Appeltjes van Oranje

Een Hollands Sprookje (slot)

(Wat voorafging: er was eens een meisje uit een land hier heel ver vandaan dat dolgraag prinses wilde worden. Na lang zoeken vond zij dan eindelijk een huwbare prins, die het bovendien geen probleem vond dat ze maar de dochter van de slager was. De Boze Schoonmoeder echter probeerde roet in het eten te gooien door het meisje op te sluiten in het huis van de kabouters van de Rijks Verzwijgingsdienst. Met behulp van haar hockeystick wist het meisje zich te bevrijden. Met hulp van de opa van de prins ging ze op zoek naar de toverspiegel van de Boze Koningin. Die gelastte haar drie proeven af te leggen, de eerste zijnde een ontmoeting met een heerschap genaamd De Verschrikkelijke Zwartman.)

Plotseling vulde de kelder zich met rook, en toen die eenmaal opgetrokken was, stond het meisje oog in oog met de Verschrikkelijke Zwartman, die er overigens een stuk ongevaarlijker uitzag dan zijn naam deed vermoeden.

«Zo», zei de Zwartman, terwijl hij streng opkeek boven zijn leesbrilletje. «Dus jij bent het meisje dat zo graag koningin wil worden! Vertel eens, vind je eigenlijk wel dat je genoeg opleiding hebt genoten?»

Dat was nu wel de laatste vraag die het meisje verwacht had. Waren ze daar nu allemaal zo bang voor? «Natuurlijk», sprak het meisje onbevreesd. «Ik heb al een zwaaidiploma, en kijk, hier is een getuigschrift van de cursus kroondragen van het Nationaal Hairspray-Instituut.»

«Niet slecht», zei de Zwartman, terwijl hij de overlegde documenten nauwlettend in ogenschouw nam. «Maar vertel, wat wil je eigenlijk gaan doen als je eenmaal koningin bent?»

Die vraag had het meisje wel verwacht. «Werken aan de wereldvrede en de bewustwording van de mondiale milieuproblematiek», veinsde ze enthousiast.

«Heel goed», zei de Zwartman. «Dan nu een simpel protocolvraagje. Wat doet u als een onderdaan ongevraagd tegen u gaat spreken?»

Vluchtig wierp het meisje een blik op het spiekbriefje dat ze in de palm van haar hand hield. «Dan zeg ik: in uw persoonlijke omstandigheden zijn wij in het geheel niet geïnteresseerd».

De Verschrikkelijke Zwartman knikte instemmend. «En dan nu de laatste vraag: wat zal binnen dit alles de rol zijn die u toebedeelt aan uw vader, de slager?»

«Hoe bedoelt u?» vroeg het meisje.

«Nou, hoe denkt u dat dat staat, een koningin met een slagersvader?» vroeg de Zwartman ongeduldig.

Koortsachtig dacht het meisje na. Dit was een strikvraag, dat zag ze wel aan de koude blik van haar inquisiteur. Dit was geen moment om haar warme vadergevoelens de overhand te geven. «Papa hoeft er toch helemaal niet bij te zijn», antwoordde het meisje enigszins schor. Ze had die woorden nog niet uitgesproken of de Verschrikkelijke Zwartman loste als een stoomwolk op in de ruimte.

«Heel goed», hoorde het meisje de toverspiegel roepen. «Je gaat door naar de tweede ronde. Licht uit en spot aan! De opdracht is: zing alle strofen van ons nationale volkslied, maar dan achterstevoren en met weglating van alle medeklinkers.»

Het meisje schraapte haar keel en datgene wat zij met de moed der wanhoop ten gehore bracht, stemde de toverspiegel tot grote tevredenheid. «Met vlag en wimpel geslaagd», kwetterde hij opgetogen. «Dan is het nu tijd voor de laatste en moeilijkste test. Je moet de prins vinden en op zijn mond kussen. Als hij verandert in een kikker, heb je verloren. Als hij een prins blijft, ben jij de koningin en kan de Boze Schoonmoeder haar koffer pakken. Je hebt een kwartier.»

Haastig rende het meisje door de lange gangen van het paleis, op zoek naar de prins. Als hij nu maar niet in een kikker veranderde! Alleen al het idee deed haar huiveren. Ze rende naar de slaapkamer van de prins, maar daar was niemand. Uiteindelijk stuitte het meisje op een lakei, die haar vertelde dat de prins op het balkon bezig was aan zijn verplichte uurtje zwaailes. Inmiddels was de laatste minuut al aangebroken. Het is nu of nooit, dacht het meisje, terwijl ze haar ogen sloot en het hoofd van de prins hard naar zich toe trok. Zijn lippen voelden best zacht aan, helemaal niet kikkerachtig. Voor de zekerheid kuste ze de verlegen lachende prins nog een keer. Weer bleef een amfibische transformatie gelukkig uit. Beneden op het plein hoorde het meisje het volk hard juichen. Eindelijk was ze koningin!

Nog diezelfde dag maakte het meisje samen met de prins een rijtoer in de gouden koets van het land. Iemand gooide met stuifmeel, kennelijk een lokale uiting van feestvreugde. De Boze Schoonmoeder, nu ex-koningin, was toen al per expresse onderweg naar het Grote Enge Bos, begeleid door de koninklijke jachtmeester, en had al bange voorgevoelens van haar komende afschrikwekkende lot. Ook de prins ontsnapte niet aan de wraak van de nieuwe koningin. Hij werd opgesloten in de dekenkist in de kelder waar de toverspiegel zo lang onvrijwillig verbleven had. Hij was allang blij dat hij eindelijk geen zwaailes meer kreeg. Daarna trouwde het meisje zoals ze had beloofd met de opa van de prins, die zo dus koning werd, hetgeen hij vierde met het neerschieten van honderd albinobunzingen en duizend wilde zwijnen, waarna zijn hart het begaf. Zijn plek werd ingenomen door de vader van het meisje, de slager. Hij werd opgehaald met de gouden koets en kreeg zijn eigen kamer in het paleis. Zelfs de Verschrikkelijke Zwartman bedacht zich wel tweemaal om daar iets over te zeggen. En samen leefden ze nog lang en gelukkig.