Een ijdele spiegel van ideeën

Als een van de weinige levende Franse auteurs die hier nog vertaald worden, heeft Michel Tournier het bovendien getroffen met een uitgever die een eenmaal vertaalde auteur trouw blijft en zich niet tot een paar titels beperkt. Ideeën en hun spiegelbeeld is Tourniers tiende boek in vertaling en het sluit goed aan bij een vorige uitgave, Een vlaag van bezieling, zijn intellectuele biografie uit 1977. Daarin vergeleek hij zichzelf als filosoof met een monnik die weliswaar buiten het klooster leeft, maar de regels van zijn vroegere orde in acht neemt. In 1949 afgewezen voor een filosofiestudie aan de Sorbonne, zou hij in zijn literaire werk zijn roeping als denker nimmer verloochenen.

Tournier bedrijft soms filosofie met literaire middelen en meerdere van zijn boeken tonen aan dat daar weinig mis mee is zolang er in literair opzicht genoeg aan te beleven valt. Maar als dat laatste niet het geval is, gaat het fout, en nogal grondig ook, omdat er een fundamentele misvatting over literatuur aan ten grondslag ligt. Zo wilde De elzenkoning jarenlang niet lukken doordat Tournier, zoals hij zelf zegt, ‘de metafysica maar niet in romanvorm gegoten kreeg’; die overgang zou hem mogelijk gemaakt worden door de mythe. Het gaat me hier om die formulering: als zou de roman een soort gipsvorm zijn, een mal.
In het nieuwe boek keert die op vatting ongewijzigd terug. Daar plaatst Tournier proza en poëzie tegenover elkaar als louter op nut en effect berekend taalgebruik tegenover 'de woorden van de dichtkunst, die nooit anders dan naar eeuwigheid streven’. In poëzie gaat het alleen om woorden, om klank en ritme, terwijl proza 'begrijpen’ betekent, vat krijgen op de ideeën die eraan ten grondslag liggen. Ergo, in proza kunnen woorden altijd vervangen worden door andere woorden, omdat dezelfde inhoud op verschillende manieren tot uitdrukking kan worden gebracht. Voor een prozaschrijver spreekt daaruit wel een heel beperkte visie op zijn materiaal. Wanneer het om een roman gaat, lijken mij gedachten die om ontwikkeld te worden een heel hoofdstuk of een verhaal nodig hebben, minstens even interessant als ideeën die in een formule kunnen worden samengevat. Zoals de idee van De elzenkoning en De meteoren, van welke romans Tournier zegt dat 'het eigenlijke onderwerp de geleidelijke omvorming van het lot tot bestemming’ is. Het woord 'eigenlijk’ dient altijd om van iets te zeggen dat het in wezen, en voor de goede verstaander, iets anders inhoudt dan het lijkt.
De titel van Tourniers essay geeft al aan dat het hier over ideeën gaat. Hij meet zich met voorgangers als Leibniz, Kant, Hamelin, met dit grote verschil dat hij minder abstract en categorisch te werk wil gaan, 'ingegeven door de zorg om het concrete in zijn grootst mogelijke rijkdom te omvatten’. De paren worden telkens in een paar pagina’s behandeld, afgesloten door een toepasselijk citaat. De honderd glossen lopen op van het meest specifieke - man & vrouw, liefde & vriendschap, lachen & huilen - naar het meest algemene, zoals God & duivel en Het Zijn & Het Niets.
Het idee is aardig, maar Tourniers monomanie bederft het. Het gaat inderdaad alleen maar om ideeën, vaak zelfs alleen maar idées reçues, met veel aplomb geponeerd, met de nodige verwijzingen ook naar bevoegde autoriteiten. Maar dat alles blijft zo abstract dat je na lezing niet één beeld bijblijft. De citaten zijn vaak het interessantst; dat geeft wel te denken.
Tournier draagt zijn boek op aan de filosoof Gaston Bachelard, maar juist de lemmata 'De kelder en de zolder’ en 'Water en vuur’, waarin hij naar hem verwijst, illustreren hoe weinig hij heeft geleerd van de filosoof die in zijn boeken over de ruimte en de elementen zo goed laat zien hoe concreet men kan denken met beelden en voorbeelden.