Essay: Hollandse zakenlui in Moskou, romanfragment

Een Hollandse romance

«En gelijk alle gekken noemde ik iedereen krankzinnig, behalve mijzelf»

Lev Tolstoj,Mijn biecht (1881)

In de roman ‹Een Hollandse romance›, die deze week verschijnt, spelen twee Hollandse zakenlui uit Moskou een hoofdrol. Reclameman Joost Schlingemann is door zijn vrouw verlaten en wil nu op een flatje Rus met de Russen zijn. Ondernemer Berend Braverman, die met handel een miljoenenimperium heeft opgebouwd, woont juist in een bewaakte villa. Op de Nederlandse ambassade lopen ze elkaar najaar 2002 tegen het lijf. Een fragment.

Joost bewoog zich al drinkend tussen de genodigden door, terwijl hij links en rechts ¾arden opving van de gesprekken die hem zo bekend voorkwamen: het geklaag over het Russische personeel, de lange winter die opnieuw voor de deur stond, de belachelijk hoge prijzen voor westerse waren in de supermarkten, en natuurlijk de stompen in de buik en de nieren van Nederland, het land dat hen had uitgezonden en waarnaar geen van allen ooit nog zou willen terugkeren. Het was het gebruikelijke geklaag van mensen voor wie niet een dorp of een stad maar de wereld hun huis was geworden, die deze bewoonden, bereisden en ervan genoten met een vanzelfsprekendheid alsof ze daartoe waren voorbestemd, alsof ze er recht op hadden.

Joost hoorde het met stille walging aan, kreeg zelfs even de baldadige aanvechting om het tegen iemand voor zijn geboorteland op te nemen, hoe moeilijk hem dat ook zou zijn gevallen. Het kon toch niet zo zijn dat hij werd gedreven door hetzelfde als het gros van de mensen om hem heen: hebzucht en egoïsme.

Nergens, in geen enkel gezelschap zou hij zich ooit volledig thuis voelen, dacht Joost, terwijl hij een volgend glas wijn van een dienblad griste en het meisje in een zwart jurkje en witkanten schortje omstandig bedankte. «Hé, Joost!» hoorde hij achter zijn rug, en toen hij zich omdraaide keek hij met verbazing in het gezicht van Berend Braverman.

De multimiljonair had een baard laten staan, rond en witgrijs, als die van Karl Marx. Voorts droeg hij een wijdvallend hemd, met een ceintuur van rood glacéleer, als een folklorekozak. Om zijn nek bungelde aan een veter een minuscuul houten orthodox kruisje.

«Hoe gaat ie?» vroeg Berend, terwijl hij een hand op zijn rechterschouder legde en hem met guitige blik aankeek.

«Uitstekend», zei Joost, die meteen vertelde dat die baard hem bijzonder goed stond, dat moest hij zeggen. En van die dagelijkse kwelling voor de wastafelspiegel was hij voortaan in ieder geval verlost.

«O nee, daar vergis je je lelijk in», zei Berend. Hij streek met zijn vrije hand even over zijn voorhoofd, terwijl hij staarde naar een citroenschijfje dat naar de bodem van zijn glas mineraalwater was gezakt. Zo’n baard vergde juist bijzonder veel verzorging. Maar goed, een mens moest in zijn leven op een gegeven moment van een aantal dingen de consequenties nemen. Hij had inmiddels de leeftijd van Abraham bereikt, de tijd ging tikken, het werd zaak de balans op te maken. Jammer dat Joost een paar weken geleden niet op zijn verjaardagsfeest was geweest; het was een heel evenement, met allemaal…

[…]

Waarom probeerde Joost hem toch aldoor te ontwijken? Hij stelde voor om even naar een aparte ruimte te gaan. Hij moest Joost werkelijk hoognodig spreken. Over een belangrijke zaak, over een project. «Kom, we gaan hier rechtsaf, dan lopen we er… Verdomme, Joost, zag je dat?» riep Berend ineens geschokt uit. Hij draaide zijn hoofd om en wees op de rug van een butler die met een dienblad de menigte tegemoet liep waarvan hij en Joost zich zojuist hadden losgemaakt. «Zwarte kaviaar op toast! Hoe kan een mens dat in deze tijden nog met goed fatsoen serveren?» De laatste beloegasteuren in de Kaspische Zee waren bijna uitgestorven. Als hij het voor het zeggen had, als hij…

[…]

«Joost», begon Berend op serieuze toon, zijn vraag negerend, terwijl hij de deur van het zaaltje zorgvuldig sloot. Hij stapte krakend naar de marmeren schouw en bleef daar wat draaien, het glas bronwater met het schijfje citroen nog steeds in zijn handen. «In hoeverre kan ik je vertrouwen?» Hij keek hem vorsend aan, en vroeg met lage stem: «In hoeverre ben je begaan met de zaak?»

«De zaak?» Joost betreurde het dat hij zijn wijnglas had achtergelaten in de balzaal, vanwaar een walsje, dat het huisorkestje van zes violen vrolijk had ingezet, tot hier doordrong.

«Laat ik er geen doekjes om winden.» Berend begon met kittige militaire pasjes onder de schim van een kroonluchter te ijsberen, en nu pas viel het Joost op: hij droeg laarzen van stevig versleten leer, als een Russische boer. «Ik zal eerlijk zijn: ik ben over jou getipt. Ik zeg niet door wie, maar je kent hem: een figuur uit de wereld van de kunst, uit het Nederlandse intellectuele leven. Deze heeft me bezworen dat het met jou goed zit. Ik wil je werven, ik wil je aan boord hebben, begrijp je? Letterlijk, op een gegeven moment. Maar daarover zal ik het zo direct allemaal met je hebben…»

«Waar héb je het in godsnaam over?» bracht Joost uit. Berend was gaga geworden. Hij keek snel op zijn horloge. Straks zou de receptie afgelopen zijn zonder dat hij de consul had gesproken.

«Heel goed: in gódsnaam», zei Berend toen, terwijl hij een vinger in de lucht stak en een soort pirouette maakte, waarna hij eindelijk tegenover Joost plaatsnam, met zijn korte benen pedant over elkaar. Hij keek hem met zijn waterblauwe jongensogen opnieuw vragend aan.

«Tolstoj», sprak hij toen. Had Joost de werken van Tolstoj wel eens gelezen?

«Tolstoj?» herhaalde hij suffig.

«Ja, Tolstoj», zei Berend weer. Hij nam toch aan dat hij hem had bestudeerd, als student slavistiek en economie, als beginnend schrijver, en bovendien…

Zozo, Berend had zich goed in zijn biogra½e verdiept. Maar Joost begreep er nog steeds geen snars van. Tolstoj? Wilde onze zakentycoon het hier soms met hem over de klassieke Russische literatuur hebben? Oké, maar dan misschien wat later. Hij moest nu werkelijk hoognodig de consul spreken, vanwege… Trouwens, hoe was het met zijn vrouw, vroeg Joost opnieuw, zonder dat hij eigenlijk wist waarom.

Berend bleef een paar seconden stil. Aan de wijze waarop zijn blik donker werd en zijn lippen in zijn baard wegzakten, zag Joost dat hij een blunder had gemaakt.

«Ze wil van me af», hakkelde Berend toen. Hij staarde naar het glas in zijn bevende handen. «Ze wil verdomme van me af, hoor je, Joost? Ze wil van me scheiden…» Hij begon stilletjes te snikken. «Ach, ze begrijpt me niet. De wereld gaat naar de knoppen. Ons vaderland is in gevaar. Ik ben al vijftig en wil nu eindelijk eens iets voor de medemens doen, begrijp je? Ja, nu het nog kan. Nu mijn hart nog tikt, de blaasbalg van mijn longen nog functioneert en het bloed nog door mijn aderen stroomt. Heb je Mijn biecht van Tolstoj ooit gelezen? Ik voel een drang in mij, Joost, een kracht… Blijf alsjeblieft even… Dan zal ik je alles vertellen…»

Was Berend Braverman soms gek geworden? Dat hij in een diepe geestelijke crisis verkeerde was zeker. Maar tegelijkertijd was Joost jaloers op hem, omdat alles in Berends leven — zijn politiek actieve jeugd, zijn huwelijk, zijn kinderen, zijn adembenemende successen hier in Rusland als zakenman — volgens een plan leek te verlopen, volgens een systeem waarin ook deze stap op de een of ander manier paste.

Berend was sinds een paar maanden bekeerd tot de leer van Tolstoj. Niet van Tolstoj de geniale romancier, zondaar en ijdeltuit, maar van de Tolstoj op leeftijd die afschaffing van alle bezit predikte, onthouding van tabak, alcohol, seks en…

«Seks ook?»

«Ja, seks ook», had Berend aarzelend geantwoord. «Nou ja, in zekere zin…» Ieder kind was toch een potentiële milieuterrorist, goed voor bergen vuile luiers, tientallen auto’s die hij in zijn leven zou verslijten, waarmee de laatste restjes olie en frisse lucht op deze aardbol werden verbruikt? Hij had ooit de bioloog Midas Dekkers daarover iets aardigs horen zeggen. Maar toen was het niet tot hem doorgedrongen. Vier kinderen had hij verwekt, vier! Kinderen die hij had opgevoed om op dezelfde hypocriete manier voort te gaan als hij, om…

«Luister je wel, Joost?»

«Ja ja, natuurlijk. Ik luister…»

Berend stond met een sprongetje op, maakte een rondje door het zaaltje, ging weer zitten en hervatte zijn betoog. Toen hij een halfjaar geleden voor het eerst Mijn biecht van Tolstoj las, was er een rilling door hem heen gegaan. Wat zei hij? Een hele oceaan van rillingen. Ieder woord, iedere zin, iedere alinea uit dat kleine, maar geniale boekje was hem uit het hart gegrepen. Tolstoj schreef daarin genadeloos eerlijk over zichzelf, over zijn ijdelheden, de aanvankelijke zucht naar macht en roem, zijn drang naar geld en vrouwen. En de leegte die hij op een gegeven moment voelde, de sensatie van de smerigheid en het bedrog in deze wereld, de hypocrisie… En dat alles gold ook voor hem! Hij had het licht gezien, werd van blind ziend, binnen het bestek van een fractie van een seconde, als na een wonderbaarlijke gebeurtenis in de bijbel. Kende Joost de bijbel? O, wat een geluk. Hij was het boek pas de afgelopen maanden grondig gaan bestuderen. Het bevatte leerzame en prachtige verhalen. Hij had zijn leven verspild, galmde Berend als een dominee, hoeveel tijd restte hem nog? O, wat moest hij doen? Hij had alles in zijn leven, dat wil zeggen: hij had gedácht dat hij alles had. Maar toen hij op zijn vijftigste verjaardag tijdens een diner aan zijn vrouw en zijn vrienden zijn besluit kenbaar had gemaakt, had iedereen hem ineens aangekeken alsof hij melaats was. En hij had gedacht: heb ik eigenlijk wel vrienden? En hield Annelies wel echt van hem? Berend keek Joost opnieuw aan, en vroeg toen: «Begrijp je me nu?»

«Nee», zei Joost.

«Ik wil afstand doen van al mijn bezit», legde Berend toen uit. Hij slaakte een diepe zucht van verlichting. «Ja, ik wil het geld dat ik hier in Rusland heb verdiend aan de mensen teruggeven. Maar Annelies is woedend. Ze is de dag na mijn verjaardag met de kinderen naar ons landgoed in Limburg vertrokken. Sindsdien communiceren we alleen nog maar via onze advocaten. Ik schaam me dat ik dat gigantische huis een paar jaar geleden heb gekocht, terwijl ik toch altijd openlijk de socialistische leer heb aangehangen. Daar komt het denk ik door. Ja, dáár komt het door…»

«Wat?» vroeg Joost, die met zijn armen over elkaar in de clubfauteuil alle beweging en dramatiek die zich voor zijn ogen ontrolde bekeek alsof hij op de eerste rang in de schouwburg zat.

«De recente tragedie die ons land heeft verscheurd», legde Berend uit. «De opkomst van die Kale Dandy, alle heisa op dit moment in Nederland. Wij, de zogenaamde progressieven en intellectuelen, hebben met z’n allen jarenlang geofferd op het altaar van een godheid waarin we zelf al lang niet meer geloofden. De elite was collectief hypocriet. Ja, ja, kijk niet zo vreemd, ik wéét waarover ik spreek. Ik heb vrienden, lieden met invloed en aanzien die ’s morgens vroeg artikelen tikten voor chique bladen, stukken waarin werd bepleit dat we gebroederlijk — wit, bruin en zwart — samen dienden te leven. Maar zodra ze het stuk klaar hadden wisten ze niet hoe gauw ze hun eigen lieve kind met de auto, desnoods twintig kilometer verderop, naar de beste blanke school moesten brengen. Ik weet het, Joost, het waren mijn vrienden. Ja, en ik was net zo, al ligt het hier in Rusland, zoals je weet, natuurlijk weer anders. Wat is er? Wat zeg je?»

«Ik zeg helemaal niks», zei Joost, verbijsterd over het feit dat deze man die een paar maanden geleden nog miljoenendeals tussen Cyprus en de Nederlandse Antillen had bekokstoofd, nu ineens leek veranderd in een soort heilige. De vroeger zo kalme Berend gesticuleerde hevig, terwijl zijn ogen als kooltjes achter zijn brillenglazen glommen, als woedde er in zijn hoofd een vuur.

«Maar ja», hernam Berend toen, ½loso½sch voor zich uit kijkend. «Het volk heeft de elite ontmaskerd, en wat doet men nu? De elite legt de schuld van alles neer bij datzelfde volk. Hun wordt een lachspiegel voorgehouden: zie eens hoe dom en lelijk jullie eigenlijk zijn. Zo gaat het altijd. En½n, dat hoef ik jou niet te vertellen, want ik heb jouw Weeklacht uit de onderbuik gelezen. En ik begreep het destijds meteen: hij is er een van ons. Een rups, een vlinder, een mol, maar hij ís er een van ons. (…)»

«Nou, doe je mee of niet?»

«Waarmee?» vroeg Joost.

«Pogen het vaderland te redden natuurlijk!» Berend leek enigszins geïrriteerd vanwege Joosts zwakke begrip. Het was tijd voor het ware socialisme, de hypocrisie voorbij. Jede Konsequenz führt zum Teufel. Maar intussen was het zonneklaar dat dit systeem fout liep. Groei, groei en nog eens groei. Een kind kon nagaan dat dat vroeg of laat ontspoorde. De hele boel stond op knallen. En intussen leed de medemens. «Weet je hoeveel zwervers ik hier, op weg van de metro naar de ambassade, heb geteld? Zesentwintig! Stakkers die niets te eten hebben, noch een dak boven hun hoofd; verstoken van liefde en een toekomst.

Maar in Holland is het niet anders. Alleen gaat daar de armoede schuil onder een laagje vernis. En ik ben toevallig Hollander. Daar ligt mijn taak, daar ligt mijn plicht, dat ben ik nu pas gaan begrijpen, in mijn vijftigste levensjaar…» Dus hij deed mee?

[…]

Het plan dat Berend even later in een hoekje van de balzaal aan Joost ontvouwde, was te bizar voor woorden. Met een zeppelin, een luchtschip dat hij twee maanden geleden speciaal had laten ontwerpen en waaraan op dit moment in een hangar in het stadje Svinigorod de laatste hand werd gelegd, wilde hij van Moskou naar Amsterdam varen. Zo noemde hij dat: varen. Met aan boord vijftigduizend exemplaren van de Nederlandse vertaling van Tolstojs Mijn biecht, boekjes met papaverrode kaft, die hij boven het centrum van Amsterdam wilde uitwerpen. Aldus zou de Dam in een soort Rode Plein veranderen en daarmee zou het ware socialisme letterlijk over het land worden uitgestort.

Als daad, als stellingname, begreep Joost?

Onder het luchtschip kwam een gondel te hangen die van een toilet, een douche, een eettafel, panoramaruiten en een paar slaapplaatsen was voorzien. De capsule was uitgerust met de laatste communicatie- en navigatiesnufjes, uitgedokterd door twee technici uit Sterrenstadje, het trainingscentrum voor kosmonauten vlak bij Moskou. Na het dumpen van het ruimtestation Mir waren zij werkeloos geworden.

De symbiose van het heden met het verleden — het verleden, waarvan de jeugd geen enkel benul meer had — die had de toekomst. Deze manier van vervoer was schoon, comfortabel, geluidsarm en zou binnen een paar jaar alsnog de aarde gaan veroveren. Hij brandde van verlangen om de zeppelin, zodra deze klaar was, aan Joost te laten zien.

De actie stond gepland voor de eerste week van december. Wist Joost dat zo’n luchtschip tegenwoordig makkelijk een snelheid van honderdvijftig kilometer per uur kon bereiken? Met een gunstige wind was je van Rusland binnen vijftien uur in Nederland, terwijl je een boekje kon lezen, een kaartje leggen of rustig nadenken over de wereld. Natuurlijk zou Berend zelf meevaren, alsmede twee piloten, verder een stelletje Russen, Menno Sikkelberg en ook de ambassadeur had hij gevraagd, een man met…

«De ambassadeur?» zei Joost verbaasd. Maar die was toch benoemd door Hare Majesteit de Koningin persoonlijk? En wat die Menno Sikkelberg betrof, die schreef toch voor dat ultrarechtse Volksblad, die kon toch niet…

«Je begrijpt het niet.» Berend viel hem hoofdschuddend in de rede. «Of hopelijk nóg niet. De wereld is veranderd, althans Nederland is veranderd.» De oude zuilen zouden, als in een bijbelse ½lm, spoedig ineenstorten en men zou geleidelijk terugkeren naar de bases van alle ethiek. Een andere houding zou op den duur uitlopen op een catastrofe. Tolstoj schreef op het eind van zijn leven dat het hem bij de kunst, de mens en dus ook bij de maatschappij om drie dingen ging: wat heeft iemand te zeggen, doet hij dat goed, en is het geloofwaardig?

«Op geloofwaardigheid komt het aan, Joost. Als we ons dat niet realiseren en met die oude kakkerlakken in onze koppen blijven rondstappen, dan kan het nog eens raar lopen…»

«Hoezo?» vroeg Joost opnieuw.

«Omdat ik een wereld voorsta — waarvoor ik desnoods wil strijden — waarin de discrepantie tussen woord en daad niet meer zal bestaan. Niet meer mag bestaan. Voor hypocrisie is geen plaats meer…» Was het Joost, om een voorbeeld te geven, nooit opgevallen dat lieden die altijd openlijk tegen Amerika te hoop liepen, ondertussen hun vakantie het liefst in dat vermaledijde land doorbrachten? Wat hij zei: hypocriet.

Maar misschien had de maatschappij juist wel behoefte aan een ¾inke portie hypocrisie, dacht Joost. Misschien was hypocrisie juist wel een superieur teken van beschaving. Stel dat iedereen in die toekomstige heilstaat van Berend alles meteen moest opbiechten. Dat je vreemd was gegaan bijvoorbeeld. Of dat je dacht dat iemand een regelrechte idioot was, maar dat je dat toch niet uitsprak, uit hoofde van de beschaving en de lieve vrede.