Een hollandse historikerstreit

Met haar stelling dat er een direct verband is tussen de vlucht van Wilhelmina en de moord op de Nederlandse joden, riep Nanda van der Zee woedende reacties over zich af. Maar bijval krijgt ze ook. Binnenkort wordt de Staat der Nederlanden zelfs gedagvaard voor de handelingen van zijn ambtenaren in oorlogstijd.
‘IN NEDERLAND verlopen de transporten zo vlekkeloos, dat het een lust is om te zien’, zei een tevreden Adolf Eichmann over de deportaties van joodse Nederlanders richting de vernietigingskampen. Nergens in West-Europa verliep de registratie, isolatie en deportatie van de joden zo gesmeerd als in Nederland. Met als resultaat dat Nederland met 75 tot 80 procent vermoorde joden - in totaal meer dan 110.000 mensen - een diepterecord vestigde. Alleen in Polen was de situatie nog dramatischer.

In België en Denemarken daarentegen kreeg de Duitse vernietigingsmachine met aanzienlijk meer tegenwerking te maken. De - relatief kleine - joodse gemeenschap in Denemarken werd grotendeels gered, mede door toedoen van de Deense koning Christiaan X, die zelfs demonstratief overging tot het dragen van een jodenster als protest tegen de rassenmaatregelen van de bezetter. Op het moment dat de Deense joden doodsgevaar begonnen te lopen, werden werden zij in Zweden in veiligheid gebracht.
In België overleefde 90 procent van de Belgische joden de oorlog, terwijl ook 60 procent van de buitenlandse joden in België (meest afkomstig uit Duitsland of Centraal-Europa) het er levend van afbracht. De Belgen boden op grote schaal onderduikmogelijkheden, en ook hier was er een koning die zijn handen voor zijn joodse onderdanen uitstak. Hoewel vorst Leopold III als goed katholiek beschikte over een forse dosis antisemitische sentimenten en ook niet vies was van handjeklap met Hitler, werkte hij de anti-joodse maatregelen van het Duitse militaire gezag daar waar hij kon tegen. Leopold kwam persoonlijk tussenbeide om bij razzia’s gearresteerde joden vrij te krijgen en verbood het de Belgische ambtenaar om mee te werken aan het oppakken van joden. Leopold ging daarbij zo ver dat Hitler hem bij herhaling dreigde als krijgsgevangene naar Duitsland af te voeren als hij zijn verzet niet staakte.
In Nederland was geen sprake van dergelijke tegenwerking. Hier participeerde het ambtenarenapparaat volop in de uitvoering van het Duitse voornemen tot vernietiging van het joodse ras op Europese bodem. Het waren Nederlandse secretarissen-generaal die hun handtekening zetten achter de wet op de zogeheten Ariër-verklaringen, waarmee het grote schiften kon beginnen. Het waren Nederlandse politieagenten die de joden van hun huis ophaalden; in het doorgangskamp Westerbork stonden Nederlandse marechaussees op wacht; Nederlands spoorwegpersoneel zorgde voor een nimmer falende logistiek. Er vertrokken 95 treinen uit Westerbork, steeds met meer dan duizend passagiers. Anders dan in België werd nooit een poging ondernomen deze transporten te overvallen en mensen te bevrijden. Vanuit haar Britse ballingsoord ondernam koningin Wilhelmina geen enkele poging om solidariteit met de vervolgde joden te stimuleren. Tijdens haar vele speeches voor Radio Oranje repte zij slechts een enkele maal, en dan nog liefst in een bijzinnetje, over het lot van de joden. Een geweldige propagandistische mogelijkheid - de RAF zorgde ervoor dat de speeches van de koningin in de vorm van vlugschriften over Nederland werden uitgestrooid - bleef zo onbenut.
HET DEBAT OVER het hoe en waarom van de Nederlandse meegaandheid tijdens de oorlogsjaren wordt in feite sinds zeer recente datum gevoerd. Tot voor kort volstond een verwijzing naar de slechte mogelijkheden die de Nederlandse geografie biedt voor het onderbrengen van onderduikers als verklaring voor de moord op bijna het hele Nederlandse jodendom. Weliswaar had de eminente historicus Jacques Presser de Nederlandse coöperatie bij de jodenvervolging al aangestipt in zijn in 1965 verschenen standaardwerk Ondergang. De vervolging en verdelging van het Nederlandse jodendom 1940-1945, maar de daaruit voortvloeiende vragen werden nooit verder uitgewerkt. De kritiek op de Nederlandse handelswijze - in binnen- en buitenland - bleef binnenskamers.
Pas in 1995 kwam er een omslag. Tijdens het bezoek van koningin Beatrix en prins Claus aan Israel kwam de voorzitter van de Knesset, Sherav Weiss, met ongezouten kritiek. In zijn rede tot het koninklijk paar wees Weiss op het extreem hoge percentage dodelijke slachtoffers in de Nederlands-joodse gemeenschap. Ook het aantal Nederlandse vrijwilligers voor de SS was buitensporig hoog, aldus Weiss.
Beatrix zelf was dat jaar ook toe aan een soort omslag in het denken over het Nederlandse oorlogsverleden. In diverse redevoeringen wees zij op de schaduwkant van het Nederlandse handelen in de oorlogsjaren. Al in haar kerstrede van 1994 kwalificeerde ze het Nederlandse verzet tegen de Duitsers als ‘schamel’: 'Als mensen worden gesteld voor een onafwendbare keuze tussen goed en fout, is er geen zekerheid dat zij de juiste beslissing zullen nemen’, heette het. Daarna haastte Beatrix zich in telkens scherpere bewoordingen afstand te nemen van het grotendeels mythologische Nederlandse verzet. Op 5 mei 1995 vroeg ze meer aandacht voor de Nederlandse wankelmoedigheid. 'Voor de juiste beeldvorming kan niet worden verhuld dat naast moedig optreden ook passief gedrag en actieve steun aan de bezetter zijn voorgekomen.’
Tijdens haar staatsbezoek aan Israel deed de vorstin daar nog een schepje bovenop. Duidelijk stuurde zij daar aan op een stringente nuancering van het ook in Israel in brede kring gekoesterde beeld van de Nederlanders als kampioenen van anti-Duits verzet.
SINDS KORT ligt er dan eindelijk een historische studie waarin de vraag naar de oorzaken van de ongekende vernietiging van het Nederlandse jodendom als thema wordt behandeld. Nanda van der Zee, de historica die eerder een bewonderende biografie van Jacques Presser het licht deed zien, publiceerde vijf weken geleden haar boek Om erger te voorkomen: de voorbereiding en uitvoering van de vernietiging van het Nederlandse jodendom tijdens de Tweede Wereldoorlog.
De grotendeels schuimbekkende reacties op het boek bewijzen dat het hier oude wonden betreft die nog heel makkelijk kunnen worden opengereten. Van der Zee: 'Ik begon mijn onderzoek in Westerbork. Daar interviewde ik vijftien boeren die in de buurt van de spoorlijn bij het kamp woonden. Het meest onthutsende vond ik de onverschilligheid waarmee ze erover praatten. Op nogal opgewekte toon vertelden ze anekdotes over hoe ze handeltjes hadden gedreven met ze, waarmee dan de joden werden bedoeld. Die werkten daar onder bewaking van Nederlandse marechaussees op het land, in afwachting van verder transport.
Zo tussen de anekdotes dook dan af en toe een verschrikkelijk detail op. Dat ze bijvoorbeeld een hoogzwangere vrouw in een greppel hadden zien vallen die daar dan haar kind baarde. Voor het overgrote merendeel leken ze tamelijk onaangedaan bij het ophalen van die herinneringen. Maar als ik dan aan het eind van het gesprek vroeg: “Droomt u er nog wel eens van?”, dan wilde er nog wel eens een traan vloeien en begonnen ze zich min of meer te verontschuldigen, zo van: we zijn heus wel aardig voor ze geweest, hoor… Maar wat valt die mensen eigenlijk ****** Einde van blok 11 te verwijten? Het waren geen helden, dat waren er ook maar erg weinig. Maar ze hadden ook geen schuld. Ze keken alleen maar toe.
Ik ben dan ook niet de Nederlandse Goldhagen, zoals men mij hier en daar noemt. Goldhagen richt zijn onderzoek op het Duitse volk als geheel. Hij gaat uit van een soort collectief mechanisme in het onderbewustzijn dat de hele massa rijp maakte voor actieve participatie aan de holocaust en gaat dus uit van collectieve schuld. Beatrix deed met haar speech in de Knesset eigenlijk hetzelfde. Ze sprak daar toch willens en wetens uit dat “het” Nederlandse volk zich op zijn medeschuld aan de jodenvervolging moet bezinnen. Dat doet me heel “Goldhagiaans” aan. Weer de schuld op de anonieme piepeltjes afschuiven, maar de elites niet noemen, noch de rol van haar grootmoeder die al die jaren niets heeft gedaan voor de joden. Het beetje verzet dat er in Nederland was, kwam van die kleine luyden die met gevaar voor eigen leven mensenreddend werk hebben gepleegd.
Mijn centrale stelling is dan ook dat niet het Nederlandse volk als geheel, maar de Nederlandse elites medeschuldig zijn. De Nederlandse medeschuld bestaat uit de volstrekte coöperatie van het ambtelijk apparaat bij de registratie, isolatie en deportatie van de joodse medeburgers naar Westerbork. Dit werd in de hand gewerkt door de instelling hier van een civiel gezag onder Seyss-Inquart. Dat civiel gezag is hier gekomen door de vlucht van Wilhelmina, wier vertrek naar Londen ongrondwettig was en in feite neerkwam op hoogverraad.’
VAN DER ZEE vindt het hoofdstuk uit haar boek dat handelt over de vlucht van Wilhelmina 'het meest shockerend’. Anderen vonden dat ook. De Leidse historicus C. Fasseur, zelf bezig aan een biografie van Wilhelmina, wees de bevindingen van Van der Zee op basis van een voorpublikatie in Vrij Nederland als 'kwaadsappig’ van de hand. Tegenover het ANP verklaarde Fasseur: 'Ik vind het verbijsterend dat zij (Van der Zee - rz) vijftig jaar na dato alsnog valt voor de propaganda van Seyss-Inquart. Haar bevindingen sluiten aan bij die van NSB-voorman Anton Mussert, die ook vond dat Wilhelmina het moreel van het Nederlandse volk en het leger had ondermijnd door naar Engeland te gaan.’
De Telegraaf weet wat men in zo'n geval moet doen en plaatste een bewerking van het ANP-bericht onder de kop 'Nazi-propaganda in boek over Wilhelmina’. Van der Zee’s uitgever Maarten Asscher van Meulenhoff dreigde daarop met een kort geding, zodat Fasseur een publiekelijke rectificatie deed uitgaan waarin hij zich distantieerde van de kop in de Telegraaf.
Maar nog steeds is prof. dr. Fasseur slecht over Van der Zee te spreken. Door De Groene benaderd met het verzoek om rechtstreeks in debat te treden met de schrijfster van Om erger te voorkomen, reageert Fasseur resoluut: 'Kom zeg, er komen een paar dagen met mooi weer aan, dan ga ik toch zeker niet aan één tafel zitten met Nanda van der Zee? Ik heb echt wel wat beters te doen. Goedemiddag.’
Van der Zee: 'Ik vind Fasseur een buitengewoon onbeschaafde man, om het eufemistisch uit te drukken. Eens te meer omdat hij mij nog steeds geen excuses heeft aangeboden nadat hij mijn gedachtegoed slechts op grond van een voorpublikatie in zowel de Telegraaf als in het Algemeen Dagblad gelijk heeft gesteld met dat van ****** Einde van blok 12 Mussert en Seyss-Inquart. Natuurlijk, ik was van tevoren al ingesteld op zware kritiek. Ik haal in mijn boek nu eenmaal twee nationale oorlogsmonumenten naar beneden, koningin Wilhelmina en Loe de Jong, en in zo'n geval weet je dat je zwaar weer te wachten staat.
Maar kritiek van het niveau zoals Fasseur die heeft geuit, dat kwam toch als een verrassing. Je mag best weten dat ik daar nachten van wakker heb gelegen. Ik heb tijdens mijn onderzoek heel veel tijd in Israel doorgebracht, heb daar veel mensen geïnterviewd. De Nederlandse gemeenschap in Israel leest van de Nederlandse kranten vrijwel alleen de Telegraaf. Wat zullen die mensen wel niet hebben gedacht toen ze die kop zagen? Daar maakte ik me zorgen over. Niet over de opvattingen van meneer Fasseur. Die zit zelf natuurlijk met een levensgroot probleem. Volgend jaar moet zijn Wilhelmina-boek verschijnen. Daar heeft hij, boven op zijn hoogleraarsalaris, een ton subsidie van het Prins Bern****** Einde van blok 13 hard Fonds voor gekregen, dus het moet een mooie hagiografie worden. Mijn enige verklaring voor Fasseurs onzinnige reactie is dat hij de waarheid over de vlucht heeft willen verheimelijken. Door de voorpublikatie uit Om erger te voorkomen is hem die mogelijkheid ontnomen.’
'IK ZWEER AAN het Nederlandsche volk, dat ik de grondwet steeds zal onderhouden en handhaven’, zo luidde de eed die Wilhelmina op 6 september 1898 aflegde bij de aanvaarding van de kroon. 'Ik zweer dat ik de onafhankelijkheid en het grondgebied des Rijks met al Mijn vermogen zal verdedigen en bewaren; dat ik de algemeene en bijzondere vrijheid en de rechten van alle Mijne onderdanen zal beschermen, en tot instandhouding en bevordering van de algemeene en bijzondere welvaart alle middelen zal aanwenden, welke wetten te Mijner beschikking stellen, zooals een goed Koning schuldig is te doen. Zoo waarlijk helpe Mij God almachtig!’
In Om erger te voorkomen maakt Van der Zee duidelijk dat Wilhelmina die eed met haar vlucht naar Londen op 13 mei 1940 op alle fronten heeft geschonden. Zo overtrad Wilhelmina het - in 1983 geschrapte - artikel 21 uit de grondwet, dat verbood dat de zetel van de regering buiten het rijk zou worden geplaatst. In de archieven van de Britse Royal Navy trof Van der Zee niet eerder gepubliceerde documenten aan waaruit glashard blijkt dat er al in de herfst van 1939 via de Engelse gezant Neville Bland en in april 1940 volop onderhandelingen gaande waren met de Engelsen over het vertrek van het Nederlandse koninklijke gezin naar Engeland. Opmerkelijk daarbij was dat ook met man en macht werd geprobeerd asiel te verkrijgen voor de Duitse ex-Kaiser Wilhelm II, die sinds 1918 op bijzondere voorspraak van Wilhelmina al gastvrijheid in Doorn ondervond.
Bijna niemand in haar kabinet was van de vlucht van Wilhelmina op de hoogte, zo schrijft Van der Zee. De Nederlandse ministers, gehouden aan het constitutionele dogma van de ministeriële verantwoordelijkheid, besloten ten einde raad het spoor van de majesteit te volgen. Twee ministers - A.A. van Rhijn van Landbouw en M.P.L. Steenberghe van Economische Zaken - bleven iets langer achter en droegen het civiele bestuur over aan generaal Winkelman, bevelhebber der strijdkrachten, de man die op 14 mei zou capituleren.
Van der Zee: 'Niets wijst erop dat de Duitsers voor die tijd van plan waren een civiel bestuur in Nederland te vestigen. Dat deden zij in België, Frankrijk of Denemarken ook niet. Alleen in Polen en Noorwegen gebeurde dat ook, omdat in Polen de gehele regering was gevlucht en in Noorwegen ook de koning de benen had genomen. Omdat Wilhelmina alle adviezen van haar ministers in de wind had geslagen, kregen Hitlers juristen Nederland eigenlijk in de schoot geworpen. Door de grondwet te overtreden had de Nederlandse regering zichzelf in feite opgeheven. De rabiate Oostenrijkse antisemiet Arthur Seyss-Inquart kon op die manier als Rijksstadhouder de plaats van Wilhelmina overnemen. Zo kwam hij aan het hoofd van een ambtenarenapparaat dat zich trouw aan de uitvoering van de nieuwe wetten zette. Tot voor kort was iedereen met ook maar een beetje historisch benul het erover eens dat dat desastreus is geweest voor het lot van de joden in Nederland. Maar als ik in mijn boek vervolgens uitleg hóe dat civiel gezag tot stand is gekomen, spat die consensus als een zeepbel uit elkaar. De reden: het Koningshuis is in het geding.’
Het is verbijsterend hoe kritiekloos men in Nederland nog steeds naar de rol van Wilhelmina kijkt, aldus Van der Zee. 'Men heeft de mythen die Loe de Jong erin heeft gemasseerd met betrekking tot de rol van Wilhelmina, klakkeloos aanvaard. Zoals hij in zijn memoires toegeeft, heeft De Jong als zoon van een kleine melkboer te kampen gehad met een sterke autoriteitsgevoeligheid. Wilhelmina was voor hem de onbetwiste autoriteit, die heeft hij nooit kunnen afvallen. De resolute hardheid waarmee hij bijvoorbeeld de carrière van Willem Aantjes heeft vernietigd, kon hij niet opbrengen in het geval van Wilhelmina.
Wat ik Wilhelmina verwijt, is dat ze ook in Londen geen vinger voor de joden heeft uitgestoken. Nergens heeft ze haar grote propagandamogelijkheden bij Radio Oranje benut om aandacht te besteden aan het lot der joden. Terwijl er toch zoveel bekend was. Men wist in Nederland wel degelijk dat de joden niet “aan het werk” gingen in onbekende bestemmingen, men wist wel degelijk dat ze eraan gingen. Al voor de oorlog wist de joodse pers in Nederland zeer uitvoerig te berichten over Hitlers koers ten aanzien van de joden. Zelfs niet één keer heeft Wilhelmina opgeroepen tot hulp aan de joden of tegenwerking bij de vervolging. Voor de oorlog maakte ze zelfs bezwaar tegen de vestiging van een opvangkamp voor Duitse joden op de Veluwe, omdat dat te dicht in de buurt van Het Loo zou zijn. Ook na de oorlog sprak ze met geen woord over het lot van de joden. Er heeft ook nooit een probate zuivering plaatsgevonden in het Nederlandse ambtenarenapparaat. Als er werkelijk zou zijn gezuiverd, zou het land onbestuurbaar zijn geworden.
Mijn critici verwijten me nu allemaal wijsheid achteraf. Alsof geschiedschrijving dat niet altijd is. Maar ik ben ervan overtuigd dat mijn onderzoeksresultaten op de korte of langere duur algemeen ingang zullen vinden. Ze zijn namelijk niet te weerleggen.’
VOORALSNOG BLIJFT de Nederlandse 'Historikerstreit’ nogal ongelijk: het is Van der Zee tegen de rest. In het buitenland reageren collega-historici aanzienlijk positiever.
Maar ook in Nederland staat Van der Zee niet moederziel alleen. Interessant in dat verband is de civiele rechtszaak die de jurist Henri Look momenteel aanspant tegen de Staat der Nederlanden. Look was al ver voor de publikatie van het boek van Van der Zee bezig aan een eigen bezinning op de verantwoordelijkheid van de Nederlandse staat inzake de jodenvervolging. Op 12 september 1943 werd hij als twaalfjarige jongen in Rotterdam door Nederlandse politieagenten samen met zijn familie van huis gehaald om naar Westerbork op transport te worden gesteld. Als zoon van een joodse moeder stond Look in principe op de dodenlijst.
Look: 'Mijn moeder was gescheiden van mijn vader, een niet-jood die nota bene lid was van de Nationaal Socialistische Nederlandse Arbeiderspartij van Ridder van Rappard. Mijn moeder had op het Rotterdamse politiebureau Haagscheveer de tegenwoordigheid van geest om te wijzen op het zogeheten ontsterringsverzoek dat zij voor mij gedaan had toen een paar maanden eerder de oproep voor deportatie kwam. Daardoor ging ik vrijuit. Mijn moeder kwam later ook terug uit Westerbork omdat ze volgens de wet voor haar minderjarige zoon moest zorgen. Zo overleefden wij de oorlog. Mijn grootvader, oma, ooms en tantes zijn omgebracht in Auschwitz en Sobibor.’
Look was advocaat te Rotterdam. In de jaren vijftig liep hij wat colleges bij Presser. 'Hij opende mijn ogen voor de schuld die de Nederlandse staat treft. Hij gaf college over wat hij noemde de zondeval van het Duitse intellect, en ik paste dat toe op de rol van de Nederlandse elites, van wie er ook genoeg waren vergiftigd met antisemitische sentimenten.
Begin jaren tachtig ben ik dat dan vanuit mijn juridische training gaan onderzoeken. Ik was blij verrast toen bleek dat Nanda van der Zee tot dezelfde conclusies was gekomen, zij het dat ik een stuk verder ga. Naar de geest van het oorlogsrecht waren de Duitsers zelfs verplicht om ook het civiele bestuur over te nemen nadat Wilhelmina met haar vlucht had geabdiceerd. Toen de ministers haar achterna gingen, betekende dat het einde van de grondwet. De overdracht van de regeringsmacht aan generaal Winkelman was al onwettig. Volgens het oorlogsrecht waren de Duitsers vanaf dat moment verplicht het civiele bestuur over te nemen. Ze moesten de orde handhaven. Debellatio, zo noemen de geleerden dat. Vanaf dat moment mochten de Duitsers alle maatregelen die ze maar wensten aan het burgerlijk bestuur voorschrijven. Seyss-Inquart was het wettige Nederlandse gezag. Je zou kunnen zeggen dat Nederland met het aantreden van Seyss-Inquart als Rijksstadhouder ook geen bezet land meer was, maar een vazalstaat van Duitsland was geworden. Natuurlijk hebben de NSB en Seyss-Inquart de vlucht van Wilhelmina gebruikt in hun propaganda, maar ja, dan hadden die voor een keertje ook gelijk.
De Britten en de Amerikanen hadden aanvankelijk het vaste voornemen om Nederland na de bevrijding net als Duitsland te behandelen. Men was bezig met de opleiding van jonge officieren die het civiele bestuur in Nederland zouden overnemen en een zuivering van het ambtelijke apparaat in werking zouden zetten. Dat is voorkomen door Bernhard en het Militair Gezag. Achteraf jammer, want dan was Nederland misschien werkelijk gezuiverd.’
JURIDISCH IS de Nederlandse staat wel degelijk aanspreekbaar op de handelingen van zijn ambtenaren in die oorlogsperiode, aldus Look. 'Tijdens mijn naspeuringen bleek er in 1950 zelfs een wet te zijn gemaakt die het mogelijk maakt het gerechtshof in Den Haag een oordeel te vragen over het handelen van de Nederlandse staat tijdens de oorlogsjaren. Dat is de wet Overheidsaansprakelijkheid Bezettingshandelingen, waarop vreemd genoeg nog nooit een beroep is gedaan. Mijn vriend Bert Hamburger wees me begin jaren tachtig op de mogelijkheid van een dergelijke procedure. Aangezien er bij mijn persoonlijke oorlogsleed alleen maar Nederlandse ambtenaren in het geding zijn, voel ik mij gerechtigd een proces op grond van die wet te voeren. Verjaring telt in mijn ogen niet. In het geval van de asbestslachtoffers van het Nederlandse leger is daar nu ook pas een uitzondering op gemaakt.’
Tijdens het proces zal Look zelf het woord voeren. Verleden jaar legde hij zijn vordering voor aan de ministeries van Financiën en Justitie. Inmiddels is de dagvaarding voorgelegd aan de landsadvocaat, maar deze reageerde niet. Dezer dagen zal dan de officiële dagvaarding van de staat der Nederlanden plaatsvinden. Look: 'Ik heb lang getwijfeld of ik het zou doen. Eigenlijk was het Beatrix die me over de streep trok. Ik was in Israel toen zij in 1995 die beroemde speech hield over de medeschuld der Nederlanders. Ik dacht: als de vorstin erover begint, dan mag ik ook. Het gaat mij niet om geld. Het gaat me om morele genoegdoening, gerechtigheid voor mijn opa en de andere vermoorde dan wel getraumatiseerde familieleden. Als ik er een schadevergoeding uit sleep, zal ik dat investeren in een fonds voor verdere studie, een mooie joodse traditie.’
Nanda van der Zee: 'De Nederlandse Historikerstreit gaat niet over mijn onderzoeksresultaten, want die zijn door geen van mijn critici met een onderbouwd betoog weerlegd. Het gaat over die eerder genoemde eensgezindheid op het punt van het civiel gezag. Dat is veel desastreuzer geweest voor de joden in Nederland dan een militair gezag had kunnen zijn. Tot het verschijnen van mijn boek bestond daar consensus over. Toen ging men zijn mening bijstellen. De internationaal bekende professor Josef Michman uit Jeruzalem, oud-directeur van Yad Vashem en bij uitstek kenner van de jodenvervolging in Nederland, schreef me in een reactie op Om erger te voorkomen dat het “onvergeeflijk” was, van hemzelf incluis, dat er pas vijftig jaar na de oorlog een historica was gekomen met een boek waarin de vlucht van Wilhelmina en de staatsrechtelijke gevolgen daarvan met vreselijke consequenties voor de joden in Nederland, zijn onderzocht. Daarmee legt hij mijns insziens precies de vinger op de zere plek van mijn critici.’