Een indiase sheherazade

Vikram Chandra, Stromende regen en rode grond, vertaling Marijke Emeis, Anthos, 527 blz., 359,50
NA EEN LANG verblijf in Amerika komt een jongeman thuis bij zijn ouders in India, een aap met een wit gezicht steelt zijn spijkerbroek van de waslijn, hij vindt in een kast tussen vergeelde stripboeken en oud kinderspeelgoed een buks en schiet het beest neer. Langzaam tuimelt de aap van het dak, wanhopig naar de dakrand graaiend, een witte muur kleurt onheilspellend rood. De geschrokken ouders van de jongeman halen de gewonde aap naar binnen, omwikkelen zijn borst met zwachtels en verzorgen hem als een zoon.

Dan komt de aap weer tot leven en herinnert zich dat hij de incarnatie is van een negentiende-eeuwse dichter: ‘Ik ben het transparante mechanisme dat vroeger in een mensenlichaam zat en bekend stond als Parasjir, of Sandzjai. Ik ben die man, ik ben teruggekomen uit de schimmengebieden van de dood en de mist van de dierlijke onwetendheid.’ Omdat de aap niet bij machte is met zijn weldoeners te praten - met zijn apekeel kan hij de klanken van het Hindi of Engels niet voortbrengen - maakt hij gebruik van een typmachine. Maar hij wordt onderbroken door de Jam, de afschrikkende God van de dood, die hem komt halen. Natuurlijk wil hij niet mee nu hij juist weer tot menselijk bewustzijn is gekomen, en gelukkig krijgt hij hulp van Hanoemaan, de aapgod. Het gevolg: vermakelijk gekibbel tussen beide goden en een compromis. De aap mag in leven blijven zolang hij een publiek twee uur lang per dag weet te boeien met zijn verhalen.
Ziedaar het raam van de kolossale debuutroman Stromende regen en rode grond van de Amerikaans-Indiase schrijver Vikram Chandra. De aap is een soort eigentijdse Sheherazade die alleen aan de dood kan ontsnappen door te vertellen. En hij vertelt, over achttiende- en negentiende-eeuwse helden, over veroveringstochten en strijdgewoel, over liefde en eer. Telkens weer vloeit er bloed en kleurt de aarde rood. Hij meet ook zijn eigen levensgeschiedenis breed uit, althans de geschiedenis van zijn vorige leven als Sandzjai Parasjir, zoon van een Indiase moeder en een Ierse avonturier, George Thomas alias Dzjahaaz Dzjang.
Sandzjai is trouwens op een hoogst curieuze manier verwekt. De buurvrouw van zijn moeder, een voormalige prinses, wil wraak nemen op haar echtgenoot door een kind te krijgen van haar enige werkelijke liefde, George Thomas. Zoals het een held betaamt, heeft hij geen tijd, hij is bezig een stad te veroveren, dus maakt hij samen met een oude magiër vijf leddoes, snoepjes waarin meel en suiker vermengd zijn met zijn bloed. Omdat de moeder van Sandzjai maar niet in verwachting raakt, krijgt ze een zo'n suikerbolletje.
HET RAAM van Stromende regen en rode grond is nog veel ingewikkelder. Omdat de aap te zwak is om twee uur lang te tikken neemt op een dag de jongeman van de spijkerbroek, Abhai, het verhaal van hem over. Hij wijdt uit over zijn leven aan een Amerikaanse universteit en over de omzwervingen die hij met zijn vriendin en een vriend door het land maakt. Een soort melancholieke roadnovel in de stijl van Douglas Couplands Generation X is het resultaat. Het is ook een omkering van de Indiase verhalen: tegenover de negentiende-eeuwse kolonisatie van het magische 'Hindoestan’ door blanken staat de emigratie van de Indiase student naar het moderne land van ongekende mogelijkheden. Als de nood echt hoog is, nemen ook de ouders van de jongeman het woord. Ze vertellen over de geschiedenis van India 'zoals het waar gebeurd is’. Die 'ware geschiedenis’ lijkt allerminst op de lessen uit een schoolboekje, maar heeft het meeste weg van een mythisch epos.
En het is nog ingewikkelder. Elk verhaal dat wordt verteld is weer het raam voor nieuwe verhalen, en in die nieuwe verhalen steken weer nieuwe anektdotes, sprookjes en mythen. Het Droste-cacaoblik is er niets bij. Steeds weer staat er: 'Luister -’. Zo staan ook Sandzjais historische helden- en liefdesverhalen in een raam: een 'ik’ stuit op een oude ascetische vrouw die bevroren lijkt in haar hurkzit. Ze staart in haar holle handen en de 'ik’ moet denken aan de eerste dichter, 'die eveneens naar een geheim in holle handen had gekeken en er de dichtkunst had gevonden’. Hij blijft bij de zwijgende vrouw, brengt haar fruit en water totdat zij begint te spreken: 'Er bestaat geen volledigheid; niets blijft, niets leeft; er is alleen verandering, redeloze, onredelijke verandering; waarbij alleen geboorte en dood telkens opnieuw maar toch weer anders hetzelfde verhaal vertellen.’
Zij vertelt hem ook dat verhalen het zaad in zich dragen van andere verhalen en de 'ik’ stelt zich voor 'hoe verhalen zich spontaan vermenigvuldigen en vrolijk en compleet uit een moederverhaal komen en dan zelf ook weer kinderen krijgen en even talrijk worden als de bladeren aan de bomen, als de melkwegstelsels uit de hemel, waarbij alles met elkaar in verband staat en geen begin en geen einde kent’.
DE WERELD is kortom een 'never ending story’, de werkelijkheid één groot verhaal. Je zou dan ook denken dat Vikram Chandra een postmoderne roman heeft geschreven - en dat is ook zo. Hij volgde een schrijfcursus bij John Barth en Donald Barhelme, de grote Amerikaanse postmodernisten. Maar Stromende regen en rode grond is vooral ook een Indiaas boek. In een interview zei Chandra dat volgens een oude hindoe-opvatting het hele universum niets anders is dan een droom van Brahma, een verhaal. Daarnaast kent India een epische traditie - denk aan de Mahabharata en Ramayana - waarin het ene verhaal het andere uitlokt en verschillende verhaalstrengen een kakelbont kluwen vormen.
Het aardig is dat Jam, de aapgod Hanoemaan en de olifantgod Ganesj die zich later bij hen voegt, Sandzjai adviezen geven. Een goed verhaal heeft een raam nodig, rechtlijnigheid is de vloek van elke vertelling. En een goede verteller husselt alles door elkaar: kwellingen en frutsels en fratsels, barse kortheid en schoonheid. Zoals Ganesj hem onderwijst: 'Een wham conflictsituatie. Wat tsjakka-tsjak zingen en dansen. Verdriet. Liefde. Liefde voor de geliefde, liefde voor de moeder. Liefde voor het land. Lachen. Griezelen. En een schurk van jewelste die we toch eigenlijk heel graag mogen. En die bestanddelen goed uitgebalanceerd en dooreengemengd als een goede maaltijd in een dansfeest van smaken een voor een opgediend.’
Ganesj’ raadgeving is meteen een prachtige samenvatting van Chandra’s magistrale roman. Of beter: Chandra’s vele romans. Alle genres heeft hij bij elkaar gebracht: van klassieke gevechtsepiek tot het eigentijdse relaas van een Amerikaanse pornoster; van mythe tot realistisch reisverslag; van godenverhaal tot een parodie op Jack the Ripper. Uiteindelijk gaat het boek niet alleen over de onkenbaarheid van de wereld, de grote leugen die elk verhaal is, maar over het levensbelang van vertellen. Vandaar dat de roman eindigt zoals zij begon: een meisje is na een ongeluk op sterven na dood, ze moet worden gered met verhalen.