Cultuur: De taal van morgen

Een ietsje pietsje anders

Hoewel het Nederlands langzaam verandert, kunnen we met vrij veel zekerheid voorspellen hoe de taal er over twintig of dertig jaar uitziet. Sommige veranderingen zijn al honderden jaren gaande.

Voor woordenboekenmakers zijn het gouden tijden. Zo’n 350 woorden heeft Ton den Boon al gevonden voor zijn coronawoordenboek, waarin de hoofdredacteur van de Dikke Van Dale alle nieuwe woorden bijhoudt die ontstaan door de coronacrisis. Daaronder veel jargon dat ineens gemeengoed is geworden en dat ‘we bezigen alsof we allemaal een beetje viroloog zijn geworden’. Zelf is hij meer gecharmeerd van creatievere vondsten als anderhalvemetereconomie, lockdownfeestjes of balkonsolidariteit, waarmee het samen fitnessen vanaf je balkon wordt bedoeld. Of samen een aria zingen, wat we vooral kennen van de Italianen. ‘Raambezoek vind ik ook mooi. Dat werd eerst gebruikt als alternatief voor het kraambezoek van kersverse grootouders die hun pasgeboren kleinkind enkel door het raam konden bewonderen. Maar het werd al snel breder gebruikt, bijvoorbeeld voor het bezoek van een kleinkind dat zijn grootouders mistte en even langs ging om te zwaaien. Ook wel zwaaibezoek.’

Dat soort woorden zouden volgens Den Boon kunnen beklijven. Onthamsteren ook: ‘Zie al die ingeslagen bruine bonen maar weer eens op te eten.’ Net als samenstellingen met schaamte. ‘We hadden natuurlijk al vliegschaamte, dat werd opgevolgd door bezorgschaamte. Nu zie je wandelschaamte en winkelschaamte. Maar ook vaktermen hebben een goede kans om te blijven bestaan: risicocontact of sociale onthouding zijn goede kandidaten. Zeker als we vaker met zo’n uitbraak te maken krijgen.’

Tientallen nieuwe woorden komen er per dag bij, zeker tijdens dit soort grote gebeurtenissen. Betekent dat ook dat we in 2050 een heel ander Nederlands spreken dan nu? Met een heel ander vocabulaire? Of spreken we een soort Nederlands-Engelse mengtaal? Bestaan er nog dialecten? Zal de standaardtaal tegen die tijd op zijn retour zijn door al dat informele en ongrammaticale geapp?

De makkelijkste manier om dat te toetsen, is kijken naar de taal van dertig jaar geleden. ‘Het Nederlands van de jaren negentig klinkt een heel klein beetje anders’, zegt taalkundige Marc van Oostendorp, hoogleraar Nederlands aan de Radboud Universiteit. ‘Maar dan wel meteen op alle niveaus een klein tikkie anders: dus én qua uitspraak én grammatica én woordenschat én hoe we omgaan met de taal.’

De veranderingen in de woordenschat springen misschien het meest in het oog, maar zijn ook het minst belangrijk, vindt Van Oostendorp. ‘Het is niet meer dan het schuim en de bubbeltjes op de oceaan van taal.’ De meeste nieuwe woorden overleven niet. ‘En dat is prima. Over veel zaken die nu belangrijk zijn, hoef je het over twintig jaar niet meer te hebben.’ Corona zal nog wel bestaan, maar voor veel andere woorden die nu ontstaan zul je het woordenboek van Den Boon nodig hebben. ‘Om diezelfde reden is het woord ‘riek’ aan een uittocht begonnen nu niemand in het agrarisch bedrijf dat stuk gereedschap nog hanteert, terwijl ‘zoom’ aan een onmiskenbare opmars bezig is.’

Taal verandert omdat de wereld verandert, zou je zeggen, maar dat geldt alleen voor de woordenschat. Waarom ook de grammatica en uitspraak veranderen, is een ingewikkeldere zaak. Eigenlijk is het überhaupt wonderlijk dat taal verandert, als je ervan uitgaat dat taal een communicatiemiddel is. Taal zou dan toch gebaat zijn bij stabiliteit en uniformiteit. Maar geen enkele taal is volgens Van Oostendorp stabiel. ‘Dus het idee dat taal primair bedoeld is voor communicatie, is naïef. Taal is ook een manier om uit te drukken wie je bent en wie je wil zijn en tot welke groep je behoort en wil behoren. Jongeren willen zich onderscheiden van vorige generaties. En dat is een van de drijvende krachten achter taalverandering – zij het zeker niet de enige.’

Van Oostendorp verwijst naar een oud Amerikaans onderzoek naar uitspraakverandering in Philadelphia, waar klinkers steeds meer voor in de mond werden uitgesproken. ‘Dat bleek al te gelden voor kinderen. Sterker nog, daar lag de sleutel. Vooral bij meisjes die net kleuter-af waren. Voor meisjes wordt dan de peergroup belangrijk, waardoor ze niet meer alleen de taal van hun ouders – toen nog vooral de moeder – oppikten, maar juist die van hun peers. Jongens deden dat niet en bleven gewoon zoals hun moeder praten. ‘Als die meisjes dan hoorden dat oudere meisjes de klinkers net iets meer voorin plaatsten, hadden ze de neiging om dat na te doen en zelfs een beetje te overdrijven. En als deze meisjes moeder werden, leerden ze die klinkerplaatsing aan hun zonen – mannen lopen dus een generatie achter qua taalverandering. Hoe mannen over twintig, dertig jaar praten, weten we dus vrij zeker: zoals de vrouwen nu.’

In het Nederlands betekent dat bijvoorbeeld met een minder rollende r. De r aan het eind van een lettergreep wordt steeds zachter: vroeger rolde de r, nu spreken steeds meer mensen met een zogenaamde Gooise r, achter in de mond. Uiteindelijk zal de r langzaam verdwijnen.

‘Veranderingen in de woordenschat zijn het schuim en de bubbeltjes op de oceaan van taal’

De belangrijkste factor voor taalverandering is: wie praat er met wie? Mensen nemen taalgebruik van elkaar over. ‘In elk gesprek kopieer je iets van je gesprekspartner’, zegt Van Oostendorp. Dat is aangetoond in experimenten waarbij proefpersonen lijsten met woorden voorlazen, daarna luisterden naar iemand die dezelfde lijst voorlas, waarna ze zelf weer moesten voorlezen. ‘Bij iedereen lag de uitspraak de tweede keer dichter bij de uitspraak van de vorige spreker. En dat was ook een week later nog het geval.’ Uiteindelijk verwatert het effect weer, maar op deze manier verspreiden taalveranderingen zich. Vroeger was die beïnvloeding sterk lokaal – het waren immers de mensen uit de buurt met wie je sprak. Maar door internet loopt die beïnvloeding minder langs geografische lijnen, maar eerder langs sociale, denkt Van Oostendorp. ‘In die zin zou de coronacrisis dat nog eens kunnen versterken: je praat nu makkelijker met je Zoom-contacten dan met je buurvrouw.’

Misschien verklaart dat ook, ondanks wanhopige pogingen om kinderen er op school in te onderwijzen, waarom dialecten niet zozeer aan het verdwijnen zijn als wel steeds meer naar elkaar toetrekken. ‘Vroeger had je varianten per dorp, nu bestrijken ze grotere gebieden: het Nedersaksisch, het Achterhoeks, het Brabants’, aldus Van Oostendorp. En ze gaan steeds sterker lijken op het Standaardnederlands.

Een andere opmerkelijke verandering die gepaard gaat met de überdigitalisering sinds de lockdown is dat we van heel veel informeel schriftelijk taalgebruik – via WhatsApp en andere sociale media – ineens weer veel meer zijn gaan praten. Ton den Boon: ‘Door sociale media en de blogosfeer waren we vooral schrijvers aan het worden. Weliswaar van een schrijftaal die flink spreektalig was geworden en dus informeler en minder gebonden aan formele spellingregels, maar toch. Mijn kinderen bellen nooit, die appen.’ Maar wie schrijft is een zender. En taalveranderingen vinden volgens Den Boon plaats doordat mensen met elkaar in gesprek gaan. ‘Door de coronamaatregelen is iedereen ineens aan het zoomen en skypen. Ik appte met mijn 91-jarige moeder, maar nu skypen we. Misschien gaan we wel weer meer praten de komende decennia.’

Nicoline van der Sijs, hoogleraar historische taalkunde aan de Radboud Universiteit en schrijver van het vorig jaar verschenen boek 15 eeuwen Nederlandse taal, hoopt het van harte. ‘Ik mag toch hopen dat we over twintig jaar niet nog steeds zo omslachtig berichtjes zitten te tikken’, zegt ze. Zelf gebruikt ze al vijftien jaar spraaktechnologie. Dat gaat zeker een vlucht nemen, denkt Van der Sijs. Het voordeel: de spelling gaat vanzelf goed – ‘hoef je dat kinderen niet meer te leren met van die vreselijke dictees’.

Overigens denkt ze dat het informeler worden van de schrijftaal, dat al decennia bezig is, wel doorzet. En wel door een uitbreiding met typografische tekens. ‘Niet dat ik denk dat we emoji’s in de kranten tegen zullen komen, maar wel een setje uit leestekens samengestelde emoticons, zoals de knipoog, een teken voor lachen en bedroefd zijn. ‘Ik heb onlangs een telling gedaan naar het gebruik van typografische tekens door de eeuwen heen. We begonnen met één teken aan het begin van de Middeleeuwen: de punt. Later kwamen daar het vraagteken en de dubbele punt bij, gevolgd door de komma. Pas in de zeventiende eeuw deden de puntkomma en het uitroepteken hun intrede. Sinds 2011 hebben we twee nieuwe tekens die elk jaar vaker opduiken in de krantencorpora: de hashtag en het apenstaartje. Je ziet emoticons ook al in wat formelere mails opduiken, dus het is een kwestie van tijd voor we ze in de geschreven standaardtaal opnemen.’

Ook grammaticaal zal de Nederlander in 2050 zijn taal een ietsjepietsje anders gebruiken dan we nu doen. Iets wat al honderden jaren aan de gang is, is het verdwijnen van naamvallen. In de vroege Middeleeuwen hadden we net als het Duits naamvallen. ‘De man’ werd ‘den man’ in de vierde naamval: ik zie den man. Eigenlijk raakte dat al in de Middeleeuwen in onbruik, maar in de zeventiende eeuw wilde men van het Nederlands een serieuze taal maken, zegt Van Oostendorp, en moest het boven de huis-tuin-en-keukentaal uitstijgen. Een echte taal had natuurlijk naamvallen, dus werden die in de geschreven taal weer ingevoerd. ‘Al bleef het wat kunstmatig; begin twintigste eeuw werd het daarom afgeschaft.’ Toch zie je een restant van die naamvallen nog terug in het persoonlijk voornaamwoord. ‘Nu nog zie je een verschil tussen ik loop op straat en jij ziet mij’, zegt Van Oostendorp. Maar ook deze naamval is langzaam aan het verdwijnen. In de negentiende eeuw zeiden we: gij ziet mij, ik zie u. Nu is dat ‘gij’ ‘u’ geworden: u ziet mij, ik zie u. Een beruchte verandering waar we middenin zitten en die over dertig jaar weleens veel nadrukkelijker zou kunnen zijn, is de vergelijkbare verandering van zij en hun. Zij lopen op straat en ik zie hun wordt hun lopen op straat en ik zie hun.

In het Afrikaans zie je hetzelfde gebeuren met ‘wij’ en ‘ons’: wij lopen op straat, jij ziet ons, wordt ons loopt op straat en jij ziet ons. ‘Dat gaat in Nederland ook gewoon gebeuren, daar kun je donder op zeggen. Die verandering is al honderden jaren gaande.’

Waarom dat gebeurt, heeft volgens taalkundigen te maken met een grootscheepse, wereldwijde verandering, namelijk die van urbanisatie en migratie. Naamvallen zijn makkelijk op te pikken voor kinderen die met een taal opgroeien, maar lastig voor volwassenen die de taal leren. ‘In een open samenleving met veel migranten hebben dus steeds meer mensen moeite om die naamvallen op te pikken, waardoor ze fouten maken’, zegt Van Oostendorp. ‘De kinderen van die migranten krijgen gemengde, chaotische input, waardoor het ook voor veel kinderen moeilijker wordt om het naamvallensysteem op te pikken. Dus verdwijnt dat langzaam uit de taal.’

Het Engels rukt op? ‘Dertig jaar geleden was tien tot vijftien procent van de woorden Engels. Dat is nog steeds zo’

Een open samenleving met veel nieuwkomers heeft dus de neiging om de taal makkelijker te maken. ‘Bijvoorbeeld door omschrijvingen en hulpwerkwoorden te gaan gebruiken in plaats van lastig te leren verbuigingen en vervoegingen’, zegt Van der Sijs. Dat versimpelen geldt ook voor het gebruik van lidwoorden. ‘Vreselijk moeilijk voor nieuwkomers om te leren: wanneer is het ‘de’ en wanneer ‘het’? Dus zie je steeds vaker ‘de mooie boek’ en ‘de meisje’. 75 procent van de woorden heeft namelijk ‘de’ als lidwoord, dus gok je daar als nieuwkomer op.’

Taalpuristen – op sociale media beter bekend als taalnazi’s – vinden die ontwikkeling gruwelijk. Van der Sijs heeft er geen moeite mee: wat nu fout is, is de taal van overmorgen. ‘Maar mensen hebben nu eenmaal de neiging om taalveranderingen tegen te houden. Dat zien we al in de dertiende eeuw gebeuren. Toen zeiden Vlamingen in hun gewone spreektaal kuening en muelen, maar als ze het moesten opschrijven, spelden ze koning en molen, omdat die vormen als beschaafd golden.’ Er moet natuurlijk ook wel een zekere rem op taalverandering zitten, anders zouden kinderen en grootouders elkaar niet meer begrijpen. Maar instituties als de Taalunie, de officiële spellinglijst, scholen, media en uitgevers van boeken beschermen de standaardtaal – en ook dat is al sinds de boekdrukkunst zo geweest. Van der Sijs: ‘De eerste spellinggids stamt uit de zestiende eeuw en is geschreven door een drukker. Die had behoefte aan uniformiteit.’

Maar spreken we over dertig jaar überhaupt nog Standaardnederlands en niet een soort Engels-Nederlandse tussentaal? Het oprukkende Engels in het onderwijs was de afgelopen jaren immers reden voor Kamervragen, onderzoeken en oproepen van prominente Nederlanders en hoogleraren om het Engels op de universiteiten aan banden te leggen.

Den Boon werkt al dertig jaar als woordenboekenmaker. ‘Toen ik net begon, ben ik Engelse woorden gaan tellen. Toen was tussen de tien en vijftien procent van de woorden Engels. Dat is nog steeds zo.’

Daarbij: de Engelse woorden die we overnemen worden bijna onmiddellijk vernederlandst. ‘We zeggen niet zooming, maar gezoomd. Zolang woorden zich direct aanpassen aan het Nederlandse grammaticale systeem, speelt het Nederlands nog een heel vitale rol’, zegt Den Boon. ‘Overigens zien we behalve invloeden vanuit het Engels ook een toenemende invloed van het Arabisch, via de straattaal. Het Marokkaanse ‘ewa’ (een kreet die veel kan betekenen, onder andere ‘hoe is het?’) en ‘wollah’ (ik zweer het) bereiken bijvoorbeeld via rap een breder publiek. Grappig is dat ‘zweren’, wat we in het Nederlands nauwelijks nog deden, via de vertaling zo ook weer terugkomt, maar dan zoals ‘wollah’ wordt gebruikt: als een bekrachtiging van wat eerder is gezegd – ‘ik zweer je’.

Dat het Nederlands ondanks die invloeden nog stevig in het zadel zit, blijkt ook uit het tweejaarlijkse onderzoek van onder andere de Taalunie: De staat van het Nederlands. Het Nederlands blijft met afstand de belangrijkste voertaal in Nederland, Vlaanderen en Suriname: 85,2 procent van de Nederlanders en 90,6 procent van de Vlamingen spreekt altijd Nederlands met familie en vrienden. 29 procent van de Nederlanders en 66 procent van de Vlamingen spreekt daarnaast een dialect of een tussentaal. Volgens een wat ouder rapport van Unesco behoort onze taal dan ook tot de tien procent sterkste talen in de wereld. Dat heeft niet alleen te maken met het aantal sprekers (24 miljoen), maar ook met het feit dat kinderen de taal leren, dat het Nederlands in afgebakende gebieden wordt gebruikt, dat Nederlanders positief staan tegenover hun taal, dat die taal wetenschappelijk is beschreven en dat erin wordt gepubliceerd. En in hoe meer maatschappelijke domeinen de taal gebruikt wordt, hoe beter.

In die zin is de constatering in De Staat van het Nederlands dat het gebruik van Engels in het hoger onderwijs verder toeneemt misschien een veeg teken. Van Oostendorp vraagt zich dat af. Hoewel er allerlei kanttekeningen zijn te plaatsen bij het gebruik van Engels op de universiteiten, vermoedt hij dat we over honderd, tweehonderd jaar sowieso wel tweetalig zullen zijn. ‘In grote delen van de wereld zijn mensen tweetalig. In de ene situatie spreek je dit en in de andere spreek je dat.’

Maakt het nog uit dat de twee landen die er ooit door hun macht op militair, economisch en cultureel vlak voor zorgden dat het Engels kon uitgroeien tot wereldtaal zich steeds meer isolationistisch opstellen? Van Oostendorp denkt van niet. ‘De invloed van het Engels is inmiddels zo diepgeworteld dat het het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten niet meer nodig heeft.’

Overigens is er volgens de taalkundigen een andere belangrijke taalverandering gaande waar je niemand over hoort. Het Vlaams en het Nederlands groeien steeds verder uit elkaar. In plaats van één standaardtaal beginnen het Vlaams, Nederlands en Surinaams-Nederlands steeds meer verschillende varianten te worden, zoals dat ook met het Duits-Duits en het Oostenrijks-Duits is gebeurd.

‘Tot in de jaren tachtig had je in Vlaanderen abn-kringen van Belgen die op bijeenkomsten hun best deden om zo goed mogelijk abn te spreken’, zegt Van Oostendorp. ‘Het idee was echt: je moet praten zoals de Nederlanders. Maar voor veel Belgen is Nederland allang niet meer het culturele centrum waarop men zich richt. We denken dat het begin van het einde is ingeluid door de opkomst van vtm, Belgiës eerste commerciële tv-station, dat niet verplicht was om in het Standaardnederlands uit te zenden. Gaandeweg heeft zich een soort tussentaal ontwikkeld: een informeel Vlaams-Nederlands dat iedereen spreekt – ook politici. Ik voorspel niet dat je in 2050 een tolk nodig zult hebben als je Antwerpen bezoekt, maar het Nederlands zal er wel heel anders zijn.’