Geheime Leer, het hoofdwerk van Blavatsky, wordt haar persoonlijke bijbel. Blavatsky beweert in de Himalaya in Tibet te zijn ingewijd in een geheime orde van Meesters. Ze verkondigt een cocktail van alle wereldreligies. Jezus, Boeddha, Zarathoestra en Krishna zijn incarnaties van een en hetzelfde opperwezen. Via de theosofen maakt Greet kennis met de Bhagavadgita en de Uphanisads, heilige hindoe-geschriften die spreken over zaken als reïncarnatie en karma. Nederlandse vertalingen van deze mystieke Sanskriet-teksten draagt ze tot het einde van haar leven met zich mee.
Het lidmaatschap van de Theosofische Vereniging (T.V.) is in die tijd zeer uitzonderlijk, zeker voor de familie van een havenarbeider. Wereldwijd zijn er niet meer dan 40.000 leden. Bij het christelijke bevolkingsdeel staat de T.V. gelijk aan blasfemische verleiding van Satan, terwijl de socialisten er toch vooral, en niet geheel ten onrechte, een contra-revolutionair reli-substituut in zien. Het zijn vooral hogergeplaatsten die zich tot de 'anti-materialistische’ heilsleer voelen aangetrokken: aristocraten, ondernemers, generaals, advocaten, kunstenaars. Een vooraanstaand lid van de Nederlandse theosofen is Louis Couperus. Toch slaagt Greet erin aansluiting te vinden bij dit exclusieve gezelschap, eerst als hulpje in de - vegetarische - theosofische keuken, later ook steeds meer als volwaardig gesprekpartner. Ze krijgt steeds meer vrienden en kennissen in de wereld van rozekruisers, vrijmetselaars, antroposofen en andere mystiek aangelegde typen die in de T.V. een platform hebben.
In 1922 komt het officieel tot een breuk tussen Greet Hofmans en de T.V. De oorzaak: ongewenste intimiteiten op de theosofische werkvloer. Een oudere theosoof heeft zich aan haar vergrepen in het hoofdkwartier aan de Amsteldijk. Als gevolg van het schandaal verlaat Greet de vereniging. De man blijft wel. Greet zou overigens geen wrok tegen hem koesteren. Aan het eind van zijn leven staat ze hem zelfs met haar gaven bij. Officieus gaat ze even hard door met het bezoeken van theosofische evenementen. Zo is ze een trouw bezoekster van de zogeheten Ster-kampen in Ommen in Overijssel, alwaar de steenrijke baron Van Pallandt zijn stamslot Eerde ter beschikking heeft gesteld aan Jiddu Krishnamurti, een Indische jongeman die in 1909 was 'herkend’ als de komende Messias en die sindsdien aan het hoofd stond van de Internationale Orde van de Rijzende Zon, later omgedoopt tot de Orde van de Ster in het Oosten, zeg maar het theosofische opperorgaan.
HOEWEL ZE GEEN woord Engels spreekt, wordt Greet een trouw bezoekster van de Ster-kampen in Ommen. Ze maakt er een gewoonte van om tijdens het avondlijke vuurfeest ter ere van de hindoe-vuurgod Agni zo dicht mogelijk op de huid van de Maitreya te kruipen, om iets van diens goddelijke aura op te vangen wanneer hij de geest krijgt en in een soort trancetoestand een redevoering begint af te steken, al dan niet 'in tongen’. De volgende dag, wanneer er een vertaling van de speech wordt rondgedeeld, komt ze alsnog te weten wat de Meester precies heeft gezegd. Inmiddels wordt ze een tikkeltje te excentriek bevonden door haar jarenlange vriend Louis Visser uit Amsterdam, politie-inspecteur bij bureau Raampoort. De twee hadden elkaar in 1915 leren kennen en leken eerst op een huwelijk af te koersen. Ze deelden een voorliefde voor het Concertgebouw. Maar naarmate Greet steeds wildere geëxalteerde denkbeelden begint te verkondigen, haakt Visser af. Greet was sowieso niet huwelijk-minded.
Moeder Hermania Hofmans-Penner sterft in 1929. Een jaar later overlijdt Greets vader, in 1936 gevolgd door haar zus Hermien. Om haar verdriet te verwerken trekt Greet tijdelijk in bij een priester van de Vrije Katholieke Kerk aan de Amsterdamse Jekerstraat. Greet Hofmans is 42 als ze voor het eerst niemand meer heeft om voor te moeten zorgen. Ze betrekt een eigen woning, niet meer dan een zolder aan de Vijzelgracht. Daar valt ze ten prooi aan een steeds existentiëlere eenzaamheid.
'De laatste jaren voor de oorlog werkte ik bij een joodse firma’, aldus Greet Hofmans in een interview in Elsevier’s Weekblad op 23 juni 1956. 'De Duitsers voerden de firmanten weg. Dat bracht mij ertoe andere joden hulp te verlenen. We hadden een bepaalde lijn, zoals men dat in die dagen noemde. Daarnaast was ik doodgewoon wat men noemt een illegaal. De drang om anderen bij te staan zat zo sterk in mij, dat ik risico’s nam.’
Ze helpt met het verdelen van bonkaarten voor levensmiddelen aan onderduikers, onder wie kinderen die dankzij de coöperatieve SS'er Zündler kunnen worden bevrijd uit de Hollandsche Schouwburg. Ze is in dit werk verzeild geraakt via haar zuster Lies, die op haar beurt een kennis is van Harry Waterman, een joodse deurwaarder met rozekruiserssympathieën. De groep-Waterman was een van de belangrijkste krachten van het verzet in Amsterdam. Ook Greets broer Frederik was zijdelings bij dit werk betrokken, hoewel zijn politieke sympathieën eerder naar het nationaal-socialisme waren uitgegaan. Na de oorlog prijkte zijn naam nog enige tijd op een door de overheid opgestelde lijst met verdachte personen met wie geen zaken mochten worden gedaan.
'Na de bevrijding stond ik voor een diep conflict’, aldus Greet Hofmans. 'Voor een leegte. Het helpen van mensen in de oorlog was heerlijk. Ik kon mij er in zekere zin in uitleven. Daardoor werd de bevrijding voor mij tot een conflict. Ik vroeg mij af waarom mensen op de wereld zijn en waarom het leed heerst. Waarom ik zelf op de wereld was. Ik heb geworsteld en gesmeekt en was verlaten. Ik was als in een donkere nacht. Ik heb gesmeekt en gebeden om bijgestaan te worden.’
De verlossing komt op 2 maart 1946, als Greet op de Vijzelgracht voor het eerst wordt getroffen door 'helderhorendheid’. Ze is medium geworden, ontvangt 'doorgevingen’, min of meer telepathisch, van een onbekende Meester, die ze aanvankelijk simpelweg aanduidt als 'Ex’. Een van de eerste doorgevingen betreft haarzelf: ze moet Amsterdam verlaten en de absolute eenzaamheid zoeken. Die vindt ze in een gehucht in Friesland, in Diffelen. Daar verblijft ze maanden achtereen in een schuurtje van een boerderij, totdat oud-verzetsman Harry Waterman, thuis in Amsterdam in de weer met seances om in contact te komen met de doden van '40-'45, hoort dat zijn gewezen medewerkster zit te verkommeren, en ervoor zorgt dat ze terugkeert in de bewoonde wereld. Niet voor lang, want in 1947 doneert Greet al haar schamele bezittingen aan de armenzorg en gaat ze op pad, met een nieuwe soul brother, Jan Willem Kaiser.
DE IN 1897 geboren Kaiser, kleinzoon van een directeur van het Amsterdamse Rijksmuseum, werkte aanvankelijk als directie-secretaris bij de Maatschappij Nederland, een handelsfirma die veel voor het Nederlands Koninklijk Huis deed. Bob Pierson, telg uit het vermaarde bankiersgeslacht, raakte echter zodanig onder de indruk van Kaisers occulte kennis dat hij hem een ruimbemeten jaargeld deed toekomen, alsmede een huis in Baarn. Kaiser stelde zijn leven in dienst van het harmoniseren van de hindoeïstische theosofie met het bijbelse gedachtengoed, naar het recept van de Oostenrijkse antroposoof Rudolf Steiner, die al voor de Eerste Wereldoorlog had gebroken met de theosofen vanwege de uitverkiezing van de hindoe Krishnamurti tot nieuwe Messias. Kaiser was bijzonder geïnteresseerd in veronderstelde verborgen astrologische boodschappen van de bijbel, en schreef daar diverse boeken over. Na de oorlog trok hij met zijn gezin per huifkar het land in, op zoek naar de graal van opperste wijsheid.
Kaiser en Hofmans vormen al gauw een tweeëenheid - spiritueel dan, want Kaiser blijft ondertussen wel getrouwd. Hij analyseert en interpreteert Greets doorgevingen, en weet het medium zelf geheel te plooien naar het model van christendom à la Steiner, zodat ze nu alleen nog maar over Christus spreekt en geen Tibetaanse meesters of hindoe-Messiassen aanroept. Daarmee wordt ze gelijk een stuk salonfähiger.
Vanaf 1946 geeft Greet Hofmans overal in het land consulten. In Hattem vinden Hofmans en Kaiser een geschikte plek in café Steeman, waar gemeentebode De Vries de organisatie op zich neemt. Dit tot argwaan van de burgemeester, die weet dat zijn bode ook de lokale verspreiding van het communistische dagblad De Waarheid verzorgt. De Binnenlandse Veiligheidsdienst wordt ingeschakeld uit vrees voor communistische agitatie vanuit Amsterdam.
Ook in Hattem stelt Kaiser Greet Hofmans voor aan zijn aristocratische beschermvrouwe, baronesse A.A. van Heeckeren van Molecaten, en haar zoon Walraven, baron Van Heeckeren van Molencaten. De Van Heeckerens zijn van oudsher gegrepen door het hogere. De barones verleende eerder onderdak aan M.J.J. Exler, literator en praktijkgericht mysticus, bekend van zijn homo-emancipatoire roman Levensleed (1911). In Hattem zette Exler een experimentele kippenfokkerij op naar antroposofisch model, gebaseerd op zijn eigen brochure Practische wenken voor den pluimveehouder.
Greets komst naar Hattem leidt tot de nodige karmische verwikkelingen. Ze raakt ervan overtuigd dat de stem die in haar spreekt van niemand minder dan de overleden Exler is en ze krijgt een houten keet op het weelderige landgoed van de Van Heeckerens aangeboden, waar ze woont wanneer ze in het plaatselijke café mensen 'opdraagt’. Greets doorgevingen beperken zich niet tot geestelijke raad alleen. Het kan ook gebeuren dat ze spontaan mensen van hun ziekte geneest. Zo weet ze in Hattem een circusacrobaat met een ischias-aandoening in één klap beter te maken. De man is zo blij dat hij stante pede een dubbele salto maakt.
Naast haar consulten in Hattem, die door steeds meer mensen worden bezocht, verleent Greet dezelfde diensten in Swinderen, Eerbeek, Schoonebeek en talloze andere dorpen en steden, soms in kroegen, dan weer in een stal. In Amsterdam opereert ze vanuit café Italia aan de Nassaukade, op de hoek van de Bosboom-Toussaintstraat, een tijdje later ook in De IJsbreker aan de Weteringschans. De klachten bestrijken het gehele menselijke lijden, van lichte depressies tot lepra.
IN 1950 ZIT Greet op drie- tot vierhonderd patiënten per dag. Voorts komen er zeventig brieven per dag binnen. Haar naam zingt rond in het hele land. Er loopt een onderzoek naar het ongeoorloofd uitoefenen van de geneeskunst, hetgeen echter vastloopt omdat ze niets voor haar diensten vraagt. Via de Van Heeckerens, actief in de hofhouding van Juliana, komt Greet Hofmans in 1947 voor het eerst op Soestdijk. De jonge koningin is onder de indruk en beveelt haar aan bij haar ministers. Daarnaast is Greet te gast bij Wilhelmina op ’t Loo. Samen met de jonge en de oude vorstin belegt Kaiser bijeenkomsten op ’t Oude Loo, met Greet als speciale gast, teneinde verse doorgevingen binnen te halen. Dat maakt boze tongen los. Op 15 april 1950 wordt Greet op haar eigen verzoek verhoord door een groot gezelschap artsen en theologen, die op zoek gaan naar het antwoord op de vraag of de helderhorende uit Hattem zich schuldig maakt aan kwakzalverij dan wel blasfemie, dan wel beide. De notulen van deze vergadering, bijgewoond door tien artsen, onder wie twee psychiaters, alsmede drie Nederlands-hervormde predikanten, een gereformeerde predikant en de rooms-katholieke pater Vogelspoel, zijn bewaard gebleven.
Het is een pittig kruisverhoor, waar Hofmans zich verdedigt als Jeanne d'Arc voor haar heksentribunaal in Rouen, zij het met meer succes. 'Men verwijt me dat ik spiritiste ben, maar spiritisme is voor mij lijkenschennis’, zegt ze. Ze ontkent dat ze kan genezen. 'Ik ben slechts het contactsleuteltje tussen de genadevolle Hulp en de zieke. Op het moment dat ik de zieke opdraag, zie ik wat er aan de hand is.’ Diverse aan haar toegeschreven spontane genezingen passeren de revue, onder meer de genezing van blindheid van een jongen uit Amsterdam.
Na het vertrek van Greet zijn de heren dokters en predikanten er nog steeds niet gerust op. 'Ik sta zeer sceptisch tegenover haar’, zegt pater Vogelspoel. 'Is ze geen hysterica?’ Psychiater Elgersma is al even bevreesd: 'Ze heeft karaktertrekken die pathologisch zijn, althans buiten het normale vallen.’ Ds. Van Harmelen heeft 'grote theologische bezwaren’: 'De fanatieke idee dat Christus al haar patiënten beter zal maken, is beslist onbijbels.’ Ook dr. Van der Ree acht een en ander onacceptabel: 'Ze heeft ook contacten met prinses Wilhelmina, naar men zegt. Daardoor meent ze sterk te staan.’
Al voordat in 1956 via een inmiddels getergde Bernhard de verhalen in de Duitse en Britse pers komen over de Raspoetin die Juliana het hoofd op hol zou hebben gebracht, zijn de connecties tussen Hofmans en het hof genoegzaam bekend bij de crème de la crème. Daardoor krijgt de Amsterdamse 'gebedsgenezeres’ nog meer 'patiënten’. Nadat de bom is gebarsten neemt dat nog verder toe, en wel zodanig dat ze de doorgevingen voortaan ook per brief kan uitvoeren.
'DOOR JULIANA kwam ik in aanraking met de hogere kringen’, vertelt Greet Hofmans later aan Friedrich Weinreb, de omstreden joodse econoom annex schriftgeleerde die in de jaren zestig uitgroeide tot een van haar naaste vertrouwelingen. 'Die mensen hebben psychische problemen, of problemen die te maken hebben met de hoge politiek, of economie. Van die terreinen weet ik niets. Maar de antwoorden kwamen op precies eenzelfde manier binnen… Waarom weet ik ook niet. Want ik ben noch bijzonder goed noch intelligent.’
In de figuur van verzekeringsdirecteur Frans Mijnssen en diens vrouw Erna krijgt Greet Hofmans nieuwe schutspatronen. Het echtpaar woont in Baarn, pal naast paleis Soestdijk, waar Greet op orders van Bernhard en Drees ('een slappeling’, aldus Hofmans) inmiddels is verbannen. Ze neemt haar intrek in een woonwagen bij de Mijnssens. Tot twee keer toe wordt deze door onbekenden in brand gestoken. De druk wordt steeds groter. Dankbaar neemt Greet een invitatie van een top-ondernemer aan om hem te bezoeken in zijn huis in Maracaibo, Venezuela. Geschokt door de armoede keert ze terug.
Op tweede kerstdag 1957 krijgt Greet Hofmans bijna een fataal auto-ongeluk. Ze zit naast Frans Mijnssen als op de verlaten weg in Baarn plotseling vanuit het niets een auto opduikt, om zich in de passagierskant van Mijnssens auto te boren, en vervolgens hard door te rijden. Een aanslag, zo denken velen. Greet in het Parool: 'Er werd beweerd dat Engelandvaarders mij uit de weg wilden ruimen. Ik heb gehoord dat die mensen ontzettend fanatiek zijn. Ik heb daar later eens met een rechercheur over gesproken, die zei: als je die opensnijdt zien ze van binnen helemaal oranje.’
Greet houdt aan het incident een dubbele schedelbasisfractuur over, alsmede een groot litteken in het gezicht. Ze stopt met het ontvangen van mensen in zalen. De BVD laat haar bewaken. Twee jaar lang heeft ze dagelijks acht rechercheurs om zich heen. Haar persoonlijke opzichter is Francois van ’t Sant, de gewezen politiechef van Rotterdam die sinds jaren geheime operaties doet voor Wilhelmina. Hoewel ze beweert 'spontaan te zijn genezen’ van de gevolgen van het ongeluk, wordt Greet Hofmans nooit meer helemaal de oude. Ze houdt klachten over hoofdpijn. Ze verhuist terug naar Amsterdam, naar een bovenetage in een grachtenpand van de Mijnssens aan de Kalkmarkt.
DE VRAAG NAAR haar spreekbeurten blijft overstelpend. Erna Mijnssen neemt de organisatie op zich van speciale 'vraagavonden’. Tegenover een zaal vol ondernemers vaart ze ouderwets fel uit tegen de vloek van het materialisme. 'Zijn spil is bezitshonger, en die barricadeert onze wil tot liefhebben en leven.’ De verzamelde captains of industry van Philips, Unilever en Shell reageren enthousiast. Al even succesvol zijn de speciale vraagavonden voor dames.
Daarnaast organiseren Greets aanhangers als alternatief voor de op last van de regering ontbonden Oude Loo-groep zogeheten Open Veld-bijeenkomsten in hotel Figi in Zeist. Daar is Weinreb regelmatig als spreker te gast. 'Het waren de meest belangrijke persoonlijkheden uit de Nederlandse samenleving: ministers, professoren, ondernemers, artsen, psychiaters, kunstenaars’, rapporteert deze later in zijn alleen in het Duits verschenen boek Meine Revolution. 'Vaak had ik het gevoel dat ze niet helemaal spoorden, dat ze tamelijk gek waren. Maar dan toch, de samenleving, de staat, wordt door zulke mensen geregeerd. Meestal overschat men dat soort mensen, maar ze zijn soms onvoorstelbaar trouw en eerlijk.’
Weinreb constateerde terecht dat er heel wat profiteurs naar het Open Veld kwamen, gelokt door Hofmans monarchale relaties. Zelf had hij ook niet over het Open Veld te klagen. Via Mijnssen kreeg hij een baan bij diens verzekeringsmaatschappij Providentia, en daarnaast een kapitale lening om een met woekerrente verzwaarde mega-schuld af te lossen. Op aanbeveling van Greet Hofmans verscheen zijn theologische hoofdwerk De Bijbel als Schepping bij Servire van Jacobus Verhulst. Het boek luidde naar de vaste overtuiging van Greet 'een nieuw tijdperk in’. Overigens hoefde ze voor dat oordeel het boek niet eens te lezen. Het vasthouden van het manuscript volstond. 'Ik hoef zoiets helemaal niet te lezen. Zoiets weet ik’, noteerde een verbouwereerde Weinreb uit haar mond, na hun eerste ontmoeting.
AFGEZIEN VAN twee interviews heeft Greet Hofmans nooit gereageerd op de lastercampagnes tegen haar in de pers, die wilden dat ze de Raspoetin van Soestijk was. Haar media-image baarde haar geen zorgen.
Wel is ze de laatste jaren van haar leven bezig met een allesomvattend verslag van wat haar is overkomen sinds de doorgevingen begonnen. In dat boek moet 'alles precies zo worden verteld zoals het is gegaan’. Het moet in een zeer beperkte oplage (niet meer dan vijftig) worden gedrukt, in wit lamsleder worden gebonden, en opgestuurd aan een kleine kring getrouwen, onder wie Juliana ('de koningin die zeer open is voor alles wat met het gewone woord te maken heeft’) en Krishnamurti, alsook de regerende paus, de gezamenlijke loges van vrijmetselaars van de gehele wereld, het theosofische hoofdkwartier in Bombay, Soekarno, Weinreb, en het hoofd van de synagoge.
Het schrijven van dit werk wordt inderdaad ter hand genomen. En wel door de topambtenaar Koos de Vries uit Wassenaar, Hofmans-adept van het eerste uur. De Vries doet veel onderzoek, verzamelt foto’s, praat met zo veel mogelijk betrokkenen. De Vries slaagt in zijn missie, maar zijn manuscript verdwijnt korte tijd later als hij overlijdt.
In 1967 krijgt Greet tijdens een Open Veld-bijeenkomst een bloedspuwing. Tbc wordt gevreesd. 'Een ader is geopend voor zuivering’, zegt ze zelf. Een jaar later, op 16 november 1968, sterft ze. Haar nalatenschap bestaat uit enkele notitieblokjes en agenda’s en een paar boeken. Op haar verzoek waren alle cadeaus die ze van dankbare mensen had gekregen, zoals kostbare juwelen, teruggegeven. Een landschapschilderij dat Wilhelmina persoonlijk had geschilderd, 'Bomen in de sneeuw’ getiteld, raakt later zoek, zoals alle sporen van haar ooit zo uitbundige banden met het Oranje-huis.