Een hoofdrol voor de armen

Lange jurken dragen ze, de drie dansers in Antilichaam, de nieuwe voorstelling van de Vlaamse choreograaf Marc Vanrunxt. Jurken die strak om het bovenlichaam zitten, maar boven de heupen uitwaaieren in een lange rok. Het onderlichaam van de dansers wordt daardoor aan het gezicht onttrokken, de benen lijken nauwelijks een rol te spelen bij het bewegen. De armen zijn bloot tot op de schouders. Armen zijn eigenlijk het belangrijkste in het werk van Vanrunxt. Alle bewegingen lijken vanuit de bovenrug te beginnen, en in de vingertoppen te eindigen. De rest van het lichaam dient voornamelijk om richting te geven aan die armen.

Vanrunxt houdt dat uitgangspunt al zo'n tien jaar lang vast. Het resultaat is een heldere, heel herkenbare stijl, die nauw verbonden is met het lichaam van de choreograaf zelf. Als je andere dansers zijn bewegingen ziet doen, roept dat onmiddellijk het beeld op van de lange Vanrunxt. En als hij - zoals in Antilichaam - samen met andere dansers op het podium staat, gaat je blik onwillekeurig steeds naar hem. Vanrunxt voert niet alleen die bewegingen uit, hij valt op het podium samen met die bewegingen.
In Antilichaam danst Vanrunxt samen met Annamirel van der Pluijm en met Eric Raves. Namen die de herinnering oproepen aan de eerste produkties van Vanrunxt, en aan het vroege theaterwerk van Jan Fabre, waar zij alledrie aan meewerkten. Je zou die verbondenheid met de naam van Fabre als het drama kunnen zien van Vanrunxt. Begin jaren tachtig werd hij met Anne Teresa De Keersmaeker naast Fabre geplaatst, als een van de vertegenwoordigers van de Vlaamse Golf. Een rauw, fysiek (dans)theater dat als een vernieuwende impuls in Nederland werd binnengehaald. Tien jaar later zijn Fabre en De Keersmaeker internationale grootheden geworden. Marc Vanrunxt maakt nog altijd kleine produkties en speelt in kleine zalen voor een klein publiek. Om hem kunnen de dansprogrammeurs heen, omdat zijn werk kwetsbaar is, omdat Vanrunxt zich blootgeeft als een onzekere zoeker, omdat zijn voorstellingen ongemakkelijk balanceren op het randje van schoonheid en smakeloosheid.
Maar Vanrunxt is altijd dicht bij zichzelf gebleven. Hij heeft zijn eigen spoor getrokken, al bracht zijn verregaande affiniteit met marginale cultfiguren hem in de marge van het theater. Toch verdient hij het om vergeleken te worden met Fabre en De Keersmaeker, omdat hij net als zij consequent gewerkt heeft aan een eigen stem, een eigen stijl, een eigen universum. Dat zie je duidelijk in Antilichaam, dat een eigen taal heeft waarin echo’s weerklinken van al het vroegere werk van Vanrunxt.
Antilichaam zal het beter doen bij de programmeurs omdat het een krachtige voorstelling is. Sterker dan de solo’s die Vanrunxt de laatste jaren maakte, sterker ook dan de groepsstukken die hij maakte voor dansers van vaak wisselende kwaliteit. Nu staat Vanrunxt op het podium met twee gelijkgestemde geesten, met twee persoonlijkheden (beide onafhankelijke podiumkunstenaars) die zijn bewegingsstijl met trots uitdragen. Antilichaam is ook krachtig omdat Vanrunxt meer dan tevoren in zijn choreografie aansluiting zoekt bij grootse, klassieke muziekstukken.
De vorm van de voorstelling is dwingend, zowel in de compositie als in het toneelbeeld. Eerst is er het ingetogen deel op Hindemiths Trauermusik, waarbij de dansers op het podium gevangen zijn in verticale lichtbanen die hun gezichten verduisteren en hun lange armbewegingen accentueren. Deel twee is lichter, vrolijk bijna, maar net zo abstract als deel een. De dansers verven hun armen met respectievelijk rode, gele en blauwe verf, en betreden om beurten een lichtvlak op de vloer met de verhoudingen van Barnett Newmans schilderij Who is afraid of red, yellow and blue. En in het derde deel verbindt Vanrunxt het gevecht met elementaire kleuren met de kitsch van Dalida, de overleden zangeres door wie hij zich al eerder liet inspireren. Ordinair staan de dansers te playbacken. Vanrunxt wint natuurlijk de prijs voor de meest perfecte imitatie, en bewijst daarmee opnieuw dat er voor hem geen verschil bestaat tussen hoge en lage kunst.