Rozalie Hirs Gestamelde werken

Een huidrots van water

in knokkels steken dolkjes steeds van brandende

lariksnaalden weer rood verspringende vossen waar

bereklauw groeit langs bleke berkenbast bijen zoeven

de maan zijn fratsen zien oogdiertjes springende nachtegaal

dan eet ik slaapbessen glibberige kikkerbillen huppen

in krullende beek tussen sparren het handschrift en

schellen van zee golvend geluksarm waar witbeeks wolgras

botten van schermgras beuken op een heuvel bakens

in de verte schepen verstaan tot spiegelen aan toe

Rozalie Hirs, Gestamelde werken, € 18,95

Wie van enige afstand naar een impressionistisch schilderij kijkt, ondergaat een explosie van kleur die desondanks te duiden valt als weergave van de werkelijkheid. De schilder heeft een methode van versplintering gehanteerd om de indruk van een totaal te creëren. Wanneer je het doek van dichtbij bestudeert, neem je nog slechts vlekjes waar, losse elementen waarvan je je niet kunt voorstellen dat ze tot een coherent geheel behoren. Het is een merkwaardige paradox dat het zoveel techniek vereist om de natuur te kunnen benaderen.

Rozalie Hirs (1965), productief componist met een wetenschappelijke achtergrond in de chemie, is als dichter een impressionist die graag laat zien hoe ze te werk is gegaan. In plaats van splinters te laten opgaan in een natuurlijk geheel breekt ze gehelen af tot fonkelende scherven. Wat resteert is vaak gestamel, maar niet dat van een wanhopige dichter die het onzegbare niet weet te verwoorden. Hirs probeert eerder vrolijk en opgewekt het zegbare in factoren te ontbinden. Haar poëzie is door en door geconstrueerd, terwijl het uitgangspunt vaak een gorteriaanse zintuiglijke ervaring is. Ze schrijft sensitieve verzen die op eigenzinnige wijze een verbinding tot stand proberen te brengen tussen romantiek en mathematica.

Een belangrijk motief in Gestamelde werken is het aanbreken van een nieuwe dag, het wakker worden om de ogen te openen voor het licht. In het eerste gedicht trekken de ogen er ’s morgens vroeg als vlinders op uit:

vliegende ogen met verende vleugels lichtengeworpen

op een landkaart getekend in handenvlammend

klaarwakker

_In de volgende regels bloeien klaprozen en korenbloemen op en worden dromen vergeleken met zijderu_psen die een verliefde zon tegemoet gaan. Wat zij spinnen is echter geen zijde, maar taal. Zodra je op het niveau van woorden en woordgroepen probeert te zien wat er nu eigenlijk staat, raak je verdwaald, maar als je het gedicht enkele malen hardop leest, ontstaat er een overtuigend geheel, ‘even een aanraking/ van uitslaande vleugels naar wat is’.

De tweede reeks behelst een intrigerend procédé van onttakeling en herhaalde assemblage. Het materiaal wordt aangeleverd in het openingsgedicht, dat op zichzelf al nauwelijks een coherent geheel is, al biedt het een erotisch geladen tafereel dat zich afspeelt in een Hollands landschap én in de verbeelding van een met woorden spelende dichter. Hirs laat woordgroepen en zinnen zo in elkaar overlopen dat er een meerduidige stroom van taal tot stand komt. Ook hier:

het wil en wil je tegen die boom daar

zien van hoe je stam bloeit in parels

vochtigst zaadbad weg te drinken grasland

in zeven sloten langs het tafelblad tegelijk

onze handen elkaar te grazen trapgat

nemen

Enkele regels verder wordt de mens treffend omschreven als een ‘huidrots van water’. We zijn hard en vloeibaar tegelijk. Hetzelfde geldt voor de gedichten, degelijke constructies die even ongrijpbaar zijn als water. Het in bovenstaande regels opgeroepen beeld wordt eerst in het Nederlands, dan in het Engels stap voor stap uit elkaar gehaald en opnieuw in elkaar gezet:

go drink away a skinrock of us stirred bare inthe palate

go drink away a daredevil stairwell turn thepalate

go grow away a daredevil stairwell turn theyou of seeds

Baarlijke nonsens natuurlijk, maar ondanks de vreemde transformaties behouden de woorden de wonderlijke kracht die ze in de basistekst hadden meegekregen.

Hirs slaagt niet overal. De afdeling ‘Bij toeval en de sterren’ beweegt zich ‘op de grens tussen verbeelding en wetenschap, waar metaforen plaatsmaken voor empirische kennis (en waar kennis nog aandoet als metafoor)’. In feite zijn het twaalf gedichten vol oninteressante weetjes over sterrenbeelden, met quasi-suggestieve verwijzingen naar hun mythische achtergrond:

een matrix met armen en benen waar inseptember

zon en korenbloemen bloeden geboren wordt

het allergrootste melkwegstelsel bolvormig nietplat

De tweede strofe voegt er nog een zwart gat, honderdzestig lichtjaren en een massa van twee tot drie miljoen keer de zon aan toe. Dit is heel slechte poëzie. Gelukkig is de reeks niet representatief voor wat Hirs te melden heeft. Wel typeert ze de werkwijze van een dichter die niet bang is om experimenten aan te gaan. Hirs durft te falen. Vandaag, zegt ze, ‘probeer ik hartgrondig steeds opnieuw/ waar ik steeds zo hartgrondig goed/ naar zoeken moet’. Het zoeken draagt de mislukking in zich, maar dat geeft niet:

een falen tegelijk onmetelijk licht

en handzaam klein genoeg

om mee te kunnen nemen

altijd bij me te dragen

Beckett zei het al: ‘No matter. Try again. Fail again. Fail better.’ De laatste afdeling telt zeven gedichten waarin overweldigende natuurervaringen worden opgeroepen. Licht, takken, bloemen, vogels, duinen en zee buitelen over elkaar heen, maar een vervlechting van Hollandse en mediterrane elementen werkt vervreemdend, evenals de onbepaaldheid van het seizoen. Het is een landschap van woorden. Halverwege de reeks vindt er een mythische ontmoeting plaats, hetgeen misschien niet verwonderlijk is in gedichten die hun vorm aan Dante ontlenen:

luchtige weiden wit versneden kwam ik overlichte heuvelen

de dood tegemoet die deed mijn schoenen aan

door springvorst ben ik weggegaan op blotevoeten

Deze taal is te dartel om zich druk te maken over de dood.


Rozalie Hirs

Gestamelde werken

Querido, 62 blz.,

€ 19,95