Een hondehart

Nadat Masson, vooral bekend door een schandaal rond het Freud Archief waarvan hij directeur was, met psychotherapie was opgehouden, begon hij met een onderzoek naar het gevoelsleven van wilde dieren, waarover hij schreef in Wanneer olifanten huilen. Het prettige aan het vervolg daarop, ‘over het gevoelsleven van honden’, is dat hij geen freudiaanse dierenpsychologie bedrijft. Als hij zich op theorieën beroept, zijn het de bevindingen van mensen die dagelijks met honden omgaan. Masson schafte zelf pas honden aan, maar dan ook meteen drie, toen hij over dit boek begon na te denken.

Dogs Never Lie About Love luidt de oorspronkelijke titel. Voor die stelling had hij al Homerus kunnen aanhalen - hij doet het niet. Wat Poseidon ook met Odysseus uithaalde, de zeegod wist hem nooit tot huilen te brengen; het enige wezen dat de held tranen ontlokte was de schurftige hond Argos toen deze hem als enige bij terugkeer op Ithaca herkende. Maar Masson heeft wel een mooi krantebericht uit de vorige eeuw over een jongeman die in een roeiboot op de Seine vergeefse pogingen doet een hond te verzuipen. Wanneer de man op een gegeven moment zelf in het water valt, springt de hond hem na en sleurt zijn kwelgeest naar de oever. Het is een van de vele voorbeelden die de slotzin van Massons boek geloofwaardig moeten maken: ‘Want de hond houdt oprecht van ons, soms boven verwachting, grenzeloos veel, meer dan we verdienen, en meer zelfs dan we van onszelf houden.’ Al veel eerder komt Masson tot de conclusie dat honden veel meer voelen dan hij - ze ruiken en horen ook vele malen meer - én dat hun gevoel zuiverder en intenser is: 'een hond is altijd rechtstreeks verbonden met zijn gevoel’. Dat hij soms zijn verstand niet gebruikt, komt misschien alleen maar doordat hij te veel olfactorische prikkels moet verwerken. Zonder zich veel aan te willen trekken van het verbod op antropomorfisme, dat volgens hem de functie heeft elke wetenschappelijke discussie over gevoelens bij dieren af te weren, kent Masson de hond behalve (door traumatische ervaringen ingegeven) agressie allerlei emoties toe die gewoonlijk aan de mens worden voorbehouden, zoals eenzaamheid, verdriet, depressiviteit, vernedering, maar ook humor, medeleven en vooral liefde. Zo is liefde, eerder dan instinct, een verklaring voor de zogeheten hondetrouw en het absolute oriëntatiegevoel waardoor ze over grote afstanden een bepaalde persoon terugvinden. 'Een van de grote mysteries van de natuur is dat honden ons opgenomen hebben in hun wereld’, zegt Masson, die bescheiden vaststelt dat hij van die andere wereld bar weinig begrijpt terwijl de hond zich in beide werelden thuisvoelt. Als oudste en wellicht enig echt gedomesticeerd dier heeft de hond veel van zijn wolve-aard verloren, anderzijds heeft hij (Masson zegt dan altijd 'zij’) er de nodige nieuwe eigenschappen mee verworven waardoor hij met de mens kan leven. Zie bijvoorbeeld de voordelen van wat bij mensen een afwijking is, neotenie, kinderlijke kenmerken bij een volwassene: door z'n baas als plaatsvervangende ouder te zien is de kwispelende viervoeter van alle verantwoordelijkheid verlost en mag hij z'n hele leven spelen. Het zijn aardige verhalen die Masson vertelt of navertelt; af en toe wat sentimentaliteit en moralisme zij hem daarom vergeven.