Esther Jansma, Alles is nieuw

Een hoofd vol kluiten

Esther Jansma

Alles is nieuw

De Arbeiderspers, 59 blz., e 14,95

Zes jaar geleden publiceerde Esther Jansma de dichtbundel Dakruiters. Dat was de bundel na Hier is de tijd, waarmee ze in 1999 de vsb-poëzieprijs had gewonnen. In Dakruiters stonden veel semi-diepzinnige ideetjes, vond ik. Om maar wat te noemen: «In al haar onderdelen is een roos/ roos, in ieder blad is zij volledig». Triviaal ideetje, leek me, om niet te zeggen: namaakmystiek. In ieder geval was het niet wat ik zocht in gedichten.
Dit jaar was Esther Jansma wederom genomineerd voor de vsb-poëzieprijs, met haar bundel Alles is nieuw. In de toch al mooie reeks «Niet morsen maar schenken» staat een geweldig gedicht dat Wederopstanding heet.

Grijszwart is alles, het regent, iemand is dood

en dood en wel weer gaan leven, wil angstig een kuil uit

moet en zal omhoog naar de rand waar ik sta.

Zoveel dood manipuleren kan geen mens.

Hij beweegt alsof hij uit elkaar valt.

Wortels, kluiten, alles kan hem verwonden

en wat stukgaat en niet leeft, raakt nooit meer heel

dus hij zal het verliezen van zijn wil en zijn angst

en ik, die niets doen kan dan toezien, zal hem weer

verliezen, hem niet kunnen helpen, verliezen.

Hij huilt en beweegt zich, hij is weer geboren

maar ’s nachts nu, maar dood nu, alleen in de aarde

klimt en valt hij in de donkere steilte

de o van ontzetting die mijn hoofd is.

Iedere poëzielezer weet onderhand dat Jansma twee kinderen heeft verloren, maar in dit gedicht staat niet dat het over een kind gaat: «iemand» is dood. Omdat die biografische kennis toch meespeelt en er elders in de bundel wel degelijk sprake is van een overleden kind, versmelten in Wederopstanding het dode kind en de dode «iemand». Het klinkt opeens alsof het kind in het graf is opgegroeid – een vreselijk beeld.

«Iemand» komt niet zomaar tot leven. Hij wil het graf uit, is waarschijnlijk bang dat hij voor eeuwig begraven blijft. Maar het lukt niet. De aarde om hem heen, vol wortels en kluiten, hindert hem, verwondt hem, verzwakt hem weer, werpt hem terug het graf in. Uit alle macht probeert de dode boven de rand uit te komen, maar hij valt in de donkere steilte, het hoofd van de ik-persoon.

Misschien zit dat hoofd ook vol kluiten en wortels. Het omsluit hem althans net zoals het echte graf. «Zoveel dood manipuleren kan geen mens», ook de dichteres niet. Ook in haar gedachten is hij dood en komt uiteindelijk niet echt tot leven. Je zou daarom zelfs kunnen lezen dat «iemand» uit dat hoofd van de ik-figuur wil ontsnappen.

Dit gedicht is zo krachtig, zo intens en wanhopig, dat ik Jansma’s werk opnieuw moest gaan lezen. Wat zag ik over het hoofd wanneer ik dacht dat er alleen maar sprake was van semi-diepzinnig gemijmer?

Want zulk gemijmer tref je regelmatig bij haar aan. Ze schrijft bijvoorbeeld: «Het was laat en het ging over de waarheid./ Essenties vind je in het kleinste, meest gewone/ zei iemand, zelfs een aardappel heeft zwaartekracht». Het is op het eerste gezicht allemaal zo abstract. Geleuter over essenties heb ik te vaak gehoord om er nog van onder de indruk te raken en natuurlijk heeft een aardappel zwaartekracht, nou en?

Het gedicht Wederopstanding bewijst dat ze een goede dichteres is, dus waarschijnlijk is er meer aan de hand en gaat het haar niet om de ideetjes. Misschien wil ze vooral een beeld oproepen van iemand wiens denktrant vruchteloos blijft.

In dat gedicht staat bijvoorbeeld ook: «alles// verandert nu eenmaal, de thermodynamica stelt/ dat chaos de regel is, alles beweegt/ voortdurend van gaaf naar voor altijd kapot». Een goede dichter zal niet proberen om stoer te doen met een woord als «thermodynamica». Jansma gaat er vast vanuit dat de lezer wel weet wat de tweede wet van de thermodynamica inhoudt. Ze wil ons niet verrassen met het idee dat chaos de regel is, ze wil dat we het herkennen. Iedereen heeft wel eens zulke ideeën, zoals ook iedereen wel eens beseft dat alles zwaartekracht heeft. Het gedicht eindigt dan ook laconiek:

dus ik heb niets moedigs gedaan, ik heb alleen

zojuist in het donker van de kast die mijn hoofd is

getast naar het vermeende eeuwige vanzelf

van vandaag gekochte knollen en daar dacht ik iets bij

wat ik nooit eerder bij precies datzelfde dacht.

Ze heeft «iets» al wel eerder gedacht, maar toevallig niet bij knollen. Het is kennelijk niet eens de moeite waard om die gedachte op te schrijven. Zo gaat dat met getob over eeuwige zaken.

Jansma schrijft elders in de bundel: «de kern van beschaving/ is niet morsen maar schenken», wat een zin is die klassiek zou moeten worden, zoals «een nieuwe lente, een nieuw geluid» en «tussen droom en daad». Je zou kunnen zeggen dat de ik-persoon hierboven aan het morsen is met haar denkvermogen: vluchtige opmerkingen over de thermodynamica kun je geen schenken noemen. De vraag is dan: wat maakt haar aan het tobben? We moeten ernaar gissen.

Hoe meer ik het lees, hoe beklemmender het wordt. Misschien ben ik haar gepeins aan het óverinterpreteren. Dat zou jammer zijn. Hoe dan ook, ik moet Dakruiters eens herlezen.