De memoires van oud-VN-ambassadeur Rob van Schaik

‘Een insulaire mentaliteit is funest’

Rob van Schaik groeide op in een kleurrijk intellectueel milieu. Bij het verschijnen van zijn memoires toog De Groene, het ‘grotemensenblad’ waar Van Schaik zelf ooit voor schreef, naar zijn huis in Scheveningen.

Medium rc20150804 rob van schaik 07

De memoires van Rob van Schaik, voormalig ambassadeur van Nederland bij de Verenigde Naties, lezen als een who is who? van het culturele intellectuele wereldje van het Amsterdam van de jaren veertig en vijftig. In het onlangs verschenen Op weg naar een nieuwe wereld, het vervolg op Een schooljongen in de schaduw van de oorlog (2007), beschrijft Van Schaik (1927) onder meer wie er tijdens en kort na de oorlog allemaal langskwamen in zijn ouderlijk huis aan de Leidsekade. Om slechts enkele namen te noemen: Simon Vestdijk, Anna Blaman, Victor van Vriesland, Abel Herzberg, A. (Bert) Alberts en Carel Willink.

Zijn moeder was immers Jeanne van Schaik-Willing, decennialang toneelcriticus van De Groene Amsterdammer en bekend romanschrijfster. Over haar schreef Vestdijk in 1936 dat ze ‘op het ogenblik onze enige schrijfster van Europees peil [is]’, wier werk ‘wat formaat betreft zeker niet voor Virginia Woolf hoeft onder te doen (persoonlijk schat ik haar een goed stuk hoger)’. Ze gold als een gezaghebbend literator, zodat het niet vreemd was dat Otto Frank haar het dagboek van zijn dochter Anne liet lezen met de vraag of het geschikt was om te worden uitgegeven. Van Schaik beschrijft dat zijn moeder aarzelde, omdat het geen ‘literatuur’ was. Waar zou alle publiciteit niet toe kunnen leiden? Toen Het achterhuis in 1947, mede op advies van Jeanne’s zuster, de kinderboekenschrijfster Beatrice Willing, toch verscheen, was zij inmiddels van mening veranderd en liet zij zich in De Groene lovend uit over het dagboek dat wereldberoemd zou worden.

Als ik Rob van Schaik opzoek in zijn huis in Scheveningen, met een fraai Jugendstil-interieur en vol kunst die hij tijdens zijn lange diplomatenloopbaan heeft verzameld, vallen twee portretbustes van zijn moeder onmiddellijk op, plus een vroege Willink. (‘Ik herinner me nog dat hij het zelf een keer kwam bijwerken, omdat het volgens hem nog niet helemaal goed was.’) Alles ademt de sfeer van een culturele elite, waarin geld aanzienlijk minder belangrijk was dan goede smaak en vriendschappen met kunstenaars en intellectuelen.

‘Ik bewonderde die mensen die bij mijn moeder over de vloer kwamen, ook al was ik zelf geen groot lezer,’ aldus Van Schaik. ‘Bovendien waren sommigen ook erg aardig, zoals Bert Alberts. Victor van Vriesland – op wie mijn moeder in haar jonge jaren verliefd was geweest – was een vertrouwde gast. Hij kon dan tegenover anderen wel behoorlijk uit de hoogte doen, maar bij ons maakte hij vooral veel grapjes en plaatste hij bons mots. Ik voelde me op mijn gemak bij hem. Tegen een brutale vriend die hem al te amicaal “Vic” noemde riep hij uit: “Collectioneur de tutoyages!” Iemand als Groene-redacteur Anton Koolhaas had nogal een fors ego, maar wij genoten van zijn humor. Bij de viering van een jubileum van De Groene in Tuschinski trad hij op als een soort Danny Kaye. Volgens mijn moeder was ik er overigens de oorzaak van dat Adriaan Roland Holst niet meer zo vaak langs kwam, omdat ik hem een keer in zijn middagdutje gestoord zou hebben. Of dat klopte weet ik niet, want mijn moeder fantaseerde graag. Een tijdje dacht ze dat Vestdijk een oogje op haar had, want hij kwam zo vaak langs en bleef logeren. Ze werkten zelfs samen aan een roman in briefvorm, De overnachting, maar in werkelijkheid was Simon toen verliefd op Henriëtte van Eyk.’

Als hij zelf literaire of journalistieke ambities zou hebben gehad, had dit milieu hem dus een droomstart kunnen bezorgen, aangezien ook de toenmalige eigenaren van De G __r_ oene,_ Rients Dijkstra en Theo Moussault, bevriend waren met zijn moeder. ‘Maar die ambities had ik niet. Ik was niet zo met literatuur bezig, en hoewel ik altijd veel schreef en mijn eerste stuk voor een grotemensenblad in 1954 in De Groene verscheen, zag ik mezelf ook niet als schrijver of journalist. Wie die ambities wel had, was Hanny Michaelis, die later met Gerard van het Reve zou trouwen. Hanny kwam in de oorlog, op verzoek van Jacques Presser, zowel haar als mijn leraar geschiedenis op het Vossius Gymnasium, bij ons thuis als dienstmeisje werken. Als joods meisje kon ze nergens aan de slag, maar omdat mijn moeder joods was kon deze wel haar werkgever zijn. Het huishouden ging haar niet al te best af, en bovendien mocht ze, evenmin als wij, de kinderen, ondanks haar literaire aspiraties niet aanwezig zijn bij de literaire avondjes die mijn moeder organiseerde. Dit tot groot verdriet van Nico Donkersloot die geregeld langskwam en smoorverliefd op Hanny was.

Overigens vond mijn familie het aanvankelijk een vervelend idee dat zij bij ons aan tafel zou zitten, omdat wij geen pottenkijker wilden hebben bij het gebruikelijke lawaaiige, vrolijke geplaag en geruzie. De huwelijksproblemen van mijn ouders wilden we ongestoord oplossen. Dat laatste lukte niet. Mijn vader, die directeur was van het uitvoeringsorgaan van de sociale verzekeringswetten, had een vriendin en hield het niet meer uit bij mijn moeder, zodat er voortdurend spanningen waren. In 1943 vertrok hij uiteindelijk, zogenaamd omdat dit veiliger was in verband met zijn verzetsactiviteiten. Niet dat die verzetsactiviteiten onzin waren – voor de OD (de behoudende verzetsorganisatie Ordedienst – rh) verzamelde hij militaire inlichtingen die werden doorgestuurd naar Londen – maar het kwam hem wel goed uit. Drie weken voor de bevrijding werd hij trouwens gearresteerd en zou hij waarschijnlijk ter dood zijn gebracht als de top van de OD niet had onderhandeld met rijkscommissaris Seyss-Inquart, die misschien wilde laten zien dat hij ook een humane kant had.’

‘De oudere generatie had het de hele tijd over wederopbouw, maar wij jongeren wilden iets nieuws’

Nadat Van Schaiks vader op 6 mei 1945 ongedeerd de Leidsekade opwandelde leek de wereld ineens weer in orde. Al keerde hij terug naar zijn verzetsvriendin met wie hij later trouwde. Zijn zoon maakte de dag erop – en drie dagen na zijn achttiende verjaardag – de schietpartij op de Dam mee. Op 8 mei trokken de geallieerde troepen eindelijk Amsterdam binnen en was de bevrijding een feit. ‘Natuurlijk waren we dolblij dat we bevrijd waren, en ook na afloop van de bevrijdingsfeesten probeerden we zoveel mogelijk plezier te maken, maar toch bewaar ik aan de eerste vijf jaar na de oorlog gemengde herinneringen. De angst voor de bezetter en de onmiddellijke dreiging waren verdwenen, maar verder was het toch ook een verwarrende tijd. Er was vrijheid – boeken en tijdschriften als De Groene konden weer gewoon verschijnen – maar wat moesten we precies met die vrijheid? De oudere generatie had het de hele tijd over wederopbouw, maar voor ons jongeren was dat geen wenkend perspectief. Wij wilden niet het oude terug, wij wilden iets nieuws. Maar wat?

Materieel gezien was ons bestaan sjofel en sober, maar dat deerde me niet. Er was gebrek aan alles, maar vergeleken met de extreme armoede van de laatste oorlogsjaren stelde dat niets voor. En bovendien zat iedereen in hetzelfde schuitje. Maar toch, die ervaring van de oorlog bleef drukken. De meeste mensen wilden niet over het verleden praten, en als iemand wel begon over wat hij of zij had meegemaakt, als dat heel erg was, dan wist ik niet wat ik daarop moest zeggen. Tegelijk waren die eerste jaren na de oorlog een soort ontdekkingsreis, alles was nieuw, mensen van mijn generatie moesten de in de oorlog opgelopen achterstand inhalen.

Ik werd lid van het corps, hoewel daar toen al kritiek op kwam. Ik heb mij er met plezier in gestort. Maakte vrienden uit andere milieus. Ik debatteerde in de Asva-ledenraad. Ik liftte naar Frankrijk en Italië, ontmoette studenten uit andere landen, de komst van de eerste grote groep Amerikaanse studenten was op zichzelf een bevrijdingsfeest. De artistieke en intellectuele wereld die ik van huis uit kende had leuke en aangename kanten. Er waren veel interessante en kleurrijke figuren die ik ook daarbuiten leerde kennen. Toch kreeg ik het idee dat we op een eilandje leefden. Dat zie je trouwens in alle steden met een sterke culturele elite, bijvoorbeeld in New York, maar Amsterdam is nu eenmaal veel kleiner, je kwam elkaar almaar tegen. Men keek vooral naar elkaar, probeerde elkaar te imponeren en was erg gericht op de eigen omgeving. Heel wat kunstenaars en intellectuelen uit die tijd hadden weinig oog voor gebeurtenissen die zich buiten Amsterdam en buiten Nederland afspeelden, in de internationale politiek. Dat vond ik beperkt. Soms kreeg ik het gevoel dat we terugkeerden naar de neutraliteitspolitiek van voor de oorlog, dat men zich terugtrok in een als veilig ervaren isolement. >

Ook begon ik vraagtekens te zetten bij de politieke opvattingen van bepaalde mensen uit de kring rond mijn moeder en De Groene. Begrijp me niet verkeerd: toen het om de oorlog in Indonesië ging stonden ze aan de goede kant. Daar waren ze fel op tegen, maar als het om het communisme en de Sovjet-Unie ging, dan was dat een ander verhaal. Ik begreep niet dat mensen na de communistische machtsovername in Praag, begin 1948, nog vertrouwen in de Sovjet-Unie konden hebben. In De Groene kwam buitenlandcommentator Sem Davids altijd met “verklaringen” voor het optreden van de Russen, maar echt afkeuren deed hij het bijna nooit. Davids schreef overigens ook prachtige stukken over andere zaken. Toen ik Rients Dijkstra, mede-eigenaar van het blad en tevens de officieuze hoofdredacteur, eens vroeg waarom De Groene zo eenzijdig en vergoelijkend over de Sovjet-Unie schreef, antwoordde hij dat alle andere bladen alleen maar kritiek uitten, zodat het goed was om een tegenwicht te bieden en vooral kritisch over de Verenigde Staten en het Westen te schrijven. Zo bleef de boel tenminste een beetje in balans. Ook in die zogenaamde beweging van de “Derde Weg”, die sterk door De Groene werd gepropageerd, zag ik niets. Ik kon de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie niet zien als twee grootmachten die even verwerpelijk waren. Het anti-Amerikanisme was heel sterk, en dat leek mij kortzichtig.

Er werd in de kringen waarin ik verkeerde soms met veel aplomb beweerd dat Amerika het kwade alter ego van Europa was. De roes van de bevrijding, toen de Amerikanen de helden waren, was al snel voorbij. De nadruk werd gelegd op wat er aan de Amerikaanse samenleving mankeerde, niet op de positieve dingen. Dat zie je ook in het boek dat Presser publiceerde, Amerika: Van kolonie tot wereldmacht (1949). Hoewel hij ook oog had voor de dynamiek en vitaliteit, overheersen in dat boek toch de in zijn ogen funeste gevolgen van de puriteinse kolonisten, de discriminatie van zwarten, het trieste lot van de indianen, de rancune jegens andere minderheden, corruptie, maffiageweld, de Ku Klux Klan en de anticommunistische heksenjacht van McCarthy en de zijnen. Natuurlijk was ik daar niet blind voor, maar ik zag tegelijk een ongelooflijke dynamiek en energie, een land dat volop in beweging was en dat grootse dingen tot stand bracht. Presser besteedde weinig aandacht aan de invloed van de vloedgolf van migranten aan het eind van de negentiende eeuw. Ik kende Presser goed, hij was vriend van de familie, ik mocht hem graag. Ik heb begin jaren veertig veel bij hem thuis geschaakt. Een bijzondere en bijzonder geleerde man, maar ik hield niet van zijn gekunstelde nederigheid. Zijn bescheiden afkomst bleef hem in de weg zitten.’

Er waren uiteraard ook intellectuelen die pro-Amerika en anti-Sovjet-Unie waren. Mensen als Jacques de Kadt, Sal Tas, Frans Goedhart en Geert van Oorschot hadden Het Parool als voornaamste spreekbuis. ‘Daar had ik geen contact mee, met sommigen voelde ik pas later enige verwantschap. Het was een club die sterk gescheiden was van de wereld rond De Groene. Het waren overigens niet dit soort tegenstellingen die mij benauwden. Ik hield er afstand van. Ik wilde gewoon weg, naar Amerika.’

‘Ik begreep niet dat mensen na Praag ’48 nog vertrouwen in de Sovjet-Unie konden hebben’

In 1953 was het zo ver en kon Van Schaik een jaar economie studeren in Chicago, terwijl hij uitgebreid gebruik maakte van de gelegenheid om door de VS te reizen. ‘Ja, dat was geweldig. Je moet niet vergeten dat het land toen voor ons nog grotendeels een mysterie was, dat het weinige dat we ervan wisten afkomstig was uit boeken en films. Die uitgestrektheid, de grote verschillen met Europa, de dynamiek, het op de toekomst gericht zijn, het positieve levensgevoel – dat alles werkte heel bevrijdend. In De vleespotten van Egypte beschrijft Marnix Gijsen hoe de hoofdpersoon tijdens een reis door Amerika ineens – pang! – het gevoel heeft dat hij Europa achter zich had gelaten. Die ervaring had ik ook. Ik had op een gegeven ogenblik het gevoel dat ik de oorlog achter me had gelaten. Natuurlijk had Amerika meegevochten in de oorlog en waren er veel Amerikanen gesneuveld, maar het land was niet bezet geweest, niet onderdrukt, had niet die angst gekend. En dat maakte een groot verschil, dat merkte je gewoon aan de mensen met wie je omging. Ik vond dat bevrijdend.’

De overgang van het linkse wereldje in Amsterdam naar de universiteit van Chicago moet groot geweest zijn, aangezien de economische faculteit daar zich profileerde als alternatief voor het keynesianisme. ‘Inderdaad, al had ik er aanvankelijk geen benul van hoe binnen de universiteit de verhoudingen lagen. De Chicago School of Economics was allesbehalve een gesloten blok. Zo behoorde de beroemde Friedrich Hayek niet tot de economische faculteit maar doceerde hij sociale filosofie, en verklaarde Milton Friedman dat hij Hayek wel bewonderde, maar dan als politiek denker en uitdrukkelijk niet als econoom. Ook een beroemde econometrist als Frank Knight, die eveneens Keynes bestreed, moest weinig van Hayek als econoom hebben, omdat die weinig fiducie in statistieken had. Ik heb wel een paar colleges van Hayek gevolgd, maar toen geloofde ik het wel, net als de politicologiecolleges van de tegenwoordig zo vereerde Leo Strauss. Achteraf heb ik daar wel spijt van gehad, want het waren toch wel mannen die iets te vertellen hadden, maar voor mij waren dat toen vooral oude Europese denkers die nog met hun voeten in de modder van de Eerste Wereldoorlog hadden gestaan. Ik zocht iets vernieuwends, iets authentiek Amerikaans. Ik was gefascineerd door de New Deal van president Roosevelt, iets waar figuren als Friedman ook niets van wilden weten.’

Ondanks zijn fascinatie en bewondering voor de VS besloot Van Schaik er toch niet te blijven. ‘Nee, het was trouwens wel het eerste wat Amerikanen je vroegen: wil je hier wonen? Uiteindelijk ontdekte ik echter in Amerika dat ik toch een Europeaan ben, dat ik op dit continent thuishoor. Ik wilde, hoe gering ook, een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van Europa.’

Na enkele jaren in het bedrijfsleven te hebben gewerkt kwam Van Schaik eind jaren vijftig in dienst van het ministerie van Buitenlandse Zaken. Hij was betrokken bij de laatste fase van de Marshall-hulp en het begin van de Europese Economische Gemeenschap, en werd in de jaren zestig directeur Economische Samenwerking, waaronder ook de portefeuilles Milieu en Energie vielen. In 1978 werd hij Nederlands ambassadeur in Nairobi, waar hij niet alleen verantwoordelijk was voor de relaties met Kenia maar ook voor Oeganda. ‘Dat was een spannende tijd, want het waren de nadagen van Idi Amin. Een afgrijselijke man, en zo iemand moet je dan een hand geven. Het liep daar helemaal mis en op zeker moment moest ik een groep Nederlandse missionarissen ’s avonds over de telefoon moed inspreken, terwijl je op de achtergrond mitrailleurvuur hoorde.’

In de jaren tachtig werd Van Schaik directeur-generaal Internationale Samenwerking, waarmee hij ontwikkelingshulp en VN-beleid onder zijn hoede kreeg. Vanaf midden jaren tachtig concentreerde het werk van Van Schaik zich steeds meer op de Verenigde Naties, en nadat hij Nederland eerst in Genève had vertegenwoordigd, werd hij in 1989 de permanente vertegenwoordiger bij de VN in New York. Ook dit was geen saaie periode. In Berlijn viel de Muur en de Eerste Golfoorlog brak uit. Na zijn pensionering in 1992 heeft hij als speciaal afgezant van de secretaris-generaal van de VN Kofi Annan nog missies vervuld in de Palestijnse gebieden en Soedan, om daarna zijn vrouw te vergezellen, die als diplomaat in Beijing en Skopje werd gestationeerd en op het laatst de Nederlandse ambassadeur bij de Unesco in Parijs was.

‘Ja, ik ben een bevoorrecht mens. Dat ik zo bezig kon zijn op het internationale vlak, dat ik een kleine bijdrage kon leveren aan de ontwikkeling van Europa. Dat is wat ik, zij het heel lang onbewust, als jongeman al wilde. Niet omdat ik een hekel heb aan Nederland, maar juist omdat ik ervan overtuigd ben dat we niet op een eilandje wonen, en dat een insulaire mentaliteit funest is.’


De boeken van Rob van Schaik, Een schooljongen in de schaduw van de oorlog en Op weg naar een nieuwe wereld, zijn uitgegeven in eigen beheer en verkrijgbaar bij de boekhandels Paagman in Den Haag (paagman.nl) en Zwart op Wit in Amsterdam (zwartopwitboekhandel.nl)