MARCEL MÖRING, LOUTERINGSBERG

Een hoopvolle depressie

Marcel Möring, Louteringsberg, € 19,90

Na het lezen van zijn nieuwste roman Louteringsberg kun je je afvragen of Marcel Möring niet het liefst A.F.Th. van der Heijden zou willen zijn - met de belofte van een overkoepelende plot houdt hij de lezer jarenlang aan zich gebonden, terwijl hij zich autobiografisch leeg laat lopen, alle thema’s, alle personages, alle obsessies uit zijn boeken hergebruikt, in een nieuw licht zet, met elkaar verstrengelt en zo zijn eigen boeken tot een monolithisch totaal werk schrijft.

Medium 9789023441434

Bij A.F.Th. wordt die ambitie van tevoren medegedeeld, hij kondigde aan hoeveel delen zijn Tandeloze tijd-cyclus zou tellen. Möring doet dat niet. Het was weliswaar bekend dat Louteringsberg als deel twee zou gelden van de trilogie die met Dis (2006) begon, nu blijkt In Babylon (1997) ineens als voorstudie te dienen. Zo'n schrijverschap vergt een buitenproportioneel besef van oeuvre, dat, zoals het cliché wil, alleen zo sterk is als de zwakste keten.
Hoe past Louteringsberg in die keten? Net als in Het grote verlangen (1992) is er een hoofdpersoon die zich amper iets van zijn jeugd herinnert, net als in In Babylon zijn een volwassen man een klein meisje op elkaar aangewezen in een van de buitenwereld afgesloten landhuis, net als in Dis barst het van de expliciete en impliciete verwijzingen naar de klassieke literatuur, en net als in al zijn andere romans zijn er zwervende joden, einzelgängers die niet weten waar ze zich thuis moeten voelen.

In dit boek is ‘thuis’ de berg in kwestie, een beboste heuvel ('Vergeet niet dat wij Hollanders dit een berg noemen’) ergens in een uithoek van Nederland, waar schrijver Marcus Kolpa met zijn jonge dochter woont, net buiten armbereik van de moderne wereld. Het is een zelfverkozen ballingschap. Na het mysterieuze verdwijnen van zijn vrouw Chaja (haar vader, Jakob Noach, was de hoofdpersoon van Dis) publiceerde Kolpa niet zomaar een bestseller, maar 'de natte droom van een joods boek’, met honderdduizenden verkochte exemplaren en vertalingen over de hele wereld. Van Kolpa hoeft het niet zo nodig meer, hij vertrouwt zijn eigen succes niet, heeft geen ambitie voor een vervolgboek. Hij is onbeschaamd indolent: 'Ik had het opgegeven, omdat ik mijn vooruitgangsgeloof was verloren.’ Dochter Rebecca, of Becky, kunstenares in spe, is de nuchtere van het stel. Als ze door de bossen rond de 'berg’ wandelen weet zij de weg, zij kent de bomen, de sluippaadjes, hij heeft aan een kaart nog niet genoeg. 'Ik besefte dat, waar zij naar de wereld om zich heen had gekeken, ik alleen oog had gehad voor de representatie daarvan, in de vorm van de topografische kaart.’ De scènes tussen vader en dochter zijn misschien de mooiste van het boek, ze hebben iets simpels, iets vanzelfsprekend intiems, hoe de twee op elkaar reageren, hoe ze zonder dat het expliciet gezegd wordt op elkaar lijken en elkaar op afstand vasthouden.

Pas als Rebecca vertrekt naar een Londense kunstacademie komt zijn leven, ongevraagd, in beweging. Eerst overlijdt zijn moeder (het type Israëlische dat Philip Roth raak 'a suntanned little endurer’ noemde) en komt hij erachter dat ze in haar nieuwe thuisland niet alleen verzwegen heeft dat ze een zoon had, maar ook dat ze een enorm geldbedrag heeft geërfd van een onduidelijke bron. Het zet hem op de zoektocht naar zijn echte vader, naar wie hij, raar maar waar, nooit heeft gevraagd - zijn vader is In Babylon te vinden. En in deze nostalgie stelt hij zich ook voor het eerst de vraag wat er toch met Chaja gebeurd zou zijn, die onder meer dan verdachte omstandigheden (ontploffende warenhuizen, weggesluisd geld, links terrorisme) verdween. Kolpa herinnert zich veel, maar twijfelt aan alles en zoekt antwoorden bij oude vrienden.

Louteringsberg gaat over een man die zichzelf en zijn weggedachte verleden onder ogen moet komen. Grote vragen dus, die opvallend kalm, tam, worden gesteld. In tegenstelling tot Dis, dat van idiosyncrasie naar taalgrap sprong, heeft de roman een nauwelijks waarneembare stijl en barst het van de repetitie; een eindeloze stoet obers komt voorbij die kopjes koffie, glazen wijn, grappa en wodka met ijs brengen, de slanke kuiten van huishoudster mevrouw Sanders worden hoofdstuk na hoofdstuk nagestaard (sowieso een bijfiguur die veel speeltijd krijgt en uiteindelijk van geen enkel belang lijkt), er zijn talloze wandelingen door het bos en telefoontjes met dochterlief en eigenlijk heel veel scènes waarvan je je afvraagt waarom ze er in godsnaam staan. Het gekke is dat Louteringsberg tegelijkertijd buitengewoon aangenaam leest en, mij tenminste, nergens verveelde. Vakbekwaam springt Möring door de tijd heen en terug, creëert een web waarin de belevenis en de herinnering van een belevenis elkaar verdrukken in je hoofd, als een landschap en de topografische kaart van het landschap. Maar bovenal heeft het alles met de toon te maken - noem het een montere melancholie, een hoopvolle depressie - en het ritme waarmee Kolpa denkt (en Möring schrijft): het kabbelt maar ondervraagt, het twijfelt maar werkt uiteindelijk naar de juiste vragen toe. Hoe kom je los uit een isolement, wanneer houd je op een balling te zijn?

Op Kolpa’s autobiografische vraagtekens krijg je als lezer keurig een oplossing voorgezet, wat mij weer bij de vraag bracht: heb je echt altijd alle antwoorden nodig? Louteringsberg houdt op als de antwoorden zojuist zijn gegeven en Kolpa uit zijn eigen celibaat stapt, de boezem van een veel jongere vrouw in. Good for him, maar waarom zijn de gegeven antwoorden, die het geluk op geen enkele manier dichterbij brengen maar juist weer nieuwe trauma’s opleveren, nu juist Kolpa’s loutering? Na meer dan vijfhonderd bladzijden ontwijkt Möring die psychologische vraag, die in feite het fundament van de hele roman vormt. Wachten op deel drie dus.