Een hut in kongo

‘KABILA HEEFT zijn laatste krediet bij de bevolking verspeeld. Daarom heeft onze Raad veel steun in Kongo. We hebben ook contacten op het hoogste niveau in de Verenigde Staten, Europa en diverse Afrikaanse landen. Ik kan om redenen van discretie niet zeggen met wie, maar ik zal een voorbeeld van onze invloed geven. Weet u nog dat Kabila op 17 mei jongstleden de verjaardag van zijn machtsovername wilde vieren met een Afrikaanse topconferentie? En dat de genodigden niet kwamen opdagen, zelfs niet zijn oude vrienden Museveni van Oeganda en Bizimungu van Rwanda? Dat was ons werk, voilà. Ik kan u niet alle details vertellen, maar geloof me: binnen een jaar staan wij in Kinshasa.’

Waar of niet, de woorden van kolonel b.d. Willy Mallants (70) komen uit het hart. Hij is een echte noko, een ‘Belgische oom’ die zijn hart heeft verpand aan de voormalige kolonie Kongo/Zaïre. In zijn Brusselse achtertuin haalt hij met smaak anekdoten op.
In 1955 werd hij verbindingsofficier in Kinshasa. Tijdens de muiterij die volgde op de onafhankelijkheid van 1960 werd hij gearresteerd en door een revolutionaire rechtbank ter dood veroordeeld. Toen Belgische para’s het hoofdstedelijke vliegveld bestormden, maakte hij van de verwarring gebruik om te ontsnappen. Enige jaren later keerde hij terug als militair adviseur, eerst onder de Katangese opstandelingenleider Moïse Tshombe en vervolgens bijna dertig jaar onder maarschalk Joseph-Désiré Mobutu. Met de laatste had hij een persoonlijke band, omdat hij korporaal Mobutu nog vóór 1960 had ingewijd in de geheimen van de militaire radio. 'Maar ik was geen huurling’, bezweert Mallants met geheven vinger. 'Ik ben geen Schramme of Tavernier (beruchte Belgische huurlingen - ab) maar een Belgisch militair. Alles wat ik heb gedaan, viel onder de Militaire Coöperatie met Kinshasa. Ik stond in dienst van de Koning.’
Dat zijn loyaliteit aan Mubutu eindig was, bleek in 1996. Opeens dook Mallants, inmiddels gepensioneerd en derhalve vrij man, op in het kamp van Laurent-Désiré Kabila. Naar eigen zeggen heeft Mallants Kabila’s bevrijdingsbeweging zelf opgericht: 'Ik was de geest van de AFDL, de Zaïrezen waren het lichaam. Maar Kabila heeft de beweging overgenomen door middel van een paleisrevolutie.’
En dus begon Mallants weer van voren af aan. Eind mei dit jaar liet hij zich op een persconferentie in Brussel uitroepen tot voorzitter van de Raad van de Federale Democratische Republiek van Kongo. Als enige blanke in het vijftienkoppige gezelschap ontvouwde hij ook het programma. Volgens de Raad kan Kongo alleen voortbestaan als federatie. Een overgangsregering van technocraten, beschermd door een Afrikaanse vredesmacht met internationale ondersteuning, moet die federatie tot stand brengen. Na democratische verkiezingen moeten de regio’s gaan fungeren als een soort vrijhandelszones in samenwerking met buitenlandse investeerders.
De conferentie eindigde in knallende ruzie omdat verschillende journalisten en Kongolese toehoorders de onbaatzuchtigheid van het plan luidruchtig in twijfel trokken. Hun gram gold met name financieel adviseur Robert Stewart, ex-directeur van het Amerikaans-Canadese mijnbedrijf American Mineral Fields (AMF). Hij ontwierp voor de Raad het omstreden federaliseringsplan met bijbehorend investeringsplaatje, het plan-Stewart geheten. Kwade tongen beweren dat Mallants enige tijd bezoldigd vertegenwoordiger van AMF is geweest en dat zijn onenigheid met Kabila is terug te voeren op een ordinaire ruzie om een goudconcessie.
ALLEMAAL misverstanden, zegt de kolonel aan zijn tuintafel: 'Wij ambiëren geen politieke functies. Wij zijn als het ware een raad van wijzen die onder de palaverboom de tegenstellingen verzoent. Uiteraard hebben wij allen belangen in Kongo. Dat is normaal voor wie in dat land heeft geleefd of er familie heeft. Ik bezit inderdaad een rechtmatig verworven goudconcessie die ik apart zet voor mijn kinderen. Maar wij willen juist een einde maken aan de misbruiken en de alleenheerschappij, ook die van de mijnbouwbedrijven. Als De Beers of AMF zich niet onderwerpen aan de wet, worden ze eruitgegooid. In de overgangsregering zal plaats zijn voor iedereen, ook voor Kabila. Maar als het nodig is, zullen wij de militaire optie niet schuwen. Daarvoor hebben we natuurlijk een hutje op Kongolees grondgebied nodig. Zoals Mao zei: eerst verover je een hut, dan tien hutten, daarna een stad, dan tien steden en tenslotte de staat. Welnu, ik mag zeggen dat we sinds kort onze hut in Kongo hebben, al ga ik u niet vertellen waar.’
AFGEZIEN VAN Mallants bestaat de Raad uit 'politieke maagden’, zoals de Zaïrezen zichzelf omschrijven. Tweede man is de Brusselse chirurg Raphaël Amici, die de eerste Belgische harttransplantatie op zijn naam heeft staan. Hij schuift halverwege het gesprek aan.
Amici: 'Wij willen een nieuwe politieke cultuur vestigen door Kongolese intellectuelen te overreden tot remigratie, met medeneming van hun westerse expertise en contacten. Alleen door internationale samenwerking kan het menselijke en natuurlijke potentieel van het land worden ontwikkeld. En dat potentieel is enorm. Kongo kan de ontwikkelingsmotor van de hele regio zijn. Alleen al de waterkrachtcentrale van Inga kan, mits goed gebruikt, heel Centraal-Afrika van energie voorzien. Wij, leden van de Raad, hebben een handvest ondertekend waarin we beloven geen politiek ambt te aanvaarden en enkel naar beste vermogen voor de wederopbouw van Zaïre te werken. En als u weet dat ik premiers en hun gezinsleden heb geopereerd, dat ik contacten over de hele wereld heb en dat mijn mederaadsleden stuk voor stuk vergelijkbare maatschappelijke functies hebben, dan zult u begrijpen dat dat vermogen aanzienlijk is.’ Mallants veert op: 'U ziet, deze mensen zijn zelf het grootste potentieel. Zij vormen socio-intellectuele metissen, die zowel Kongo als het westen kennen. Zij belichamen de Kongolees-westerse maatschap.’
De kolonel benadrukt dat hij hoofdzakelijk is aangezocht als politiek en desnoods militair breekijzer. Als voormalige verbindingsofficier kent hij Kongo als zijn broekzak, inclusief de plaatselijke gewoonten en machtsverhoudingen. Mallants: 'Ik was verantwoordelijk voor alle verbindingen, inclusief die van de generale staf. Ik wist meer dan ieder ander, en ruim van tevoren. Ik heb de staatsgreep van Mobutu zien aankomen, de diverse muiterijen en grensconflicten. Ik heb het systeem-Mobutu zien groeien, de corrupte hofhouding die hij opbouwde en die hem uiteindelijk fataal is geworden. De maarschalk was de gevangene van zijn eigen macht. De tragiek is dat hij het wist. Ik zie hem nog binnenkomen op een stafvergadering, zijn generaals begroetend met de woorden: “En heren kruideniers, hoe lopen de zaken?” Hij verachtte ze, maar hij moest ze gedogen.
Ik stuurde hem altijd zeer vuile nota’s over het gedrag van die lieden. Op een keer nam hij me apart en zei: “Hoe is de Belgische adel ontstaan? Dat waren struikrovers die de koning alleen in het gareel kon krijgen door ze te benoemen tot graven en baronnen. Mag ik alsjeblieft mijn eigen vazallen benoemen?”’
'DE OVERGANGSREGERING zal als eerste de corruptie moeten aanpakken. Dat is de grootste moordenaar in Afrika. Ik heb er in 1971 mijn enige zoon aan verloren. Hij werd vermoord omdat hij een geval van bedrog in de bouw ontdekte. De moordenaar loopt nog altijd vrij rond. En die corruptie is geïntroduceerd door buitenlandse bedrijven. Ook mijn regering heeft veel door de vingers gezien. De Antwerpse bordeelhouders bijvoorbeeld kunnen met hun zwart geld in Kinshasa diamanten kopen en die weer in België invoeren zonder enig attest te moeten overleggen. En le père Foccart (Jacques Foccart, de peetvader van het Franse Afrikabeleid - ab) kocht in zijn beste jaren half Afrika om.
Mobutu reageerde daar weer volkomen overtrokken op met zijn zaïrinisering van het bedrijfsleven. Vanaf 1967 moesten opeens alle buitenlanders het land uit. Volkomen contraproductief, want de economie draaide fantastisch dankzij de investeringen en de aanwezigheid van de buitenlanders, waaronder de Belgen. Maar Mobutu was in de leer geweest bij de pan-afrikanisten, bij Sékou Touré en Kwame Nkrumah. Kabila is van dezelfde generatie. Die mannen hebben aan twee borsten gehangen: enerzijds het pan-afrikanisme, anderzijds de anti-imperialistische retoriek van de USSR, China en Noord-Korea. En ze denken nog steeds zo: Afrika voor de Afrikanen, totaal xenofoob.
Mobutu had ook de nare gewoonte om brand te stichten bij de buren en vervolgens geld te vragen om het vuur te doven. Ik zei: “Op een kwade dag gaan ze tegen U samenzweren.” Dat is nu eenmaal een krijgswet. Toen commandant Franqui eind vorige eeuw na een inval van de Soedanese Mahdisten aan Léopold II vroeg wat hij moest doen, antwoordde de koning: “Mon cher Franqui, une visite, ça se rend.” (“Mijn beste Franqui, een bezoek beantwoordt men met een tegenbezoek.”) Maar Mobutu ging door. Hij destabiliseerde Angola, Soedan, Zambia, Centraal-Afrika en Kongo-Brazzaville. Als toetje mochten de Rwandese Hutu’s zich op zijn grondgebied hergroeperen na de genocide van 1994. Geen wonder dat die landen vervolgens het hunne bijdroegen aan de inval van Kabila.
In mei 1993 heb ik Mobutu voor het laatst gesproken. Hij had me gevraagd om in de westerse hoofdsteden een soort Marshall-plan voor te leggen waarmee Zaïre de overgang naar de democratie kon maken. Ik zweer het: op dat moment was hij oprecht bereid om Zaïre naar de democratie te loodsen. Ik had gesproken met politici en financiers in Brussel, Parijs en elders. Overal luidde het antwoord “nee”. Dat moest ik hem gaan vertellen. We spraken vijf uur achtereen, knie aan knie op het terras van zijn paleis in Gbadolite. Ik was zijn grand frère, een oudere broer in de Bantoe-sociologische zin van het woord: iemand die eerlijk zegt waar het op staat. We wisten allebei dat het afgelopen was. Hij hield mijn hand vast terwijl ik naar mijn auto liep. Ik heb hem bij zijn schouders gepakt - de lijfwacht trok verschrikt zijn pistool - en ik heb gezegd: “Maarschalk, ik kan niets meer voor u doen.”
'VANAF DAT OGENBLIK heb ik contact gezocht met de oppositie, in de eerste plaats met Gaëtan Kakudji, een Katangees wiens vader ik nog heb gekend in 1960. Gaëtan was mijn medewerker bij de oprichting van de AFDL. Alles heb ik hem geleerd. Ik heb hem geholpen zoals een vader zijn zoon helpt, zelfs de hypotheek op zijn huis heb ik afbetaald. De AFDL is in september 1996 opgericht met als leider generaal André Kissasse. Kabila was enkel de woordvoerder, zijn Parti Révolutionaire du Peuple was slechts een splinterpartijtje. Kabila heeft altijd geleefd van de opbrengst van een paar diamantmijnen die aan zijn stam toebehoren. Hij smokkelde de stenen het land uit en Mobutu liet hem begaan. Nu is hij voor minstens veertig procent eigenaar van de Banque du Commerce et du Developpement in Kinshasa, die hij zelf heeft opgericht, samen met een broer van Museveni, enkele Rwandezen en een paar van zijn eigen ministers. Twee journalisten die de zaak in de publiciteit brachten, zitten nu in de gevangenis.
Enfin, tot mijn stomme verbazing kreeg Kabila rond de jaarwisseling ineens de leiding, terwijl Kisasse onder verdachte omstandigheden stierf. Kakudji was enthousiast en zei dat Kabila de juiste man op de juiste plaats was. Toen begreep ik het. Kakudji en Kabila zijn volle neven, ze komen uit hetzelfde dorp en zaten bij elkaar in de klas. Het was een paleisrevolutie.
Daarna begon de uitverkoop van de revolutie. Aanvankelijk moest Kabila niets weten van de Zuid-Afrikaanse diamantfirma De Beers die altijd in Zaïre de dienst heeft uitgemaakt. Tijdens een ontmoeting had hij tegen Nicholas Davenport, de Zaïrese vertegenwoordiger van De Beers, gezegd: “Hoe is het mogelijk dat u naast zoveel rijkdom zoveel armoede hebt geschapen?” Davenport gaf de schuld aan Mobutu, waarop Kabila repliceerde: “Maar u was zijn medeplichtige. Wij zullen uw monopolie breken.”
Onze tactiek was om de mijnbouwbedrijven tegen elkaar uit te spelen. Ik heb in Lumumbashi de 35 grootste bankiers van de wereld bij elkaar gebracht om ze de kans te geven hun financieringsplannen voor Zaïre te presenteren - een unicum in de Afrikaanse geschiedenis. Maar ze hebben de grootste stommiteiten uitgehaald die je in Afrika kunt uithalen. Ze wisten niets van Kongo. Ze zonden een legertje Amerikaanse, Britse en Zuid-Afrikaanse advocaten om te onderhandelen - in het Engels! Ik heb tegen ze gezegd: “Jullie zijn cowboys. Jullie denken met je lasso even een paar negers te vangen, maar jullie zullen in het zand bijten.” En het duurde niet lang of ze lagen met hun smoel in het zand.
Kabila heeft alleen een concessie in het vooruitzicht gesteld aan AMF, waarvoor hij een flink handgeld opstreek zodat hij zijn opmars kon voortzetten, maar het contract is nooit bekrachtigd. Uiteindelijk is De Beers toch nog met de winst gaan strijken dankzij Kakudji, die tegenwoordig superminister van alles en nog wat is.
In maart 1997 is Kakudji naar Brussel gekomen, hij heeft hier vier dagen in een luxueus hotel gelogeerd en in de champagne gezwommen, en toen was het contract rond. AMF raakte zijn concessie kwijt en dreigde begin dit jaar zelfs met een rechtszaak, maar vorige week hebben De Beers en AMF een consortium gevormd voor heel Kongo. En Kabila heeft dat consortium op televisie aangekondigd als de redding voor het land. Tja, met een cheque voor ogen zie je niet meer helder.’
'HET SYSTEEM-MOBUTU leeft dus voort onder een nieuwe noemer. Ik geloof niet dat de CIA erachter zit en dat Kabila met Amerikaanse militaire steun de macht heeft veroverd. Die steun had hij niet nodig. Er is tijdens de opmars maar drie keer gevochten. De eerste keer tegen de Zuid-Afrikaanse huurlingen, maar toen waren het Oegandese soldaten die de klus klaarden. De tweede keer tegen Mobutu’s veteranen, het Bataillon Léopard. En de derde keer tegen twee wanhopige bataljons die ingesloten zaten.
Kabila is naar de macht gegleden op de ontevredenheid van het volk, als een surfer op de golven. Dat gemak wreekt zich nu. Hij drinkt te veel, is onberekenbaar. Hij spreekt met je af om vijf uur en om kwart voor vijf stapt hij in een vliegtuig en weg is-ie. En dat flikt hij ook met staatshoofden. Amerikaanse gezanten laat hij dagenlang voor gek op het vliegveld staan. Laatst toen hij uit Zwitserland terugvloog, zou hij een tussenstop maken bij Moebarak van Egypte. Moerabak wacht nog altijd.
Het is duidelijk dat Kabila niet geschikt is om het land te leiden. Maar wij willen hem in eerste instantie niet met geweld verjagen. Wij streven naar nationale verzoening en beëindiging van de alleenheerschappij. Het is een mythe dat democratie niet thuishoort in Afrika.
Ik was eens op inspectiereis met Mobutu. Hij zei: “Die dorpjes zijn toch eigenlijk allemaal kleine dictaturen. Elk dorp heeft een huis voor het dorpshoofd, maar ik zie nergens een huis voor de oppositie.” Ik hoefde niet lang na te denken over een antwoord, want ik kende die dorpen. “Maarschalk, ziet u die boom?” vroeg ik. “Elk dorp heeft zo'n boom. En onder elk van die bomen komt de raad van wijzen bij elkaar. Dat is het huis van de oppositie.”’