Appeltjes van Oranje

Een Hollands Sprookje (4)

(Wat voorafging: er was eens een meisje uit een land hier heel ver vandaan dat dolgraag prinses wilde worden. Na lang zoeken vond zij eindelijk een prins die met haar wilde trouwen, hoewel ze maar de dochter van de slager was. De Boze Schoonmoeder gooide echter roet in het eten en stuurde het meisje naar de kabouters van de Rijks Verzwijgingsdienst. Met behulp van haar hockey stick wist het meisje aan de zeven dwergen te ontsnappen. In het Grote Enge Bos ontmoette ze de opa van de prins. Op zijn raad ging het meisje op zoek naar de toverspiegel van de Boze Schoonmoeder…)

Eenmaal bij het paleis gearriveerd, zag het meisje dat er nog een raam openstond. Ze klauterde naar binnen en verstopte zich snel achter een bank. De kamer waar ze was binnengekomen, bleek uitgerekend de werkkamer van de Boze Koningin te zijn. Ze zat op haar troon zwaailes te geven aan de prins, die daarbij nauwlettend op de vingers werd gekeken door de leden van de Geheime Raad, die rond de troon stonden opgesteld. De hoofdredacteur van Vorst & Volk, die opereerde als voorzitter van de Geheime Raad en daarom ook wel «grootvizier» werd genoemd, staarde hoofdschuddend naar de verwoed zwaaiende prins. Bedachtzaam trok hij aan zijn puntbaardje.

«Ik ben bang dat de zwaaikunst van de prins nog steeds niet volstaat, O Doorluchtige Majesteitelijkheid», sprak hij voorzichtig. «Het heeft nog steeds niet die grandeur van het ware koninklijke handgebaar, zoals Uwe Voortreffelijkheid dat altijd zo magnifiek weet te demonstreren.»

De Boze Schoonmoeder knikte instemmend. Ze was niet in haar opperste koninklijke luim. «Sul!» zo riep ze de prins fel doch welgemeend toe. «De grootvizier heeft gelijk: je bent een nietsnut. We zijn al drie dagen aan het repeteren, en nog steeds kun je er niets van! Wat heb ik je nu gezegd: niet stijf zwaaien, maar ook niet te slap! Slapzwaaien is voor lapzwansen! Je moet krachtig zwaaien, majestueus, alsof je aan de teugels trekt! Kijk, zo!» Suizend vloog de rechterhand van de majesteit heen en weer. Daarbij viel het weifelende handgebaar van de prins inderdaad nogal tegen, zoals hij zich ook duidelijk bewust was. Berouwvol keek de prins naar de punten van zijn schoenen en stamelde verontschuldigingen. Daarna veegde hij zijn laatste restjes moed bij elkaar voor een dappere poging tot verweer. «Er lijkt ook geen einde te komen aan dat charmeoffensief van uwe Allerzaligstheid», klonk het klagelijk uit de kroonprinselijke keel. «En nu heeft u mijn prinsesje ook al afgepakt!»

«Van afpakken is geen sprake», interrumpeerde de chef van Vorst & Volk met opgestoken vinger. «Er is slechts sprake van een tijdelijke heroriëntatie binnen de doelstellingen van ons public-relationsbeleid, waarbij ons een duidelijk gescheiden taak opvatting van het kroonprinselijke paar voor ogen heeft gestaan…»

«En dat betekent?» vroeg de prins zuchtend.

«Dat je dat prinsesje voorlopig wel uit je gedachten kunt zetten!» viel de Boze Koningin uit. «Bovendien: ze is niet eens een prinses. Ze is de dochter van de slager. Je bent veel beter af zonder haar. En nu stilte! Zwaaien, jij lamzak!»

Het meisje zat nog steeds achter de bank en zag het allemaal met stijgende verontwaardiging aan. Inmiddels had de opa van de prins naast haar plaatsgenomen en maar ternauwernood wist hij te voorkomen dat het meisje naar haar hockeystick greep.

«Als je de toverspiegel eenmaal hebt, kun je aan deze prinsonwaardige praktijken ook gelijk een einde maken», zo sprak hij het meisje moed in.

«De prins kan barsten», zei het meisje ferm. «Dit is zijn verdiende loon.»

Gebruikmakend van de algehele consternatie toen de Boze Koningin weer een van haar gevreesde woedeaanvallen kreeg, slopen het meisje en de opa-prins slinks het vertrek uit, de lange gangen in, naar de onderaardse gewelven alwaar de Boze Schoonmoeder de in ongenade gevallen toverspiegel in een dekenkist had laten opsluiten.

Met één schot uit zijn dubbelloops jachtgeweer opende de oude prins de zwaar vergrendelde kist.

«Kijk nou!» riep de spiegel verbaasd uit. «Het mooiste meisje van het land!»

«Geen tijd voor complimentjes», zei het meisje streng. «Maak me nu onmiddellijk koningin!»

«Dat gaat zomaar niet», zei de toverspiegel. «Eerst moet je drie proeven doen, om te bewijzen dat je het Hoogste Ambt echt waardig bent.»

«Voor de dag ermee!» gebood het meisje ongeduldig.

De toverspiegel schraapte de keel en sprak plechtig: «De eerste test is een gesprek met de Verschrikkelijke Zwartman.»

«O nee, niet de verschrikkelijke Zwartman», stamelde de oude prins verslagen, terwijl hij een vers heupflesje uit de zak van zijn camouflagebroek aanbrak.

«Wie mag dat Zwartmannetje dan wel wezen?» vroeg het meisje, bepaald niet onder de indruk.

«De Verschrikkelijke Zwartman is een man om te vrezen», oreerde de toverspiegel. «Niets blijft voor hem verborgen. Slechts weinigen blijven overeind als de Verschrikkelijke Zwartman spreekt.»

«Hij is wat wij in onze sector a pain in the ass noemen», vulde de oude prins aan.

«Laat maar komen», zei het meisje gedecideerd. «Ik ben er klaar voor!» (wordt vervolgd)