Eenzaamheid heeft zich het afgelopen decennium met stip gemeld als een maatschappelijk probleem van de eerste orde. Om daarvoor aandacht te vragen worden we sinds 2019 door de overheid jaarlijks geïnformeerd tijdens de Week tegen Eenzaamheid. Via paginagrote advertenties in de kranten, spotjes op de televisie, berichten op de sociale media en in nieuwsbrieven en lokale media worden we allemaal in de gelegenheid gesteld om onszelf de vraag te stellen of we wat kunnen doen tegen eenzaamheid. Want een klein gebaar, zo laat de campagnewebsite eentegeneenzaamheid.nl weten, kan helpen om het bedrukte bestaan van de eenzame medemens te verlichten. Is er echt niemand in je buurt voor wie je wat kunt doen?

En mocht je even niets kunnen verzinnen, een lot dat veel moderne burgers treft, dan kun je je altijd melden als vrijwilliger bij een van de vele honderden initiatieven en activiteiten die in het hele land georganiseerd worden. Als het om de bestrijding van eenzaamheid gaat hoeft dus niemand machteloos toe te zien, zo wordt ons elke eerste week van oktober ingepeperd.

De Week tegen Eenzaamheid en de permanente overheidscampagne om het probleem onder de aandacht te brengen is het gevolg van het ambitieuze actieprogramma Eén tegen eenzaamheid, dat in 2018 van start ging. Het valt onder de verantwoordelijkheid van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (vws) en het weet zich gesteund door een brede politieke consensus. Het is het politieke voortvloeisel van een gestage reeks onderzoeken waaruit duidelijk werd dat vooral de positie van ouderen in onze samenleving steeds kwetsbaarder wordt. Inmiddels voelt ongeveer de helft van de mensen ouder dan 75 zich op gezette tijden eenzaam.

Door de coronapandemie werd eenzaamheid bovendien een probleem dat steeds meer groepen bedreigt. Vooral jongeren en jongvolwassenen bleken ernstig belemmerd te worden in hun sociale contacten, waar hun mentale gezondheid onder te lijden had. Eén op de vier, zo kopten de kranten zorgelijk toen de lockdown de samenleving in het slot had gegooid, kampte met depressieve gevoelens, de meest zwaarmoedige verschijningsvorm van eenzaamheid. Eenzaamheid, zoveel maakte corona duidelijk, is een lot dat iedereen kan treffen. Een factsheet van vws uit 2020 laat zien dat 47 procent van de volwassen Nederlanders desgevraagd te kennen gaf eenzaam te zijn, 37 procent noemde zichzelf ‘matig’ eenzaam, elf procent ‘sterk’ eenzaam. Zo’n vijftien jaar geleden was dat totale aandeel nog dertig procent en het aandeel ‘sterk’ tien procent.

Dat is in westerse landen een trend, inclusief de groeiende bezorgdheid over eenzaamheid. In de VS lossen de onderzoeken over het sociaal isolement van Amerikaanse burgers elkaar in hoog tempo af. Het begon met het boek Bowling Alone van de socioloog Robert Putnam uit 1995, waarin hij laat zien dat het sociaal kapitaal van Amerika systematisch aan het slinken is. Sociale activiteiten, zoals die vorm krijgen in onder meer verenigingen en politieke organisaties, zijn onmiskenbaar op de terugtocht, met als meest aansprekende voorbeeld het bowlen, in de VS traditioneel een activiteit die in groeps- en clubverband plaatsvond. Maar Putnam ontdekte tot zijn ontsteltenis dat dat steeds vaker individueel gebeurde.

Putnams boek werd wereldwijd een bestseller. Op zijn studie volgde een reeks van onderzoeken die vrijwel allemaal in dezelfde richting wijzen. Steeds meer Amerikanen antwoorden met ‘niemand’ als ze de vraag voorgelegd krijgen op wie ze voor hulp een beroep kunnen doen. Meer dan in welk ander land ook kampen de VS met hoge zelfmoordcijfers, waarvan we sinds het klassieke werk van de socioloog Émile Durkheim weten dat die cijfers een harde indicatie zijn voor een gebrek aan sociale cohesie en dus wijzen op eenzaamheid. Deze cijfers zijn in de VS sinds 1999 met dertig procent gestegen.

In het Verenigd Koninkrijk zette het parlement na de moord op parlementariër Jo Cox door een extreem-rechtse Brexit-fanaat een commissie aan het werk die in 2017 alarmerende conclusies presenteerde. Cox had zich altijd zeer begaan getoond met de eenzaamheidsproblematiek en in haar geest rapporteerde de commissie. Er is steeds minder wat mensen met elkaar verbindt, de sociale infrastructuur ligt aan diggelen, er is ronduit sprake van een ‘crisis of loneliness’, aldus het rapport. Het was voor premier Theresa May reden om nog in hetzelfde jaar een aparte staatssecretaris voor eenzaamheid te benoemen.

De groeiende bezorgdheid om de ernst van de situatie te duiden neemt steeds nadrukkelijker haar toevlucht tot begrippen, voorstellingen en redeneringen uit de sfeer van de gezondheidszorg. Zo sprak Theresa May in 2017 over een epidemie, een aanduiding die op dat moment in Amerikaanse media al min of meer gebruikelijk was. Corona voorzag het spreken in medische metaforen van een stevige impuls. Zo sprak koning Willem-Alexander al in maart 2020, vlak na het uitbreken van de coronacrisis, over een eenzaamheidsvirus waar we ons tegen moesten wapenen.

Het gebruik van dergelijke beelden vloeit voort uit het feit dat public health-wetenschappers de gevolgen van eenzaamheid al veel langer in termen van gezondheidsschade duiden. Daardoor weten we dat eenzame mensen gemiddeld vier jaar korter leven en een dertig procent grotere kans op hart- en vaatziekten hebben. Eenzaamheid is bovendien twee keer zo schadelijk als obesitas. Zeer populair is de vergelijking met roken. Een eenzaam bestaan komt qua gezondheidsschade op de lange termijn overeen met het roken van vijftien sigaretten per dag. Reden waarom eenzaamheid in de media ook wel wordt omschreven als ‘het nieuwe roken’, ook zo’n typering die vast opduikt in de PowerPoint-presentaties van wetenschappers over dit onderwerp.

Het laatste zetje voor de inlijving in de medische orde levert ten slotte modern hersenonderzoek. Onze hersenen hebben een veel groter adaptief vermogen dan we pakweg drie decennia geleden voor mogelijk hielden. De eenzaamheid lijkt zich daardoor vast te zetten in de chemische structuur van de hersenen, waardoor geïsoleerde mensen meer en meer in het gedrag volharden dat hen juist in eenzaamheid gevangen houdt. Daarmee is eenzaamheid van een maatschappelijk verschijnsel verheven tot een ziekte, een object van professioneel medisch-psychologisch handelen.

Steeds meer Amerikanen antwoorden met ‘niemand’ als wordt gevraagd wie ze om hulp zouden kunnen vragen

Het verhaal achter de westerse samenlevingen die steeds meer lijden aan eenzaamheid is echter niet medisch van toonzetting, maar juist door en door maatschappelijk. Sommige verklaringen gaan zelfs terug naar het tijdperk van de jagers, toen mensen om te overleven in een wereld vol meedogenloze roofdieren gedwongen waren om in groepen te opereren en samen te werken. Die oerdrift heeft van mensen sociale wezens gemaakt – wie echt alleen kwam te staan, was immers ten dode opgeschreven. Eenzaamheid was hooguit een tijdelijke ervaring. Het was als bestaanswijze niet voorstelbaar, niet voor niets waren er lange tijd ook geen woorden voor.

Dat verandert pas, aldus de Britse historicus Fay Bound Alberti in haar boek A Biography of Loneliness: The History of an Emotion (2018), als rond 1800 de moderne tijd aanbreekt. Vóór die tijd komt het woord ‘lonely’ in de Engelse taal niet of bij hoge uitzondering voor; het is tot de moderne tijd aanbreekt hooguit een lot dat koningen treft (we kennen het nog steeds als ‘it’s lonely at the top’). Niet vreemd dat het woord wel bij Shakespeare opduikt: in Hamlet lijdt Ophelia aan ‘loneliness’ en verdrinkt ze zichzelf. Maar in oude geschriften over het gewone volk en het dagelijks leven zul je er vergeefs naar zoeken.

Moderne eenzaamheid, schrijft Alberti, is de vrucht van het kapitalisme en de secularisatie. ‘Veel van de scheidslijnen en hiërarchieën die vanaf de achttiende eeuw zijn ontwikkeld – tussen het ik en de wereld, tussen individu en gemeenschap, tussen het private bestaan en publieke sferen – zijn door de politiek en de filosofie van het individualisme vanzelfsprekende verschijnselen geworden. Het is dan ook geen toeval dat in dezelfde periode de taal over eenzaamheid gaat spreken. De opkomst van privacy, op zichzelf een product van het marktkapitalisme als iets wat je kunt verwerven of kopen, drijft als vanzelf eenzaamheid aan. Net zoals het individualisme dat doet.’

Het is de kracht van de geschiedenis, schrijft Alberti, die ervoor zorgt dat mensen steeds meer op zichzelf worden teruggeworpen. Het samenspel van kapitalisme, urbanisatie, sociale politiek, welvaartsgroei, mobiliteit, consumptie, woningbouw – kortom alles wat de modernisering heeft voortgestuwd – heeft de traditionele vormen waarin mensen eeuwenlang hun levens hebben vormgegeven doen eroderen. Dorpen, buurten, klassen, multigenerationele families, agrarische gemeenschappen, recent zelfs het kerngezin – ze zijn in de loop van de moderne geschiedenis van hun natuurlijke vanzelfsprekendheden ontdaan. De huidige individuele levens zijn dus niet langer per definitie daarvan afhankelijk of erop aangewezen.

Het beslissende zetje om hier de ziekte eenzaamheid aan te verbinden, betoogt Noreena Hertz, hoogleraar aan University College London, in haar boek De eenzame eeuw (2018), kwam door de triomftocht van het neoliberalisme. ‘Het ideologische fundament van de 21ste-eeuwse eenzaamheid’, schrijft ze, ‘dateert van de jaren tachtig, toen een bijzonder brute vorm van kapitalisme voet aan de grond kreeg: het neoliberalisme, een ideologie met een allesoverheersende nadruk op vrijheid – vrije keuze, vrije markten, vrij zijn van overheidsbemoeienis. De ideologie hechtte waarde aan een geïdealiseerde vorm van zelfredzaamheid en een meedogenloos competitieve mentaliteit, die het eigenbelang plaatste boven de gemeenschap en het gemeenschappelijk belang.’ Wie niet participeert in de individualiserende cultuur van succes, kan dat niet vanzelfsprekend meer aan de omstandigheden wijten. Voor wie minder goed geëquipeerd is of wie gewoon pech heeft, neemt de kans op allerlei vormen van sociaal isolement toe – voor hen is het moeilijker passend werk te vinden, neemt de kans op het opdrogen van sociale contacten toe en vermindert de kans op betekenisvolle persoonlijke en emotionele relaties.

Ergens in deze ideologische Wende komt het begrip eenzaamheid in het vizier van het beleid. Het is ook geen toeval dat vanaf ongeveer 1990, als de Muur gevallen is, het einde van de geschiedenis wordt aangekondigd en het neoliberalisme de victorie kraait, de verzamelnaam ‘eenzaamheid’ een plek krijgt in de officiële statistieken en als maatschappelijk probleem wordt gemonitord. Vanaf dat moment staat de deur open om eenzaamheid als gezondheidsrisico te onderzoeken en beginnen de bewijzen zich op te stapelen dat het voor individuen een verhoogd risico met zich meebrengt op verslaving, depressie, angst en dwangmatig gedrag.

Sindsdien dringt de strijd tegen eenzaamheid zich op als een nieuw zwaartepunt in het overheidsbeleid met betrekking tot het welbevinden van burgers, met het actieprogramma Eén tegen eenzaamheid als voorlopig hoogtepunt. Minister Hugo de Jonge stelde direct na de lancering twee ambassadeurs aan: Marianne van den Anker, voormalig wethouder in Rotterdam, en haar Amsterdamse evenknie Eric van der Burg. Zij trokken het land in om gemeenten te bewegen een lokale coalitie tegen eenzaamheid op te zetten. Ze werden overal meer dan hartelijk ontvangen, geen enkele zichzelf respecterende grote gemeente zei nee. De lokale coalities schoten als paddenstoelen uit de grond, er werden ambtenaren mee belast, subsidiepotjes geopend en steeds meer activiteiten kwamen van de grond.

Zo ontpopt het bestrijden van eenzaamheid zich overal in het land als een aantrekkelijk beleidsthema. Het is niet controversieel, het spreekt tot de verbeelding, het roept gevoelens van mededogen op. De onderbouwing met lokale cijfers en campagnemateriaal levert vws er gratis bij. Wethouders kunnen er een warm en betrokken verhaal over vertellen. In de lokale politieke arena zal er nauwelijks onenigheid over bestaan, want wie zou er tegen kunnen zijn?

Het is welbeschouwd een ideaal probleem, handzamer tref je het in ambtelijk en beleidsbepalend Nederland zelden. Het is concreet en voorstelbaar. Het is ook niet echt oplosbaar, want er is geen ‘schuldige’. Inderdaad, het is een soort griepepidemie, je kunt erdoor getroffen worden, maar we kunnen er wel wat tegen doen. Het vraagt wat van burgers, het appelleert aan mededogen en medeleven en ‘kleine en betekenisvolle gebaren’ kunnen de nodige persoonlijke en sociale ellende voorkomen.

Eenzaamheid is gereduceerd tot een persoonlijk probleem, over de achterliggende oorzaken wordt niet of nauwelijks meer gesproken

De vraag is wel wat er dan onder de vlag van de strijd tegen eenzaamheid allemaal gebeurt. Veel, daarover geen misverstand. Het zijn vaak kleine initiatieven die lokaal georganiseerd worden, vaak door partijen die tot voor kort niets ophadden met het onderwerp. Zoals wandelvoetbal voor ouderen door de lokale voetbalclub of de installatie van een koffiehoekje bij Albert Heijn. Maar het meest in de aanbieding zijn initiatieven die mensen in de gelegenheid stellen om elkaar te ontmoeten, soms om met een getrainde gespreksleider (vaak een vrijwilliger) te spreken over levensvragen, of gewoon omdat het gezellig is (bingo, kaarten). Ook bewegen is een geliefde activiteit: het Danspaleis organiseert dansen in verzorgingshuizen, er worden wandelclubs opgezet, yoga, fitness.

Het zijn kleinschalige activiteiten, vooral ook goed bedoeld – veel kleine ondernemers verdienen er als zzp’er een boterham mee. Het zijn veelal initiatieven die vroeger onder de noemer sociaal-cultureel werk of welzijnswerk werden georganiseerd en waar de laatste decennia stevig op bezuinigd is. Onder de vlag van Eén tegen eenzaamheid kregen ze een nieuwe bestaansreden.

Maar zet dit nu ook zoden aan de dijk? Hier begint de schoen te wringen. Eigenlijk weten we maar bitter weinig over wat er werkt tegen eenzaamheid, meldt de wetenschappelijke adviesraad van de publiekscampagne in een van haar eerste publicaties. De adviesraad pleit voor het nodige onderzoek, waarvoor de Nederlandse organisatie voor gezondheidsonderzoek en zorginnovatie ZonMw inmiddels enige miljoenen beschikbaar heeft gekregen. In de databank sociale interventies, die beheerd wordt door het kennisinstituut Movisie, staan er achttien beschreven, waarvan er drie gewaardeerd worden als effectief. Een interventie gaat over bewegen van ouderen, de andere twee zijn strak georganiseerde meerdaagse intensieve cursussen waarin gemotiveerde ouderen oefenen in allerhande vaardigheden die hen helpen sociaal weerbaarder te worden. Of het effect ook echt duurzaam is, is nog niet onderzocht.

Van alle andere praatgroepen, bingoavonden, ontmoetingsmogelijkheden en museum-uitjes weten we dat het vaak gezellig is en voor welkome afleiding zorgt (wat natuurlijk prima is), maar dat het aan de gevoelens van eenzaamheid van mensen weinig afdoet, misschien ook wel omdat de mensen die chronisch eenzaam zijn er eigenlijk zelden aan meedoen.

Wat overblijft is de oproep aan burgers om zich af te vragen of ze iets kunnen doen voor mensen waarvan ze het vermoeden hebben dat ze wel wat ‘sociale support’ kunnen gebruiken én de oproep aan mensen om bij zichzelf te rade te gaan of je misschien die hulp kunt gebruiken. Op de website van het Eenzaamheid Informatie Centrum kun je een test invullen, vervaardigd door Factor 5, een bureau dat gespecialiseerd is in het opleiden tot ‘specialist eenzaamheid’ of ‘voorlichter eenzaamheid’. De test richt zich naast vragen over contacten met vrienden en familie vooral op de vraag of je een positieve jeugd hebt gehad. Mocht je daar weinig herinneringen aan hebben en ook over weinig vrienden beschikken, dan is het beter om hulp te zoeken bij een ‘specialist eenzaamheid’. Heb je wel goede jeugdherinneringen en heel veel vrienden, dan krijg je niet te horen dat je helemaal niet eenzaam bent, maar dat je ‘eventuele eenzaamheid in principe goed kunt oplossen’. Naar de situatie op werk, eventueel verlies van naasten, leeftijd, burgerlijke stand, opleiding, huisvesting – allemaal zaken die in dit kader toch van wezenlijk belang zijn – wordt in deze zelftest niet gevraagd.

Daarmee raakt deze zelftest onbedoeld aan de ideologische kern van het zich over het land vertakkende eenzaamheidsbeleid. In de oversteek van het grote verhaal, de nationale zorg en de epidemie naar concrete acties om er wat aan te doen, is van alles uit het zicht verdwenen. Eenzaamheid is ontdaan van nagenoeg al haar maatschappelijke, culturele en politieke componenten en heeft zich als een afzonderlijk, op zichzelf staand en vooral zorgelijk ‘epidemisch’ vraagstuk op de beleidsagenda geplaatst. Het is getransformeerd van een maatschappelijke kwestie tot een psychologisch probleem dat vooral samenhangt met mankementen in de biografie van de betrokkenen, vermoedelijk een niet al te gelukkige jeugd. Zo is het een zorgwekkende kwestie geworden, opgetuigd met medisch-psychologische verklaringen en redeneringen en omarmd door een beroepsgroep van hulpverleners, nooit te beroerd om een nieuwe doelgroep onder hun hoede te nemen.

Nu kun je zeggen: wat geeft het? Kan het kwaad? Waarom zouden we ons er druk over maken? Nou, misschien omdat deze wijze van duiden van maatschappelijke problemen niet op zichzelf staat maar exemplarisch is voor de tendens om de problemen te depolitiseren en te reduceren tot een persoonlijk probleem, waarvoor zelfonderzoek en medeleven (het nieuwe charitas) op zijn plaats is, maar waar over de achterliggende oorzaken niet of nauwelijks meer gesproken wordt.

Niet toevallig is de opkomende beleidsbelangstelling voor het eenzaamheidsprobleem gelijk opgegaan met een systematische erosie van de fundamenten van de verzorgingsstaat, een reorganisatie die in het midden van de jaren tachtig een aanvang nam. De warmbloedige overheid, gegrondvest op de gedachte van onderlinge solidariteit, ontdeed zich van zijn ‘ideologische veren’ en nam steeds nadrukkelijker een kille, technocratische gestalte aan, gedreven door beheersing, controle en een angst voor misbruik die resulteerde in regelrecht wantrouwen.

Sindsdien is systematisch getornd aan de bestaanszekerheid. Overheidsloketten zijn niet alleen gedigitaliseerd, maar ook anoniemer en agressiever geworden, zoveel heeft de toeslagenaffaire inmiddels wel duidelijk gemaakt. Bij ruim 650.000 huishoudens, meer dan een miljoen mensen, was in 2018 sprake van problematische schulden, waarvan het merendeel bij overheidsinstanties of semipublieke organisaties. 320.000 Nederlanders werken en zijn toch arm. Dat is sinds het begin van deze eeuw een toename van zestig procent. Wie in Nederland een beroep wil doen op inkomensondersteuning kan te maken krijgen met 28 regelingen en acht verschillende definities van inkomen of vermogen. Niet verbazingwekkend eigenlijk dat het aantal voedselbanken tussen 2010 en 2020 met veertig procent steeg. En dan zwijgen we nog maar over het aantal verwarde mensen dat de politie handenvol werk bezorgt, maar kennelijk nergens anders geholpen kan worden. In 2014 meldde de politie zestigduizend van deze gevallen, in 2019 ruim negentigduizend.

Het zijn zomaar wat feiten die duidelijk maken dat onze verzorgingsstaat de afgelopen dertig jaar ingrijpend van karakter is veranderd. Dat heeft grote gevolgen voor het bestaan van een groot deel van de Nederlandse bevolking gehad. Zou het ongepast zijn om de toename van eenzaamheid daarmee in verband te brengen? Is dat echt te veel gevraagd? Welnu, dat is wel het laatste wat Eén tegen eenzaamheid beoogt. Geen woord erover.

Er kan veel aangemerkt worden op de jaren zeventig, maar om eenzaamheid louter te zien als een persoonlijk probleem, als een ziektekiem, was toen ondenkbaar en zou een stortvloed aan discussies hebben opgeleverd. Discussies over achterliggende oorzaken, over achterstelling, ongelijkheid en armoede, over de verantwoordelijkheid van de overheid, over het eenzaam maken van mensen in de geïndividualiseerde woningbouw en anonieme buurten, over psychologiserende hulpverlening, over solidariteit en samenlevingsopbouw, over symptoombestrijding versus maatschappijhervorming. Allemaal kwesties die tot op de dag van vandaag onverminderd actueel zijn, maar die uit de arena’s van het publieke en politieke debat zijn verdreven. Daardoor kan het eenzaamheidsthema uitgroeien tot een nieuw beleidstopic, omdat het als maatschappelijk fenomeen gemedicaliseerd en als persoonlijk probleem gepsychologiseerd kan worden, met een depolitisering als uitkomst. Het is koren op de molen van de technocratische orde waartoe de overheid verworden is. Technocraten bestrijden liever eenzaamheid dan armoede en bestaansonzekerheid. Zij installeren liever een nieuw soort charitas dan dat ze de fundamenten van de verzorgingsstaat herstellen. Ze mobiliseren liever medelijden dan dat ze hun vingers branden aan echte hervormingen.

Ten overvloede. Dit is geen pleidooi om mensen die in een sociaal isolement leven aan hun lot over te laten. Integendeel, we zullen alles uit de kast moeten halen om hen weer onder de mensen te brengen. Dat is een maatschappelijke en politieke opdracht. Maar wie voorbijgaat aan alles wat hun isolement veroorzaakt en in stand houdt, dweilt met de kraan open. Dat is precies wat de overheid nu aan het doen is.


Jos van der Lans is cultuurpsycholoog en publicist. Hij is medewerker van het Tijdschrift voor sociale vraagstukken en eindredacteur van de Canon Sociaal Werk