Over de (vermeende) ondergang van de redacteur

Een hopeloze spagaat

De literair redacteur moet alles kunnen, tot en met zielverzorging van zijn auteurs. Tegelijkertijd worden steeds meer taken door anderen opgeëist. In een tijd waar marketing het boekenvak domineert, is de redacteur in een lastige positie beland.

Medium literaire redacteur

HET WAS OP EEN dinsdagavond in De Rode Hoed te Amsterdam. Tijdschriftredacteuren spraken over het belang van het literaire tijdschrift en sloegen elkaar daarbij voortdurend op de schouders. Op een gegeven moment zei een van hen: ‘Ik merk dat de redacteuren op de uitgeverij zelf nauwelijks meer aan het inhoudelijk begeleiden van hun auteurs, het redigeren, toekomen. Die functie hebben wij overgenomen.’ Naast me stond Alfred Schaffer, dichter en acquirerend redacteur van De Bezige Bij. 'Nee hè’, zei hij, 'daar gaan we weer.’
Ik begreep wat hij bedoelde. De laatste jaren las je deze klacht steeds vaker in de kranten, juryrapporten van literaire prijzen en zelfs beleidsnota’s van de Taalunie: de redacteur is geen redacteur meer. Hij heeft geen tijd meer voor de inhoudelijke begeleiding van zijn auteurs, redigeert niet meer zelf, maar besteedt dat werk uit aan freelancers. In 2004 verscheen er zelfs een heel boek over, Zij zijn niet van Jeremia, geschreven door Marc Kregting, een schrijver/dichter die zich op een kwade dag plotseling terugvond als acquirerend redacteur van J.M. Meulenhoff, dat zich toen in een crisis bevond. Na twee jaar nam hij gedesillusioneerd ontslag en stelde zijn ervaringen op vermakelijke wijze op schrift: 'De redacteur plukt sinds jaar en dag uit een freelancersbestand verpleegkundigen die het vuile werk doen. (…) Het resultaat van deze arbeid belandt bij de bureauredacteur, het hart van een uitgeverij. De redacteur probeert “stukjes” mee te lezen, “diagonaal”, zoals beleidsstukken schijnen te worden doorgenomen. (…) Doorleefd, laat staan doordacht hebben ze echter niets. Goed redigeren valt te vergelijken met verantwoord autorijden: men moet pauzes nemen, omdat de concentratie verflauwt. Daarom is het beter dat de redacteur zich verlaat op bevindingen van anderen. Hij is dan talking head jegens de auteur.’
Toegegeven, ik moest af en toe best lachen toen ik het las, maar ik dacht ook voortdurend dat hij het erom deed, dat het een grote grap was. In die tijd werkte ik zelf bij Nijgh & Van Ditmar en ik kon me niet voorstellen dat er werkelijk collega’s waren die zo weinig eer in hun werk stelden, de kern van hun beroep - het redigeren - negeerden ten koste van een frivole buitenkant. Maar een bescheiden trend leek geboren: sinds de verschijning van de Bekentenissen van Kregting belde eens in de zoveel tijd een journalist met de vraag of hij mocht komen praten over 'het vak’. Tijdens het gesprek werd meestal al snel duidelijk dat hij er eigenlijk op uit was om een bekentenis af te dwingen: redigeren deed ik niet meer, geen tijd, geen zin, geen expertise, kortom: ik deed maar wat. En zoals dat gaat, men praat elkaar voortdurend na, met als resultaat dat je zelfs tijdens een debat over het voortbestaan van literaire tijdschriften te horen krijgt dat je je vak niet serieus neemt. Dat deed en doe ik wel, en met mij vele collega’s, zoals uit het onderstaande moge blijken. Tegelijkertijd denk ik dat het altijd al veeleisende beroep van (literair) redacteur zwaar onder druk is komen te staan, en dat het de afgelopen jaren steeds lastiger wordt de kerntaken uit te voeren.

ZOALS LISA KUITERT schrijft in haar boek Over redactie is het beroep van de redacteur nog niet zo oud. In de eerste decennia van de vorige eeuw werden vertrouwelingen van de auteur betaald voor bescheiden redactionele diensten, het waren een soort privé-redacteuren. Grote uitgeverijen als De Bezige Bij, Querido en Van Oorschot hadden helemaal geen redacteuren in dienst, zetfouten werden er op de zetterij even uitgehaald en dat was het wel zo'n beetje. Kuitert schrijft: 'Vanaf eind jaren zestig treden redacteuren aan, zoals Gerrit Komrij en Martin Ros bij De Arbeiderspers, Tilly Hermans en Wouter Donath Tieges bij Meulenhoff en Oscar Timmers en Alice Toledo bij De Bezige Bij. Het ging om een nieuw soort functie, waarvan de contouren niet helemaal vastlagen.’
Er bestonden tot voor kort nog geen opleidingen voor, de meeste redacteuren leerden het in de praktijk. Zelf liep ik zes maanden stage bij Prometheus/Bert Bakker, waarvan ik de eerste voornamelijk besteedde aan het indraaien van nieuwe lampen, koffiezetten en het ophalen/wegbrengen van video’s, maatpakken en oude Chesterfields in de nieuwe Alfa van de eigenaar terwijl ik krap twee weken mijn rijbewijs had. Maar ik leerde er verder in korte tijd de basis van het redacteursvak. Ik redigeerde er mijn eerste teksten, schreef mijn eerste aanbiedings- en flapteksten, beoordeelde ongevraagde manuscripten, beleefde boekpresentaties en was aanwezig bij mijn eerste redactievergadering - ik stond op een laddertje de boekenkast in de directiekamer af te stoffen, maar toch.
Sinds enkele jaren bestaat er aan de Universiteit van Amsterdam wel een major-opleiding tot redacteur, geleid door de al eerder genoemde Lisa Kuitert. Peter Nijssen, sinds vijftien jaar werkzaam als (hoofd)redacteur en uitgever bij De Arbeiderspers: 'Ik vind zo'n opleiding een goede zaak, je krijgt een aantal handvatten om het vak enigszins onder de knie te krijgen. Je leert werken met praktische zaken als de correctietekens, bespreekt wekelijks recensies en opiniestukken om te zien wat er in het vak aan de hand is, en krijgt gastcolleges van mensen uit het vak. Het is een goeie stap naar de uitgeverij toe.’ Anderen zijn van mening dat de opleiding op z'n hoogst een soort theorie-examen is, maar dat je er geen redacteur wordt, dat kun je slechts in de praktijk leren. Maar of je nu een externe of interne opleiding volgt, zodra je als redacteur bij een uitgeverij begint leer je dat het vak niet louter bestaat uit het lezen en redigeren van manuscripten, en dat je geacht wordt 24 uur per dag, zeven dagen per week met je vak bezig te zijn. Nijssen: 'Vanaf het allereerste begin was het meteen keihard werken, na een paar maanden was ik al half doodgeslagen. Je kunt geen gas terugnemen omdat je jezelf ook wilt bewijzen. Je verkeert in een voortdurende staat van alertheid, die grenst aan paniek. Je moet dat ook wel hebben, want anders ben je te relaxt en je kunt niet relaxt zijn in dit vak.’ Want dat een redacteur niet de hele dag een manuscript zit te lezen, wachtend op een telefoontje van een veelbelovende debutant die zich aanbiedt, is duidelijk. Sander Blom, 25 jaar werkzaam in het boekenvak waarvan de laatste twee als senior-redacteur bij Contact: 'Toen ik begon zat ik op een middag in mijn kamer een manuscript te lezen. Toen de uitgever langsliep vroeg hij: “Wat doe jij nou?” “Ik lees een manuscript”, antwoordde ik. “Doe dat maar thuis, daar heb je hier helemaal geen tijd voor.”’ Maar wat doet een redacteur dan de hele dag? De verteller van de roman-in-sonnetten Bittergarnituur van Arthur Wevers is redacteur bij een Amsterdamse uitgeverij. Hij verwoordt het zo:

'Redacteur is overigens helemaal
geen goeie baan. Ik doe het nu een jaar,
en eigenlijk is het, alles bij elkaar,
gewoon een slecht betaalde klotebaan.
Het beroep van redacteur stelt niets voor.
Als redacteur verdoe je je bestaan
Met het doen van dingen op een kantoor
Zoals vergaderen, feiten checken,
Het voeren van zinloze gesprekken,
Mailtjes sturen, facturen paraferen,
Aanbiedingsteksten schrijven, kopiëren,
Het regelen van auteursbezoeken
En het beantwoorden van de telefoon:
Alles bij elkaar ben je dus gewoon
Een kantoorklerk die iets doet met boeken.’

HET IS EEN geestige voorstelling van zaken die niet eens zo heel ver van de waarheid verwijderd is, maar uiteraard genuanceerd kan worden. Er wordt inderdaad veel tijd besteed aan vergaderen, aanbiedingsteksten schrijven en andere 'echte kantoordingen’, maar nog altijd beschouwen de meeste redacteuren het redigeren, het beter maken van een boek als het belangrijkste aspect van hun vak. Peter Nijssen: 'Als ik dat niet meer zou kunnen doen, dan zou ik niet meer weten wie ik ben’, en Sander Blom spreekt zelfs van 'een heilige opdracht’, wat alleen maar wil zegen dat hij net als alle goede redacteuren de literatuur volstrekt serieus neemt en simpelweg belangrijk acht. Wat doet een goede redacteur nu echt? Sander Blom: 'Hij moet aanvoelen wat een auteur met zijn manuscript wil en bekijken of die dat op de meest efficiënte manier doet. Thomas Mann zegt dat een schrijver iemand is voor wie schrijven moeilijker is dan voor andere mensen. Dat komt omdat ze zich concentreren op iets anders, namelijk de betekenis van de tekst en het overbrengen van hun intenties met die tekst. Het middel waarmee ze dat doen, het schrijven, daar letten ze vaak niet meer op.’ Als je in de loop der jaren meer ervaring krijgt leer je steeds sneller en scherper de tekortkomingen van een tekst te zien, de eigenaardigheden, zwakheden en angsten van een auteur te zien en onderkennen, zodat je uiteindelijk het best mogelijke boek maakt. Nijssen: 'Je moet waarde toevoegen aan een manuscript, dat is het allerbelangrijkste. Daarnaast moet je dat zien in de context van een oeuvre, dat je langzaam probeert op te bouwen.’ Tijdens dit proces maakt de redacteur zich ondergeschikt aan de tekst en de auteur, of zoals Blom het zegt: 'Het is een soort bestemming om in de coulissen te staan en andere mensen te laten schitteren.’ Auteurs verwachten dat ook van 'hun’ redacteur, en het is dan ook zaak om de dienstbaarheid niet in onderdanigheid te laten omslaan. Nijssen: 'Ik kan me redelijk dienstbaar opstellen, maar ik cijfer mezelf niet weg. Ik wil niet het gevoel hebben dat ik een verkapte zorgfunctie heb; ik vergeet ook gerust alle verjaardagen, zo attent ben ik niet.’ Marscha Holman, sinds een jaar redacteur bij Prometheus/Bert Bakker, onderkent daarnaast het gevaar van het sociale aspect van haar beroep: 'Ik merk dat ik nog maar weinig tijd over heb voor mijn eigen sociale leven. Eigenlijk moet er altijd wel wat gelezen of geredigeerd worden. En je hebt continu het gevoel dat je een briljante auteur misloopt als je niet alle bladen bijhoudt. Het heeft ook wel iets verslavends om zo veel met dit werk bezig te zijn. Dat gevoel moet je denk ik ook wel hebben, anders houd je het nooit vol.’
Om een goede redacteur te zijn heb je een zekere intimiteit met de auteur nodig, om zo langzaam maar zeker verder tot de auteur door te dringen en te raken aan de kern van wat een auteur met zijn werk wil. Bovendien vertrouwt een auteur jou iets heel persoonlijks toe: zijn boek. Dat die intimiteit betekent dat je soms op de meest onmogelijke momenten de auteur te woord moet staan, en af en toe ook bijstand moet verlenen in tijden van een relationele crisis of bij ziekte en sterfte in de familie van de auteur, is te overzien. Maar het kan erg ver gaan, zoals blijkt uit verhalen van redacteuren die door een auteur gebeld worden met de mededeling dat ze op het punt staan zich van het leven te beroven. Het beroep kent wat dat betreft een zekere overlapping met de psychiatrie; ook een redacteur moet zichzelf voortdurend opsplitsen, in soms wel twintig of dertig stukjes, zich elke keer opnieuw verplaatsen in de persoon en zijn werk, om daar steeds het best mogelijke uit te halen. De eisen van de auteur aan zijn redacteur zijn de laatste jaren veranderd. Worden er naast het inhoudelijke werk grote sociale eisen aan de redacteur gesteld, tegenwoordig is hij in toenemende mate (mede)verantwoordelijk voor andere zaken, zoals marketing en pr. Nijssen: 'Het vak is veranderd, marketing speelt een steeds grotere rol. Je moet zichtbaar zijn, in de aandachtstroom komen. Daar spreken ze ook mij op aan.’ Een boek, laat staan een oeuvre, kan tegenwoordig niet meer zomaar in het wilde weg bloeien, en dat heeft het takenpakket van de moderne redacteur aanzienlijk veranderd. De redacteur is steeds meer een aanspreekpunt voor zijn auteur geworden voor allerlei zaken die voorheen exclusief bij andere afdelingen van een uitgeverij lagen: publiciteit, marketing, verkoop - de redacteur wordt geacht over al deze zaken mee te denken, voorstellen te doen, kortom alles en iedereen van een constante voeding te voorzien. Toch nuanceert Sander Blom dit: 'Het hangt er maar helemaal vanaf hoe sterk die afdelingen zijn: als ze goed op de hoogte zijn en goed op elkaar ingespeeld, hoef je je daar als redacteur helemaal niet zoveel mee te bemoeien.’
Maar langzaam rijst een beeld op van de redacteur dat de meeste van hen niet willen zijn: dat van de project- of accountmanager. Je hoorde deze term in relatie tot de redacteur enkele jaren geleden voor het eerst, en door het steeds diffusere takenpakket lijkt hij steeds passender. Het boek en zijn maker worden een 'product’ en dat moet de redacteur in samenwerking met de andere afdelingen van de uitgeverij 'vermarkten’. Nog steeds wordt er binnen deze nieuwe rol van de redacteur verwacht dat hij het boek inhoudelijk begeleidt en beter maakt, maar dan vooral in de avonduren en in het weekend. De meeste redacteuren zijn hier ook toe bereid, maar dan komt het volgende probleem in zicht: de boekhandel.
Die is over het algemeen - enkele uitzonderingen dus daargelaten - werkelijk niet geïnteresseerd in de inhoud van het boek. De laatste jaren zijn de aanbiedingsteksten in de brochures van uitgeverijen geminimaliseerd ten koste van het beeld: omslag van het boek en nog veel belangrijker: de auteursfoto. Inkopers van boekhandels willen tijdens aanbiedingsgesprekken ook helemaal niet weten waar een boek over gaat, ze kijken vooral naar het omslag. Als dat maar goed is, is de kans op succes het grootst. Met andere woorden: voor de boekhandel hoeft een redacteur het ook niet te doen.
Ziet de redacteur aan de ene kant steeds meer extra taken op zijn bord terug die hem afhouden van zijn eigenlijke werk, aan de andere kant eigenen andere afdelingen zich steeds meer van zijn taken toe. Het is tegenwoordig volstrekt normaal dat de marketing- en verkoopafdeling van een uitgeverij mede het fonds bepaalt, die taak is al lang niet meer exclusief voorbehouden aan uitgever en redactie. Sterker nog, (hoofd)redacteuren hebben steeds minder te vertellen omdat er nu veeleer in managementteams uitgeefbeslissingen worden genomen. In die omstandigheden komt het ook vaak voor dat de redacteur de auteur tegen zijn eigen uitgever moet verdedigen. Omdat de verkoopresultaten tegenvallen of de aandacht in de pers te gering is geweest, is men tegenwoordig sneller geneigd om zich af te vragen of men een volgend boek van zo'n auteur wel moet uitgeven. Het argument van de redacteur - 'Omdat ik mijn ziel en zaligheid aan deze auteur en dit oeuvre heb gegeven’ - is helaas niet meer voldoende. De redacteur bevindt zich dan ook regelmatig in een hopeloze spagaat tussen de uitgeverij (zijn broodheer) en de auteur, aan wie hij zich verbonden heeft.

DE AFNEMENDE invloed van de redacteur is in Nederland al enkele jaren geleden geconstateerd, en lijkt de ontwikkelingen die zich sinds het begin van de jaren negentig in Engeland en Amerika voltrokken te volgen. In die landen vertrokken redacteuren en uitgevers bij hun uitgeverijen omdat ze niet meer wilden werken met de absurde (rendements)eisen die werden gesteld, of werden ontslagen omdat hun resultaten tegenvielen. In veel gevallen begonnen ze kleine, onafhankelijke en literaire uitgeverijen die het over het algemeen uitstekend doen.
De laatste jaren zijn er dus verschillende krachten werkzaam die het werk van de redacteur enorm beïnvloeden. Aan de ene kant is er de toegenomen macht van de media die ervoor zorgt dat de auteur niet alleen inhoudelijke eisen stelt, maar ook op het gebied van pr en marketing veel van zijn redacteur vraagt. Hij moet zich kortom met veel meer dan met de inhoud alleen bezighouden. Mocht hij dan nog steeds de tijd en ruimte vinden om die taak uit te oefenen, dan wordt hij vervolgens geconfronteerd met het feit dat de meeste boekhandelaren de inhoud minder belangrijk vinden dan de verpakking. Dit feit heeft er weer voor gezorgd dat de pr-, marketing- en verkoopafdeling op hun beurt weer taken 'afsnoepen’ van de redacteur: zij houden zich in toenemende mate bezig met fondsvorming, iets wat vroeger exclusief was voorbehouden aan de uitgever en de redacteuren. Een vierde kracht ondervindt de redacteur nu ook persoonlijk van de eerder genoemde media: die verlangen ondanks alle nieuwe ontwikkelingen dat hij zich voor honderd procent wijdt aan de inhoud; doet hij dat niet, dan is de journalist of juryvoorzitter meer dan bereid dat breed uit te meten in de pers.
De vraag zou niet moeten zijn of er nog wel goed wordt geredigeerd in Nederland, maar eerder deze: is er eigenlijk nog wel ruimte voor een (literair) redacteur, of is het vak ondanks zijn jeugdige leeftijd straks ten dode opgeschreven? Door de gesprekken die ik voor dit stuk voerde met Nijssen, Blom en Holman en gedurende de afgelopen jaren met vele anderen in het vak, waarin hun enthousiasme en liefde voor hun werk zo duidelijk naar voren kwam, denk ik in ieder geval dat er altijd voldoende mensen zullen zijn die dit veeleisende beroep met veel integerheid zullen uitoefenen. Wat dat betreft hebben de critici en juryleden pertinent ongelijk, maar het lijkt erop dat ze hun beroepseer tegen de stroom in hooghouden. Ze blijven welhaast ondanks alle andere eisen die worden gesteld, proberen om iets aan de aan hen toevertrouwde manuscripten toe te voegen, ze beter te maken. Hoe lang hier vanuit 'de markt’ behoefte aan is, zullen we zien. Hun werk zal bij de grotere concerns allicht minder courant worden, die zullen zich steeds meer toeleggen op het 'bredere’ boek voor een groot publiek. Ze zien in toenemende mate dat het publiek niet bijzonder geïnteresseerd is in het literaire boek, terwijl er wel omzet gedraaid moet worden, die in het geval van de concernuitgeverijen, of welke uitgeverij met aandeelhouders dan ook, door diezelfde aandeelhouders wordt vastgesteld.
In dat verband is het aardig om te kijken naar het aandeel noteringen in de CPNB-top 100 van de uitgeverijen van de Weekblad Pers Groep, die met De Bezige Bij, De Arbeiderspers en Querido toch een sterk literair karakter heeft. Zij hadden de afgelopen jaren over het algemeen 25 titels in die lijst staan, en nu ook. Maar met dit verschil dat dat het laatste jaar vooral op het conto van uitgeverij Bruna was te schrijven, die per 1 januari van het vorig jaar door de WPG is overgenomen. Had de WPG dat niet gedaan, dan zou hun aanwezigheid in de top gedecimeerd zijn. Misschien zullen we net als in Amerika de geboorte zien van meer kleine, onafhankelijke uitgeverijen die zich toeleggen op het literaire boek en daartoe genoegen nemen met kleinere rendementen, omdat niemand ze vertelt dat dat rendement hoger moet zijn, en ze dus geen boeken hoeven uit te geven die ze helemaal niet willen uitgeven, althans hun redacteuren niet. Minder boeken maken met minder mensen, in ieder geval met veel minder grote marketingafdelingen dan tegenwoordig, zodat de redacteur weer lucht krijgt. Die kleine uitgeverijen zouden een vluchthaven kunnen zijn voor de redigerende redacteur; er zijn er in ieder geval nog genoeg.