Een ijskoude engel

Volkskrant-redacteur Hein Janssen had er beslist schande van gesproken: de jury van het 31ste Berlijnse Theatertreffen negeerde de sterren en publiekssuccessen van het Duitse toneel en koos voor het avontuur. In het juryrapport heette het: ‘Ze zijn er, de onbekende regisseurs die met toneelspelers in de kleine of middelgrote theaterhuizen opvoeringen tot stand brengen die ons weer leren verbaasd te staan.’

Vaterlandskomplex bijvoorbeeld, van de 34-jarige Jo Fabian, een brutale choreografie over het verdrongen en het heroplevende Duitse fascisme. Een onstuimige, ongepolijste Romeo en Julia in de regie van de 29-jarige Karin Beier uit Dusseldorf. Een wilde, woedende, bij jongeren uit de ex-DDR ongekend populaire versie van Othello uit Schwerin (Mecklenburg). En Brennende Finsternis, parabelstuk over het post-Franco Spanje (maar eigenlijk over de DDR), gedeeltelijk uitgevoerd door leerlingen van de toneelschool uit Bochum.
Tijdens de publieksdiscussie over het juryrapport waren de boe’s en bah’s uit het verwende (en gedeeltelijk snobistische) Berlijnse theaterpubliek niet van de lucht. De jury zou een amateuristisch, klungelig, gewild cabaretesk en gedeeltelijk zelfs racistisch aanbod bij elkaar hebben gewinkeld. Racistisch? Jawel! Want de jonge acteur uit Schwerin die Othello speelde, was met schoensmeer toegetakeld en gaf af. Of Peter Zadek en George Tabori - die beiden Othello zo ensceneerden - nooit hadden bestaan. De jury beet fel van zich af en won op punten.
Dat deed ook de eminence grise onder de Duitse acteurs, Bernhard Minetti. De 89-jarige theaterkoning werd tot keizer uitgeroepen en gelauwerd met een fikse prijs, hem uitgereikt door de regerende burgemeester, Eberhard Diepgen. Die zag de bui al hangen en sprak het verzameld artistiek voetvolk (waaronder regisseur/auteur George Tabori, regisseur Hans Neuenfels en actrice Jutta Lampe) in dampende cliches toe over benarde tijden en toegesnoerde broekriemen. Nu had Minetti van de gemeente net een onpersoonlijk briefje gekregen waarin hem ontslag werd aangezegd bij het onlangs wegbezuinigde Schiller-theater. Waardig maar geemotioneerd beet de grijze, bijna doorzichtig geworden acteur de burgemeester toe wat cultuurpolitiek anno 1994 hoort te betekenen: ‘Kein schluss mit der Kunst, sondern Raum fur die Kunst.’ Ovationeel applaus, en een wit weggetrokken burgemeester.
Afwezig waren de sterren dus geenszins, ook niet in de reguliere selectie die de jury van het Berliner Theatertreffen 1994 had gemaakt. De prestigieuze Berlijnse Schaubuhne, tegenwoordig onder leiding van Andrea Breth (40), gaf acte de presence met een enscenering van Ibsens Hedda Gabler, het noodlotsstuk over de solitaire vrouw die een eigen plek onder de zon wil, maar via een serie kleinburgerlijke valstrikken in een dodelijke fuik terechtkomt. Andrea Breth is de meesteres van het geduldige, precieze, maar toch licht gekantelde en ontregelde psycho-realisme - tijdloos, nooit voorzien van geforceerde vormen van actualisering. Dat is haar ook hier weer gelukt. Binnen de afstandelijk vormgegeven, tot in de toeschouwersruimte doorgebouwde enorme salon (ontwerp: Gisbert Jakel) bewegen met name Hedda en haar man Jorgen Tesman zich als vissen in een treurig aquarium.
Met name de interpretatie van het Tesman-personage (Ulrich Matthes) is verrassend. Andrea Breth reduceert hem niet tot de karikatuur van de kamergeleerde die vaak van Tesman wordt gemaakt. Matthes krijgt alle ruimte om Tesmans weliswaar truttige maar eerlijke liefde voor Hedda breeduit te tonen. Corinna Kirchhoff speelt Hedda zo exact en transparant dat je het idee krijgt iets maatgevends te zien, dat dit de ultieme verklanking is van de vrouw die van ledigheid een levensbedreigend wapen maakt. Het juryrapport noemt haar een 'ijskoude engel’. En ook daarin hebben ze gelijk.