President George W. Bush

Een hoofd dat spreekt

De Amerikaanse president George W. Bush is niet meer dan een hoofd dat de toespraken uitspreekt die zijn tekstschrijvers voor hem in elkaar hebben gezet. Zij zijn de Cicero’s van deze tijd.

«Bloedzuiger! Adder! Travestiet!» Aan het woord is een presidentskandidaat in Mexico. Het onderwerp: zijn naaste tegenstander. «Hij is geen man, maar een mietje!» De repliek: «Idioot» en: «Vriend van de drugsmaffia». Zuid-Amerikaanse politici dragen het hart op de tong. Wat men over elkaars moeder dacht, wordt hier maar in het midden gelaten.

Ook Noord-Amerikaanse politici laten er in verkiezingstijd doorgaans geen gras over groeien. Ross Perot over Dan Quale:

An empty suit that goes to funerals en plays golf.

George W. Bush in zijn «acceptance speech»:
He (Al Gore) now leads the party of Franklin Delano Roosevelt. But the only thing he has to offer is fear itself.

In de eerste eeuw na Christus maakt Apuleius — weliswaar geen wereldleider, maar wel een briljant spreker — het in een rede voor de rechtbank nog iets bonter. Hij zegt over de aanklager:

Vermoedelijk heb je liever dat ik spreek over je mismaakt gezicht en niets zeg over je karakter, dat nog heel wat misvormder is. Dat zit zo. Afgezien van het feit dat ik geen ruziezoeker ben, wist ik tot voor kort (en tot volle tevredenheid!) niets over jouw doen en laten. Eigenlijk is dat nog altijd zo. Dat komt doordat jij door je boerenwerk niet opvalt, terwijl ik mij bezighoud met studies.

Ook al worden aanvallen op de persoon of het karakter van een tegenstander tegenwoordig in intellectuele kringen als not done beschouwd, in de Zuid- en Noord-Amerikaanse verkiezingscampagnes is het argumentum ad hominem een geaccepteerd middel om een electoraal voordeeltje te behalen. Hier ligt een duidelijke link met de Oudheid, waarin immers ook het ethos van een spreker van groot belang was.

Maar is George W. Bush de Cicero van onze tijd? Is het mogelijk om een lijn te trekken van de klassieke retorica naar de moderne multimediacampagnes van Amerikaanse presidentskandidaten? De vergelijking lijkt niet al te ver gezocht: de Verenigde Staten van Amerika aan de ene kant en de rijken van Rome en Athene aan de andere. Beide machtige staten zwaaien, of zwaaiden, de scepter over een groot gebied, beide zijn, of waren, cultureel zeer invloedrijk en in beide speelt, of speelde, persoonlijk leiderschap een grote rol.

Weinig Amerikaanse presidenten zullen er bovendien bezwaar tegen hebben om vergeleken te worden met leiders uit de klassieke Oudheid. Op Nero en Caligula na hebben alle voormannen van de Ouden immers een zweem van onaantastbare grootsheid over zich en worden zij veelvuldig aangehaald als voorbeelden van moreel leiderschap. Zo Caesar, Solon en Alexander de Grote ooit fouten maakten zijn deze inmiddels vergeten, zodat een beeld ontstaat waarvan hedendaagse leiders als Clinton en Bush alleen maar kunnen dromen.

Binnen de klassieke kijk op retorica worden toespraken onderverdeeld in drie soorten: gerechtelijke toespraken (genus iudiciale), politieke toespraken (genus deliberativum) en lof- en schimpredes (genus demonstrativum). Amerikaanse presidenten houden zich niet aan deze categorieën. De schuld daarvan ligt bij de veranderde maatschappelijke context. Maar er zijn ook overeenkomsten, als de reeds genoemde aandacht voor het persoonlijk leiderschap: een krachtige voorman, die zowel politiek als militair opperhoofd is. De behoefte aan een sterke man brengt krach tige, weinig genuanceerde taal met zich mee, hier te lande slechts bekend van CNN en het Journaal. De meeste auteurs van klassieke retoricahandboeken onderscheiden een drietal overtuigingsmiddelen: logos (argumenten), pathos (emoties) en ethos (het aanzien van een persoon; lees: beeldvorming). Het aangeraden gebruik van deze middelen hangt samen met de klassieke indeling van redevoeringen. Aan het begin van een toespraak moet het publiek of de jury van een rechtbank gunstig worden gestemd voor wat komen gaat. Het opwekken van positieve emoties kan hierbij helpen. Ook moet het ethos van de spreker worden opgevijzeld: het publiek moet hem gaan vertrouwen. Dit wordt bij Bush:

As governor, I’ve made difficult decisions, and stood by them under pressure. I’ve been where the buck stops — in business and in government. I’ve been a chief executive who sets an agenda, sets big goals, and rallies people to believe and achieve them.

De feitelijke argumentatie vindt in een klassieke redevoering plaats in de argumentatio, die doorgaans wordt voorafgegaan door een narratio (uiteenzetting) en een partitio, waarin duidelijk wordt hoe de retor zijn verhaal heeft ingedeeld. In het slot van de redevoering (peroratio) wordt opnieuw aangeraden om op het gevoel in te spelen. Na een samenvatting (recapitulatio) is het vooral bij gerechtelijke toespraken, maar ook in politieke redevoeringen goed om via een laatste uitspatting medelijden of sympathie op te wekken. Bush:

Finally, a leader upholds the dignity and honor of his office. In my administration, we will ask not only what is legal, but also what is right — not just what the lawyers allow, but what the public deserves.

Evenals in de Oudheid zijn in de praktijk van het Amerikaanse politieke debat — zeker in verkiezingstijd — aanvallen op het ethos van de tegenstander schering en inslag. Zie hier bijvoorbeeld John F. Kennedy in 1960 over Richard Nixon:

We know that it will not be easy to campaign against a man who has spoken or voted on every known side of every known issue. Mr. Nixon may feel it is his turn now, after the New Deal and the Fair Deal — but before he deals, someone had better cut the cards.

Het hoeft niet al te veel verbazing te wekken dat een land dat zichzelf zo georganiseerd heeft dat degene die aan de top van de bestuurlijke piramide staat relatief veel macht heeft, meer aandacht heeft voor de eigenschappen en het karakter van die persoon dan een land waarbij de macht is uitgesmeerd over een grotere groep mensen. Dit lijkt ook tamelijk verstandig. Een gek in het Witte Huis kan nu eenmaal meer schade aanrichten dan een zot in het torentje aan de Hofvijver.

De betrouwbaarheid van de man aan de rode knop is van cruciaal belang. Aanvallen op het ethos van een presidentskandidaat kunnen dus voor tegenstanders een effectieve manier zijn om in een verkiezingsstrijd een voordeel te behalen. Niet voor niets wordt vaak beweerd dat Al Gore de afgelopen verkiezingsstrijd heeft verloren omdat hij niet heeft kunnen loskomen van de weliswaar populaire maar niet erg betrouwbaar geachte Clinton. Bush speelde daarop in:

My opponent’s campaign is a fitting close to the Clinton/Gore years. They are going out as they came in: Their guide, the nightly polls. Their goal, the morning headlines. Their legacy, the fruitless search for a legacy.

De politieke situatie in Amerika heeft er zeker toe geleid dat er met name op scholen meer aandacht is voor retorica dan in bijvoorbeeld Nederland. Een tweepartijenstelsel, waarbij de verkiezingen van gouverneurs en presidenten erg belangrijk zijn, leidt door de verscherpte tegenstellingen tot heftige debatten. Zonder de mogelijkheid tot coalities, en met maar één tegenstander, loont het de opponent te bestempelen als de directe afgezant van het Kwaad, die te vuur en te zwaard moet worden bestreden.

Ondanks de aandacht in het Amerikaanse onderwijs voor debatteren, kun je niet zeggen dat George W. Bush een klassiek geschoold redenaar is. In de eerste plaats omdat het twijfelachtig is of Bush überhaupt ergens goed in thuis is — hij is immers de eerste om zich als generalist te bestempelen —, in de tweede plaats omdat hij zelf geen van zijn toespraken schrijft. De tekstschrijvers van Bush zijn daarentegen doorgaans wel geschoolde deskundigen. Je zou hen, met enige moeite, de opvolgers van de klassieke redenaars kunnen noemen. Bush zelf is in veel gevallen niet meer dan een hoofd dat spreekt — en een hoofd dat dit effectief doet. Revolutionair is dat niet: al in de vijfde eeuw voor Christus schreef de Griek Lysias redevoeringen die door anderen met succes werden uitgesproken.

De klassieke retorica en de multimediacampagnes van Amerikaanse presidenten hebben nog een andere overeenkomst: klassieke theoretici stelden dat iemand die zich bezighoudt met de studie van de retorica een zogenaamde vir bonus is en dat hij daarom een verstandiger mens is dan menig ander. Amerikaanse presidentskandidaten stellen zichzelf maar al te graag voor als een zogenaamde good man. Geholpen door de steun van God, gezin en vaderland streven zij ernaar het goede te doen. Wie naar het goede streeft, heeft kennelijk betere argumenten in huis.