Een instinct voor verloren oogsten

Al het groen zal vergaan. Uit het Spaans vertaald en van een nawoord voorzien door Arie van der Wal. Uitgeverij Coppens & Frenks, 214 blz., f49,90
Het fonds van een eenmansuitgeverij verraadt uiteraard meer dan dat van een veelkoppige redactie de hand van degene die de titels heeft uitgezocht. Zo biedt de groslijst van Coppens & Frenks met werk van auteurs als Hedayat, Ungar, Bealu, Artl, Filloy, Ramos en Onetti een galerij van bizarre eenlingen, sombere eenzaten maar ook vrolijke gekken, excentriekelingen, opmerkelijke kneuzen en noem maar op. Treuriger figuur dan Agata Cruz ben ik in dit panopticum van ridders van de droeve figuur echter nog niet tegengekomen. Zij is door de Argentijnse schrijver Eduardo Mallea (1903-1982) tot hoofdpersoon genomen van zijn roman Al het groen zal vergaan uit 1941, het eerste dat van hem in het Nederlands is vertaald.

Om te beginnen heeft deze ‘ongepolijste schoonheid’ geen kindertijd gehad, levend in de slagschaduw van haar vader, een protestantse Zwitserse arts in een Argentijnse havenstad. Naast deze 'evangeliserende atheist’, ook nog eens een abominabel arts, leidt zij haar 'verzuurde wezenbestaan’ tot zij kennismaakt met Nicanor Cruz, een hoekige, sobere buitenman, die door mensen in de stad 'de verbitterde’ wordt genoemd. Na enig tegenstribbelen weet hij haar tenslotte mee te voeren naar zijn eilandbestaan op het land. De roman begint met een beschrijving van dat land, het is vijftien jaar later, na allerlei mislukkelingen leeft het paar al vijf jaar op deze plek, en sinds anderhalve maand wordt de streek geteisterd door droogte en vuur. Jaren daarvoor moet hier vruchtbaarheid hebben geheerst, daarna is de hemel voorgoed uitgedroogd. Wat het landschap te zien geeft, is de weerspiegeling van de sfeer waarin man en vrouw leven: tussen hen heerst ijzig stilzwijgen, hij tot op de graat verbitterd, gepantserd tegen elke poging van haar om dat versteende wezen in een mens te veranderen, zij gekwetst, gefrusteerd in al haar wensen en verwachtingen. Dromen zijn een soort nestkastje waarin zij zich kan terugtrekken. En als dan die ene graanoogst, waarvan de man alles verwacht, op de laatst mogelijke dag bevriest, wordt Nicanor ziek. Wanneer hij in de nacht doodvriest, heeft Agata alleen maar een vonnis voltrokken dat allang geveld was.
Zij verhuist naar de stad, die zij al bij voorbaat een even grote woestijn vindt als die zij ontvlucht, 'en zo kwam het moment waarop het lot had besloten dat ze uitverkorene zou ontmoeten’, waarvoor het lot een even charmante als onbetrouwbare advocaat heeft ingehuurd. Lang duurt het niet en het eerste teken van onverdraagzaamheid in hun relatie maakt zich al kenbaar, zeker voor iemand met een 'instinct voor verloren oogsten’. En natuurlijk is zij weer de dupe, op zekere dag meldt hij zich bij haar af met een briefje waarin hij meedeelt dat hij voor zaken naar de hoofdstad moet: 'Zo is het leven. Ik ben er de man niet naar om ergens lang te blijven. Vaarwel, vergeet alles maar.’ Voor haar is dat het begin van het einde, zo dat al niet veel vroeger lag. Zij zoekt de plaats van haar jeugd op, dwaalt verdwaasd rond, en zij, die nog wel eens vertederd naar kinderen kon kijken, wordt uitgerekend door een wilde meute kinderen opgejaagd. Terwijl elders de grote oorlog woedt, wordt zij het slachtoffer van een oorlog in het klein.
Evenmin als de hoofdpersoon kent het verhaal ook maar een lichtpuntje, zelfs geen enkele relativering, zodat de treurigheid van dit doodse levensverhaal ook bezit van de lezer dreigt te nemen. Mellea maakt indruk door de consequentheid waarmee hij dit geval van zichzelf verterend verlangen van het zwartgallige begin tot het bittere einde beschrijft. Dat het verhaal onder zijn eigen gewicht bezwijkt, wordt nog eens versterkt doordat de schrijver het niet kan laten Agata’s lijdensweg tot die van de mens in het algemeen aan te dikken met spreuken over de onvermijdelijke mislukking van alle menselijke streven. Van de weeromstuit wordt deze lezer daar weer vrolijk van.