Een huis vol stilte

Weinig plaatsen van handeling zijn zo geschikt voor een drama als een oud familiehuis: denk bijvoorbeeld aan Kellendonks Bouwval (1977), Brideshead Castle van Waugh (1945), en recenter het ouderlijk huis van Charlotte Mutsaers in Harnas van hansaplast. In die verhalen is een woning een ophoping van geschiedenis, een ontmoetingsplaats tussen het huiselijke en de buitenwereld, het eigene en het vreemde. Waar families ontstaan en vallen, levens beginnen of elkaar ontgroeien, omringd door de geschiedenissen van voorouders, ligt een goed verhaal altijd op de loer.

Het decor van Houtrot, de debuutroman van Rinske Hillen (1975), is Keizersgracht 268, een kapitaal Amsterdams grachtenpand met ‘dertien kamers en vier wc’s’ en een fundering die op het punt staat te verzakken. De enige bewoner, Bram Wenksterman, bioloog en columnist van middelbare leeftijd, is over dat laatste laconiek: ‘De gepleisterde gevels, de ornamenten, de vers gewassen antieke ruiten, het monumentenglas. Ze lijken rechtop, maar zou je door de deftige omhulsels hun skeletten bekijken, dan hangen ze gezamenlijk, gevel tegen gevel, in een elkaar omlaagtrekkende omhelzing. Zo gaat dat bij huizen, zo gaat dat bij mensen. Natuurwetten.’

Hillens personages komen bijzonder menselijk uit de verf

Zoals die natuurwetten eindeloze continuïteit beschrijven, is het leven van Wenksterman er een van herhaling. Hij bewoont het huis van zijn voorouders, waarvan ieder lid onder een eigen eik in de achtertuin begraven ligt, en leeft sober in de ‘zalvende stilte’. Dan staat zijn dochter Amber plotseling voor de deur. Haar studie filosofie in Cambridge liep op de klippen en ze hoopte in het ouderlijk huis nieuwe richting te vinden. In plaats daarvan stoot ze op de ondoordringbare zwijgzaamheid van haar vader.

En haar moeder? Die zit sinds Ambers tienerjaren in een kliniek, waar ieder familielid een andere verklaring voor heeft: sommigen suggereren depressie, anderen noemen het ‘labiliteit’. Tot haar schrik ontdekt Amber dat haar vader zijn echtgenote nauwelijks meer bezoekt, en dat er zelfs een andere vrouw ten tonele is verschenen: Ella, de jongere nicht van haar moeder, deelt sinds een jaar de kamers en soms zelfs het bed met Wenksterman. Omdat Ambers pogingen tot contact stuklopen op haar stroeve vader, is zij overgeleverd aan zijn twee vrouwen: beurtelings spendeert zij tijd met de sierlijke Ella, die met Amber piano speelt en haar in chique jurken hijst, en moeder Veerle, die langzaam wegkwijnt in de kliniek en droomt van een leven zonder pillen, herenigd met haar man en dochter.

Small persfoto alternatief rinske hillen amaury miller
Rinske Hillen blijft de lezer op het verkeerde been zetten © Amaury Miller

Toch is het niet het vreemdgaan dat de intrige voortbrengt. Amber neemt het haar vader kwalijk, beklaagt zich bij haar moeder, maar bloeit ook op door de energieke aanwezigheid van Ella. Vroeger droomde Amber ervan zangeres te worden, maar de verstikkende zwijgzaamheid van haar familie stond dat niet toe: ‘Stel dat je je jeugd zou mogen samenvatten met één zintuig, dan zou ze kiezen voor haar gehoor. Een geschiedenis van het zwijgen zou ze het noemen.’ De muzikale Ella moedigt haar aan om haar ambities opnieuw na te jagen en helpt met het herontdekken van haar stem. Dat resulteert in mooie scènes, zoals wanneer de twee samen in handstand zangoefeningen doen om Ambers stemvolume te vergroten.

Tussen de afzijdige vader, de zoekende dochter, moeder en minnares rommelt ook nog een geheim: terwijl het huis langzaam verzakt wordt duidelijk dat Amber een tweelingbroer had die onder vreemde omstandigheden is overleden. Bedachtzaam laat Hillen de personages zoeken naar de aard van het trauma dat hen verbindt en het huis al jaren in stilte hult. Doordat Hillen ieder hoofdstuk schrijft vanuit een ander personage, is de opbouw van het verhaal niet te rechtlijnig. Die wisselingen laten de vertelling cirkelen en wegtrekken, waardoor steeds andere delen van de geschiedenis worden belicht; de zoektocht wekt zo blijvend nieuwsgierigheid, en wordt daardoor ook daadwerkelijk spannend.

Soms krijg je wel het gevoel dat Hillen wat te duidelijk sjablonen tegen elkaar uitspeelt: de fel deterministische bioloog, de levenslustige pianiste, de onzekere en zelfhatende moeder – ieder personage lijkt weer een andere levenshouding te symboliseren. Toch brengt Hillen diepte aan door zintuiglijk te schrijven, in te zoomen op het lichaam en de psychologie van haar personages. Haar vertelstijl doet denken aan een interne monoloog, waarin verschillende zinsritmes – nu koortsachtig elliptisch, dan zwierig – langs elkaar lopen, maar voor ieder personage mooi samenkomen in een eigen vertelstem. Dit resulteert in beschrijvend, energiek en helder proza, dat alleen hapert wanneer Hillen te dicht op het psychologische vertellen blijft: met overdadige uitroepen (‘Zeg, hoe lang ging dit college duren?’) boet ze soms wat aan sierlijkheid in.

Wat Houtrot tot een solide debuut maakt is dat Hillen het de lezer tot de laatste pagina niet gemakkelijk maakt. De verschillende gedachtestromen geven vaak informatie die niet op elkaar aansluit, verklaringen die elkaar tegenspreken. Bij Hillen viert subjectiviteit hoogtij, waardoor haar personages bijzonder menselijk uit de verf komen: ze hebben goede en slechte kanten, maar de schrijver voelt gelukkig nooit de noodzaak om eindoordelen te vellen of af te straffen – de lezer is vrij zich in ieder personage in te leven. Dit zorgt, samen met het langzaam ontrafelende familiegeheim, voor een gelaagd emotioneel verhaal, waarin dilemma’s worden opgeworpen die niet altijd pasklaar te beantwoorden zijn. Hillen blijft de lezer op het verkeerde been zetten en weet tegen de ontknoping op indrukwekkende wijze gevoelens van zowel berusting als tragisch medeleven op te wekken. Daarom is het lastig te zeggen of de definitieve, dramatische finale uiteindelijk recht doet aan de bevrijdende subtiliteit die de rest van deze roman zo kenmerkt.