Een idylle op het land

Arno Schmidt, Brand’s heide. Uit het Duits vertaald door Jan H. Mysjkin, uitgeverij Perdu, 122 blz., Ÿ32,50 ..LE In korte tijd heeft Jan H. Mysjkin, na presentaties in tijdschriften, twee korte romans vertaald en ingeleid: Uit het leven van een faun, het eerste (zij het later geschreven) deel van de trilogie Nobodaddy’s Kinder, waarvan de andere twee, het nu vertaalde Brand’s heide en Schwarze Spiegel, samen in 1951 verschenen. De romans spelen voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog, in de derde is alweer een nieuwe wereldoorlog achter de rug; plaats van handeling is steeds dezelfde LÅneburger heide.

Het vertalen van werk van Arno Schmidt (1914-1979) bijna een halve eeuw na dato - in dit geval van vroeg werk - is een inhaalmanoeuvre, waarvan het resultaat voor twee‰rlei uitleg vatbaar is. Dat het werk niet eerder werd vertaald was een nalatigheid, maar zie hoe actueel, hoe onverminderd groots het is - wat men wÇl van de late vertaling van Musil kon zeggen. Of de vertaling krijgt een informatieve of zelfs documentaire betekenis: kijk, zo werd er in het naoorlogse Duitsland ook geschreven, dat wil zeggen, in de schaduw van Borchert en B”ll.
In die tijd wekte Schmidt nogal wat weerstand, wat niet verhinderde dat hij van meet af aan bewonderaars heeft gehad; en hij kon er zelf niks aan doen dat die soms sekteachtige neigingen aan de dag legden. Een vertaling zou indertijd - toen hier Het boek Ik van Bert Schierbeek en De god denkbaar denkbaar de god van W.F. Hermans verschenen - vruchtbaarder zijn geweest, al was het maar als bewijs dat Schierbeek niet uit de lucht kwam vallen Çn origineler was dan menigeen dacht. Nu lijkt in de Nederlandse literatuur alles wat er maar een beetje ongewoon uitziet sneeuw van gisteren, dus zeker zo'n vreemd boek als dit.
Maar het is waar dat je na een halve eeuw inderdaad kunt vaststellen dat dit werk toen al minder nieuw was dan het leek. Men verkeek zich op uiterlijke afwijkingen - het gewoeker van leestekens, de fonetische schrijfwijze, de citaten in allerlei talen, de bladspiegel met clusters die telkens in cursief beginnen. Allemaal sabotages van de zondagslezer, dacht men, maar het waren in de eerste plaats middelen om een realistisch effect te bereiken. Want Schmidt stond niet minder dan een verbeterd realisme voor ogen, zij het niet een zo exact mogelijke weergave van de realiteit, maar van de beleving ervan.
Als een verhaal uit een aaneenrijging van clusters bestaat, zijn die teksteenheden als het ware momentopnamen van een bewustzijn in beweging, waarin waarnemingen, gedachten, herinneringen (ook aan lectuur), (dag)dromen samengevoegd en op elkaar betrokken worden. Zo zou de werkelijkheid eruitzien als je een schijfje uit het bewustzijn zou zagen. Schmidt mocht doen alsof hij de innerlijke monoloog had uitgevonden, in feite ging hij door op wat D”blin in Berlin Alexanderplatz en Joyce in Ulysses en Finnegan’s Wake hadden voorgedaan. Schmidt was een erfgenaam, geen uitvinder, eerder een verzamelaar dan een experimentator.
Het proza van Schmidt mag er nog zo extravagant uitzien, technisch was alles al eens eerder vertoond, bijvoorbeeld door expressionisten en dadaãsten, maar ook al door nog ouderen. Zijn literaire voorkeuren hielden bij 1930 op, daarna kwam nog alleen hij; in grote achttiende- en negentiende-eeuwse schrijvers die ten onrechte miskend of vergeten waren, vond hij congeniale geesten. Over Karl May schreef Schmidt een merkwaardige studie, maar of Karl May of FouquÇ of Stifter of Moritz of James Fenimore Cooper zulke geniale auteurs waren als Schmidt zijn lezers wilde doen geloven, daar valt over te twisten. Jean Paul noemt hij als zijn voorbeeld en hij speelt hem uit tegen Goethe. Tegenover diens ‘bedeutende Allgemeine’ plaatste hij het 'bedeutende Einzelne’, maar wat in de romantiek misschien revolutionair was - aandacht voor het individuele leven - neemt bij Schmidt soms kleinburgerlijke vormen aan: de wereld waarin zijn verhalen zich afspelen is zelden groter dan een stukje platteland of het interieur van zijn hoofd.
In de eerste twee boeken worden af en toe alle Duitsers voor fascisten uitgemaakt, de jodenvernietiging wordt niet eens genoemd. De verzameltitel van de trilogie, Nobodaddy’s Kinder, een via Joyce aan Blake ontleende woordspeling, slaat op de vluchtelingenstatus van een paar personages, maar de verhalen laten niets zien van de eerste naoorlogse fase van wat Mitscherlich later 'die vaterlose Gesellschaft’ zou noemen. Toch eiste Schmidt zo'n soort realisme van de literatuur: 'EÇn ding zou elke schrijver een keer moeten doen: ons een beeld nalaten van de tijd waarin hij leefde’, schreef hij over Adalbert Stifter. Nou is er geen misleidender woord dan 'tijdsbeeld’, maar als Schmidt laat zien hoe vluchtelingen eikels eetbaar maakten, blij waren met uit V2-brandstof gedestilleerd 'vuurwater’ en weken teerden op een pretpakket dat een zuster uit Amerika stuurde, zijn dat interessante en soms vermakelijke details, maar het blijft zo anekdotisch en oppervlakkig, omdat het eigenlijk alleen om een zelfportret van deze scherpe geest gaat.
Een voorbeeldje: 'Tandpoeder: gegarandeerd onschadelijk: zegt het opschrift! (Wat was onze wereld in 1946 toch komiek, nietwaar: niet zoiets als met 'n lekkere smaak, of 'n hagelwitte glans, of met radium G - nee hoor: gewoon onschadelijk!). En ik grijnsde dat mijn kaken er pijn van deden: een soepbord was nergens te koop, maar je kon het dodenmasker van de inconnue de la Seine, 38 mark 50, omkeren en dat als zodanig gebruiken. “En Hij zag dat het goed was!” (Ach, weg met die onzin!).’
Dit is zo'n passage, een cluster of alinea, een eenvoudige, die toont tot wat voor meligheid zo'n monologisch denken kan leiden - en tegen wie heeft de buikspreker het eigenlijk? De hoofdpersoon heet trouwens ook Schmidt, hij is schrijver, teruggekeerd uit krijgsgevangenschap in Brussel, arriveert in de lente van 1946 op het platteland van Neder-Saksen, krijgt een hokje toebedeeld, legt het aan met ÇÇn van de twee vrouwen in het huis ernaast, vluchtelingen uit Silezi‰, en gebruikt het tweetal vooral als klankbord voor zijn weetjes en wijsheden. Als liefdesgeschiedenis heeft het weinig om het lijf; de lezer komt alles te weten van wat zich in deze meneer Schmidt afspeelt, die vooral bezig is met zijn studie van FouquÇ, wiens roman Undine hij zo'n beetje naspeelt, maar wat deze held van de geest aan gedachten en gevoelens ten beste geeft, is ondanks alle bravoure en duurdoenerij papierdun. Verbazingwekkend is nu vooral dat Schmidt met deze boeken ooit voor BÅrgerschreck heeft kunnen spelen.