JEUGD

Een IJslandse vader

Marjolijn Hof
Oversteken
Querido, 125 blz., € 12,95, 10+

Marjolijn Hof verstaat de kunst om over heel gewone meisjes ongewoon te schrijven. Ze bewees dat met haar debuut, het onlangs met de Jonge Gouden Uil bekroonde kinderboek Een kleine kans. Hierin bezweert een meisje haar angst dat haar vader – legerarts van beroep – zal sterven, door middel van een bizarre, irrationele vorm van kansberekening. Met Oversteken bewijst Hof opnieuw haar talent. Hierin vertelt ze, even lichtvoetig als trefzeker, over Meta’s vergeefse pogingen haar moeder te koppelen aan haar zoveelste nieuwe vriend, de IJslandse Bjarnie. Een minder origineel gegeven dan dat waarop Een kleine kans berust, met ook minder hilarische scènes tot gevolg. Toch beklijft Hofs nieuwe kleine verhaal. Dat dankt ze vooral aan haar ongekunstelde schrijfstijl, haar vermogen grote emoties klein te beschrijven en de rake observaties van de ik-figuur.

Een zomervakantie in IJsland is de motor voor de handeling. Een goed gekozen decor, dat spannende mogelijkheden biedt. De wilde stroomversnellingen, borrelende geisers, ruige bergen en onder ijskappen verborgen vulkanen verbergen potentieel gevaar. En IJslands natuur dient als ideale ‘relatietest’ voor Meta’s moeder. De francofiel/terrasjesliefhebber moet het zien te rooien met het ‘buiten-heb-ik-frisse-lucht-en-ruimte-en-meer-heb-ik-niet nodig’-type.

Hof schetst geloofwaardig hoe de drie vakantiegangers op elkaar reageren. Meta’s sympathie voor Bjarnie, IJsland en diens bloeddorstige saga’s groeit, terwijl haar moeder juist ontdekt dat noch de man, noch het land en de wrede verhalen die het heeft voortgebracht, bij haar passen. Dit leidt tot door Hof subtiel beschreven, onuitgesproken maar voelbare spanningen tussen Meta en haar moeder en Meta’s moeder en Bjarnie. Wanneer Meta ‘ruzie nummer vijf’ telt én hoort, vreest ze het einde van de vakantie. Ze loopt weg. Zomaar ergens heen.

Behalve op een vakantie die doorgaat, hoopt Meta vooral ‘dat Bjarnie en haar moeder doorgaan’. Je voelt voortdurend haar verlangen naar een vaderfiguur, ook al benoemt Hof dit alleen wanneer Meta de betweterige twaalfjarige Oskar ontmoet en er discussie ontstaat over of je ‘op’ of ‘in’ IJsland zegt. Het gesprek dat volgt is kenmerkend voor Hofs eigen stemgeluid: eenvoudig, humorvol, direct en ontroerend: ‘Wij zeggen thuis gewoon wat we willen. Op IJsland. In IJsland. Het maakt niet uit. “Bláberja hjálp hangikjöt.” “Wat zeg je?” “Dat is IJslands”, zei ik. “Dat heb ik van mijn vader geleerd.” “Het lijkt mij leuk, een IJslandse vader.” “Ja”, zei ik. “Beter dan een gewone.”’