Appeltjes van Oranje

Een Hollands sprookje (1)

Er was eens een slagersdochter in een land hier heel ver vandaan die graag koningin wilde worden. Er was echter een probleem: in het land waar het meisje woonde, was helemaal geen koning of koningin. Die waren lang geleden al doodgeschoten, want de mensen daar hadden helemaal geen zin in die dingen. Dus als het meisje ooit haar felbegeerde kroontje wilde dragen, moest ze uitzien naar een prins uit een ander land. En dus ging het meisje op zoek. Dat was nog een heel gedoe, want prinsen waren niet gemakkelijk te vinden, zeker niet prinsen die ook nog eens koning zouden worden, en als ze er al eentje vond, moest ze nog maar zien of die wel wilde trouwen met de dochter van een slager. Het meisje zocht en zocht, maar nergens was haar droomprins te bekennen. Ze had het al bijna opgegeven, toen ze op een dag hoorde van een feest waar een echte prins zou komen. Dus trok ze haar mooiste baljurk aan en ging. Het was wel een beetje een rare prins, vond het meisje. Hij dronk geen champagne, maar bier, en hij had geen koets, maar een gewone auto. Maar ja, als ze ooit nog eens koningin wilde worden, zat er niets anders op.

En dus ging het meisje samen met de prins naar zijn land. Het was wel een beetje een raar land, vond het meisje. Het was piepklein, en het lag ook nog eens lager dan de zee. En de mensen die er woonden, waren ook vreemd. Overal waar het meisje kwam, zag ze hen zaklopen of koek happen. Praten deden ze niet. Ze zongen alleen maar, de hele dag lang, en zwaaien en zoenen, dat deden ze ook erg graag. Het meisje moest de hele dag terugzwaaien en terugzoenen. Ze kreeg er een lamme hand van. Koningin zijn was toch zwaarder werk dan ze dacht, maar ze had het er graag voor over, want een slimme meid is op haar toekomst voorbereid.

Er was echter nog een probleem: de moeder van de prins. Die was nog steeds koningin, en was ook helemaal niet van plan om plaats te maken. De koningin hield ontzettend van haar troon. Iedere dag, bij het opstaan, keek ze in haar toverspiegel en vroeg: «Spiegeltje, spiegeltje aan de wand, wie is de populairste van het land?» En de toverspiegel zei dan terug: «U, koningin, u bent de populairste van het land.» Daar kon het meisje behoorlijk nijdig van worden. Erger nog: op een dag ging de boze schoonmoeder op reis naar een ver land, en daar vertelde ze aan iedereen die het maar horen wilde dat ze tot in lengte van dagen haar kroon zou blijven dragen.

Er moest iets gebeuren, want het meisje had geen zin om pas koningin te worden als ze oud en slecht ter been zou zijn. En dus pakte het meisje haar prins bij de hand, en ging op reis door het land. Overal waar ze kwam, zwaaide en zoende ze alsof haar leven ervan afhing (en dat deed het natuurlijk ook). Het werkte, want op een dag, toen de boze schoonmoeder weer haar toverspiegel had gepakt, antwoordde deze op haar vraag wie de populairste van het land was: «Niet u, koningin, maar de dochter van de slager is de populairste van het land!» De koningin werd woedend. Met de vlijmscherpe hak van haar koninginnenpumps sloeg ze de toverspiegel aan duigen. Daarna riep ze haar raadsheren bijeen en zei: «Als die slagersdochter nu niet inbindt, stuur ik haar terug naar haar land, en dan zal ze nooit koningin worden, want die hebben ze daar niet!» Toen het meisje dat hoorde, barstte ze in tranen uit. Ze rende weg uit het paleis en sprong in haar auto. Toen hoorde ze een heel zware klap. (wordt vervolgd)