Appeltjes van Oranje

Een Hollands sprookje (3)

Na een paar dagen verzwegen te zijn geweest door de zeven dwergen van de Rijks Verzwijgingsdienst besloot het meisje dat ze er haar buik vol van had. Ze had eerst nog gewacht of de prins haar niet zou komen redden, maar hoeveel lange mannen op witte paarden er ook voorbij kwamen stuiven in het grote kabouterbos, de prins zat er niet tussen. Indien ze als prinses nog wat lol wilde beleven, zou ze het toch echt allemaal zelf moeten doen. Op een avond, toen de kabouters hun soep aan het eten waren, pakte het meisje haar hockeystick uit haar rugzak en sloeg die vervelende dwergen één voor één de hersens in. Hun stoffelijke overschotten gooide ze in een kruiwagen, die ze leeg kieperde in het diepe meer achter het kabouterhuis, zodat niemand ze ooit zou kunnen vinden, precies zoals papa haar vroeger had geleerd te doen met vervelende mensen die je in de weg stonden. Daarna liep ze het grote bos in, op zoek naar een weg terug naar het paleis.

Toen de nacht viel, liep het meisje nog steeds rond in het bos. Ze zag geen hand voor ogen, en tot overmaat van ramp had ze de boterhammen die ze eigenlijk in kruimels achter haar had willen gooien om haar route te markeren, allemaal al opgegeten. Het maakte ook zo hongerig, al dat gewandel! In de verte zag ze de rode ogen van enge beesten rondfladderen, als vuurvliegen in de nacht. De situatie oogde behoorlijk zorgwekkend. Gelukkig had ze altijd nog haar hockey stick bij zich.

Toen hoorde ze opeens de stem van de opa van de prins door het woud schallen. «Waar zijn die verdomde zwijnen!?» klonk het luid en duidelijk. Ze herkende die stem uit duizenden. Hij sprak ook zo leuk, net als al die oude grappige mannetjes in het dorp waar ze vroeger met papa en mama skiën ging. Het hart van het meisje begon direct sneller te kloppen, want van alle familie van de prins was zijn opa toch verreweg de leukste, vond ze. Toen ze daarop enkele sal vo’s van een geweer hoorde knallen, wist ze het zeker. Opa was weer eens aan het jagen geslagen. Dat deed hij wel vaker, als hij niet kon slapen. Om het hem niet zo moeilijk te maken, werden de te bejagen dieren door de lakeien eerst witgeschilderd met lichtgevende verf. Toen het meisje de eerste lichtgevende everzwijnen en albinobunzingen zag rondrennen in het bos wist ze dat opa niet ver meer kon zijn. En jawel: daar stond hij, boven op het dak van een jeep, waarop grote schijnwerpers stonden opgesteld.

«Prinselijke grootvader!» riep het meisje, terwijl ze opsprong vanuit de bosjes. «Wat doet u nu zo laat nog in het bos? Straks vat u nog kou!»

«Ach, het is niet uit te houden thuis», klaagde de opa-prins, terwijl hij een heupflesje uit de zak van zijn camouflagejack pakte en aan zijn lippen zette. «De hele dag dat charmeoffensief, men zou er kramp in de kaken van krijgen! Doe ik toch veel liever wat buiten aan milieubeheer, dat verzet de zinnen toch zovoort weder.» Daarna keek hij het meisje verbaasd aan. «Wat doe jij hier eigenlijk meisje?» vroeg hij.

Het meisje besloot alles te vertellen. «Uw dochter de koningin heeft me vergiftigde biefstuk gegeven en me helemaal diep in het bos gebracht naar die vervelende kabouters van de Rijks Verzwijgingsdienst», vertelde ze. «Maar zo’n behandeling hoef ik niet te pikken, ook al ben ik maar de dochter van de slager!»

Daar kon de opa-prins gelukkig wel begrip voor opbrengen. «Die vervelende kabouters ook», snoof hij. «Men zou ze eens wit moeten verven.» Het meisje besloot er verder maar het zwijgen toe te doen. Liever wilde ze van de opa-prins weten wat verder te doen.

«Er zit in jouw geval maar één ding op», zei de opa-prins. «Als je aan de toorn van mijn dochter wilt ontkomen, zul je zelf koningin moeten worden. Maar daarvoor heb je de toverspiegel nodig, en van wat ik hoor, ligt die in de diepste kerker van het paleis, in een gesloten dekenkist.»

«Als u me helpt, maak ik u koning», zei het meisje enthousiast.

De opa-prins zuchtte. «Dat had ook wel tijd mogen worden», sprak hij zacht.

(wordt vervolgd)