De Groene Live #26: Strijd om de ziel van Amerika. Kijk woensdag om 20.30 naar de live-uitzending. Meer informatie

Vernieuwend onderzoek naar kolonialisme

Een integraal verbonden rijk

Ons koloniaal verleden dringt steeds meer geschiedenisstudies binnen, leert een rondgang langs onderzoekers. Maar de maatschappelijke aandacht beweegt sneller dan de wetenschap.

Landrente­werkzaamheden in de Preanger Regentschappen, ca. 1900. Deze foto is onderdeel van de tentoonstelling ­Dossier Indië, nu in het Wereld­museum in Rotterdam © Collectie Nationaal Museum van Wereldculturen

Op weinig terreinen is er zoveel maatschappelijke dynamiek als over de vraag wat ons koloniale verleden precies was, en hoe het doorwerkt in het heden. In media, politiek en debatcentra wordt volop gediscussieerd over standbeelden, musea en racisme. Boeken en ideeën die tot voor kort een kleine kring Nederlanders bereikten, staan volop in de aandacht. De Canon van Nederland is er al op aangepast, het thema van de jongste Maand van de Geschiedenis is Oost/West.

Maar als ze ernaar worden gevraagd zeggen onderzoekers op het gebied van koloniale geschiedenis allemaal hetzelfde: die maatschappelijke dynamiek en interesse vertalen zich nog niet in een identieke dynamiek binnen het wetenschappelijke domein. Er is nu veel meer interesse in de resultaten van onderzoek, maar de beurzen, onderzoeksprojecten en nieuwe vakgroepen schieten nog niet als paddenstoelen uit de grond. ‘Er wordt nu wel heel veel gezegd en geschreven over koloniale geschiedenis en racisme, maar qua nieuw onderzoek valt het nog aardig tegen’, zegt bijvoorbeeld Nancy Jouwe, freelance onderzoeker aan onder meer het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (iisg).

‘Koloniale geschiedenis’ is ook wel een erg breed begrip. Toen De Groene Amsterdammer drie jaar geleden een rondgang maakte langs wetenschappers over nieuw onderzoek naar het Nederlandse slavernijverleden (‘Van een wit naar een zwart perspectief’, 25 oktober 2017) noemden die vaak dezelfde nieuwe studies, en kenden zij ook bijna altijd elkaar en in ieder geval elkaars werk. Slavernij raakt veel aspecten van de Nederlandse koloniale geschiedenis, en is er niet buiten te plaatsen. Koloniale geschiedenis voorbij het deelgebied van slavernij daarentegen kent een grote variatie aan thema’s en benaderingen. ‘Het is echt een heel groot veld’, zegt Karwan Fatah-Black, onderzoeker aan de Universiteit Leiden. ‘Ik vind het interessant om discussies te volgen over geweld tijdens de dekolonisatie-oorlogen in de twintigste eeuw, maar het is echt totaal andere geschiedenis dan Nederlandse handelaren overzee in de zeventiende eeuw. De paraplu “koloniale geschiedenis”, daar valt wel heel veel onder.’

Een rondgang langs onderzoekers over nieuw, interessant onderzoek onder die paraplu is daarom ook gefragmenteerder; ook de best geïnformeerde onderzoekers kennen maar een deel van dat terrein goed. ‘Ik wil echt niet pretenderen dat ik alles weet over alle terreinen van onderzoek over de koloniale geschiedenis’, lacht bijvoorbeeld Valika Smeulders, die deze zomer begon als hoofd geschiedenis van het Rijksmuseum.

Koloniale geschiedenis dijt ook uit. ‘Er is op meer plekken aandacht voor het koloniale verleden dan vroeger’, zegt Fenneke Sysling, een onderzoeker aan de Universiteit Leiden. ‘De discussies rond standbeelden worden zo langzamerhand wat afgezaagd, maar ze geven aan dat er meer dan vroeger wordt nagedacht over wat kolonialisme heeft betekend in de Nederlandse geschiedenis en hoe het onderdeel is geworden van de publieke ruimte. Meer steden en regio’s van Nederland willen laten uitzoeken wat hun eigen koloniale verleden was. Onderzoekers kijken naar minder voor de hand liggende plekken, zoals Miel Groten naar de rol van de Zaanstreek in het wereldwijde netwerk van koloniale handelswaar. En naar instituten zoals natuurhistorische musea: al die opgezette vlinders en kevers zijn uiteindelijk ook een erfenis van ons koloniale rijk.’

Het blootleggen van de koloniale erfenis op nieuwe plekken in de samenleving is geïnspireerd door de trend van New Imperial History in Groot-Brittannië, zegt Remco Raben, docent geschiedenis aan de Universiteit Utrecht en hoogleraar koloniale en postkoloniale literatuur- en cultuurgeschiedenis aan de UvA. ‘Veel meer mensen willen nu zichtbaar maken wat de effecten van het kolonialisme waren op Nederland en op de Nederlandse cultuur. Soms is dat uit de overtuiging dat die erfenis onvoldoende gezien wordt. Daar spelen ook onderzoekers van buiten universiteiten een grote rol in’, zegt hij. ‘Dat reconstrueren van de sporen van het kolonialisme betreft soms inderdaad stads- of streekgeschiedenis, maar ook de effecten van kolonialisme op de Nederlandse cultuur en mentaliteit. Dat levert soms veel op, zoals de bundel The Dutch Empire between Ideas and Practice, waarin veel connecties worden gelegd tussen de ontwikkeling van politieke ideeën in Nederland en het kolonialisme, of het komende boek Metropolitan History of the Dutch Empire, waarin Matthijs Kuipers blootlegt hoe sommige groepen in Nederland heel sterk, en andere veel minder werden gevormd door de koloniale ervaring.’

Maar even belangrijk, meent Raben, is dat onze koloniale geschiedenis door veel meer onderzoekers wordt gezien als een onderdeel van hun eigen verhaal. ‘Onderzoekers naar Europese of Nederlandse geschiedenis doen dat nu veel vaker vanuit het perspectief van de Nederlandse rol in de wereld. Mensen betrekken de koloniale geschiedenis in hun onderzoek naar de geschiedenis van mensenrechten, internationale betrekkingen, antropologie, de Nederlandse cultuur en samenleving. Onze visie op de geschiedenis globaliseert. Wereldgeschiedenis begint echt effect te krijgen op hoe we geschiedenis zien.’

Veel maatschappelijke interesse voor de doorwerking van het kolonialisme op het heden is gewekt door Witte onschuld van Gloria Wekker uit 2016. Maar de gepolste onderzoekers zeggen dat de aandacht voor Wekkers boek zich niet heeft vertaald in een vergelijkbare hoeveelheid nieuwe wetenschappelijke studies. ‘Iedereen verwijst naar Gloria Wekker’, zegt Nancy Jouwe, ‘maar dat is maar een van de weinige werken waarin een duidelijke, kritische link wordt gelegd tussen het kolonialisme en de doorwerking ervan naar racisme in het heden. Nederland loopt daarin echt achter. Hoe racisme onderdeel was van de Indische maatschappij, en hoe dat meegenomen werd naar Nederland, inclusief het denken over witheid – dat boek bestaat volgens mij gewoon niet.’

‘Er is in Nederland op zich heel veel geschreven over koloniale geschiedenis’, vervolgt ze. ‘Heel veel daarvan gaat over Indië. De Cariben hebben daarmee vergeleken een veel kortere plank. En weer een veel kleinere plank is er voor Zuid-Afrika. Veel van dat onderzoek blijft alleen in een kleine kring van onderzoekers en betrokkenen bekend. Het is niet deel van ons cultureel archief, om in Wekkers termen te spreken. In dat cultureel archief was bijvoorbeeld Zuid-Afrika alleen een verversingsstation, niet de Kaapkolonie die het werd, en die evolueerde naar het apartheidsregime.’

Ook opmerkelijk, vindt Jouwe, is dat de kennis over de verschillende Nederlandse koloniën nauwelijks wordt gekoppeld. ‘Het is opvallend dat onderzoekers vaak onderzoek doen naar kolonialisme en de nasleep daarvan in Indië ofwel in de Cariben, en dat het maar weinig wordt samengebracht. Guno Jones en Esther Captain hebben het tien jaar geleden wel gedaan, in Oorlogserfgoed overzee, over de Tweede Wereldoorlog in het Nederland dat niet aan de Noordzee ligt. Zo’n boek zou in de huidige maatschappelijke sfeer veel meer aandacht krijgen.’

Karwan Fatah-Black ziet veel initiatieven om juist de verbindingen aan te brengen tussen wat we van de verschillende delen van het Nederlandse rijk weten. ‘Vroeger bestonden er vrij hoge schotten tussen specialisten van “de West” en “de Oost”. De laatste jaren zie je bij onderzoekers de expliciete ambitie om meer wisselwerking te bereiken, en om het Nederlandse rijk ook echt als één rijk te zien’, zegt hij. ‘In hoe we de geschiedenis zagen, zat een heel formalistische structuur, met een scherpe scheiding tussen Europese rijken, en binnen het Nederlandse rijk een scherpe scheiding tussen wat de West-Indische Compagnie bestuurde en wat de Verenigde Oost-Indische Compagnie.

Door recent onderzoek begrijpen we twee dingen steeds beter. Aan de ene kant dat vanuit Nederland het koloniale rijk ook echt als één rijk werd bestuurd. Dezelfde mensen stonden aan het hoofd bij beide Compagnieën, mensen probeerden in hun carrière tussen die Compagnieën te laveren, en Oost en West waren op allerlei manieren verbonden. En ten tweede dat er allemaal Europese handelaren waren, met name Nederlandse, die over de grenzen van verschillende koloniale rijken opereerden. Het project Exploiting the Empire of Others van Catia Antunes brengt dat bijvoorbeeld in kaart.’

‘Met een schuldgeschiedenis van het Westen geven we de geschiedenis niet terug aan de gekoloniseerden, het blijft dan westers’

‘Het is jammer dat rechtshistorisch onderzoek wat is ondergesneeuwd, maar daar is weer meer aandacht voor’, vervolgt Fatah-Black. ‘Rechtbanken in de koloniën begonnen met Nederlands recht, maar pasten dat aan de lokale setting aan. Ze creëerden een bepaalde raciale, religieuze en seksuele politiek en schiepen daar een juridische context voor. Dat vormde de raciale werkelijkheid in de kolonies. Zelf hoop ik onderzoek te doen naar de Oranjes. Het is vreemd dat wat de koloniën betreft de focus altijd ligt op ofwel de Nederlandse handelaren en ondernemers ofwel het lokale verzet en opstand daartegen. Daardoor raakt uit het oog hoe macht in de Republiek uitwerkte in de koloniën. Het is gek dat we weten dat de familie Oranje-Nassau een enorme rol speelde in de Nederlandse Republiek in de zeventiende en achttiende eeuw, terwijl we de koloniale geschiedenis daar los van schrijven. Als je de boeken erbij pakt van wat ik de vorige generatie onderzoekers zal noemen, dan wordt de naam van de Oranjes zelden of nooit genoemd. Terwijl hún ambitie om van Nederland een wereldrijk te maken natuurlijk groot gewicht had voor hoe de Compagnieën opereerden.’

Vrouwen en kinderen aan het werk op een koffieplantage onder het toezicht van een witte planter op Java, in Nederlands-Indië, ca. 1933 © Nationaal Archief / Collectie Spaarnestad / Onnes Kurkdjian

Zo’n soort generatieverschil schemert ook door bij het grootste onderzoeksproject van dit moment op het gebied van koloniale geschiedenis, Onafhankelijkheid, dekolonisatie, geweld en oorlog in Indonesië, 1945-1950. Er is over die dekolonisatie de laatste jaren nogal wat verschenen: over Nederlandse oorlogsmisdaden tijdens de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog, over de verdoezeling daarvan door de Nederlandse regering, en over de schuldbetalingen die Nederland daarna nog van Indonesië eiste. De meeste aandacht trok het proefschrift De brandende kampongs van Generaal Spoor van Rémy Limpach, dat in 2016 in Nederland verscheen. De Nederlandse regering verwees er expliciet naar bij de aankondiging dat een groot onderzoeksproject zou worden gefinancierd, ‘vanwege nieuwe signalen van structureel geweld’ tijdens de dekolonisatie.

Pas over een jaar verschijnen hun bevindingen, maar allerlei critici hebben zich vooraf al laten horen. Sommigen vinden het onderzoeksteam te wit, te veel establishment. Anderen vertrouwen de aangesloten onderzoeksinstituten niet, met name het Nederlandse Instituut voor Militaire Historie, dat onderdeel is van Defensie. Weer andere critici denken juist dat geweld tegen (Indische) Nederlanders en mensen die als pro-Nederlands werden gezien buiten beeld blijft. Onder de onderzoekers zelf, zo is duidelijk, bestaan ook meningsverschillen.

‘Oudere onderzoekers vinden doorgaans dat een historicus distantie moet hebben tot het onderwerp en zelf niet moet oordelen. Jongere onderzoekers vinden vaak dat zij wél morele oordelen moeten vellen’, zegt Fenneke Sysling. ‘Het oude adagium show, don’t tell voldoet voor ons niet meer, wij willen benoemen wat fout is en meedenken over hoe je daarmee om moet gaan. Die discussie speelt ook bij het dekolonisatieproject.’

Remco Raben, die onderzoeker bij het dekolonisatieproject is, benoemt ook de problemen die de focus op het handelen van Nederlanders met zich meebrengt. ‘Er is in Nederland veel meer aandacht ontstaan voor het geweld van het kolonialisme: incidenteel geweld, maar ook economisch geweld, slavernij, systematisch geweld. Dat is winst voor historici, die te danken is aan activisten die het op de maatschappelijke agenda hebben gezet. Maar aan deze geschiedschrijving kleeft wel een nadeel: het levert een wat binaire geschiedschrijving op: centraal staan goed en fout, wit daderschap en donkere slachtoffers. Voor een deel klopt dat frame, want geweld en dwang waren realiteit en verdienen alle aandacht, maar het houdt toch het perspectief en het initiatief bij de westerling. Een de-koloniaal perspectief zou de Indonesiërs centraal stellen. Eigenlijk is dit toch de agenda van 1970.’

Het is niet makkelijk om de ontwrichting van het kolonialisme centraal te stellen en toch recht te doen aan het eigen initiatief van de gekoloniseerden, denkt Raben. ‘Met een schuldgeschiedenis van het Westen geven we de geschiedenis niet terug aan de gekoloniseerden, het blijft dan westerse geschiedenis. Maar het is duidelijk een nieuwe trend om dat te proberen. Ik hou ook het meest van studies waarin dat goed lukt. Zoals Ethan Mark, die met Japan’s Occupation of Java een schitterend boek schreef over hoe Indonesische intellectuelen reageerden op de Japanse bezetting. Dat geeft een totaal andere blik op de Tweede Wereldoorlog op Java dan de traditionele focus op Nederlanders in kampen.’

Nog een schot dat langzaam neerdaalt, is dat tussen Nederlands onderzoek naar koloniale geschiedenis en het buitenland. Veel Nederlandse onderzoekers publiceren alleen nog in het Engels, en buitenlandse onderzoekers begeven zich vrijelijk in het Nederlandse koloniale verleden. Nederland is geen voorloper op het gebied van koloniale geschiedenis, zo maakt de rondgang langs onderzoekers duidelijk, maar een volger. Zij halen allemaal inspiratie uit wat in het buitenland gebeurt, en zeggen te hopen dat bepaald onderzoek of een bepaalde methode ook in Nederland wordt gevolgd.

Voor Valika Smeulders is dat onder meer de voortrekkersrol die musea kunnen hebben voor onderzoek. ‘Negen jaar geleden opende in New York de tentoonstelling Revolution! The Atlantic World Reborn, waarin de Amerikaanse, Franse en Haïtiaanse revoluties als één verhaal werden verteld. Dat was niet alleen een vernieuwende blik op die revoluties, maar zorgde ook voor een heropleving van aandacht voor de Haïtiaanse revolutie en voor de Atlantische driehoeksrelatie tussen revolutionairen uit die tijd en hun ideeën. Onderzoekers konden daarvan profiteren, wat weer tot nieuwe studies leidde.’ In Nederland is dat bijvoorbeeld Revolutionaire tijden van René Koekkoek, dat vorige maand verscheen.

Een ander voorbeeld dat Smeulders noemt, is Slavery and the Culture of Taste van Simon Gikandi: ‘In dat boek wordt een overtuigend verband gelegd tussen de ontwikkeling van smaak en hoge cultuur in Europa en het Europees kolonialisme. Zulke boeken zijn goede voorbeelden van wat onderzoek aan vernieuwende inzichten kan opleveren.’

Nancy Jouwe vindt dat die voortrekkersrol van studies in het Engelse taalgebied ook een negatieve zijde heeft. ‘Er zijn veel onderzoekers uit wie ik inspiratie haal, zoals Ann Stoler en Anne McClintock. Zij schrijven over kolonialisme en gender op een manier die in Nederland nog veel meer mag’, zegt ze. ‘Dat we buitenlandse voorbeelden kunnen volgen is natuurlijk aan de ene kant mooi, maar het is ook een gevolg van hoe moeilijk het in Nederland is om buiten bepaalde kaders onderzoek te doen. Als je niet werkt binnen een gevestigd instituut moet je als onderzoeker van goeden huize komen om geld te krijgen voor langdurig onderzoek. Er zijn wel onderzoekers die dat doen, zoals Patty Gomes, maar je moet er echt gemotiveerd voor zijn en het is niet makkelijk.’

‘Dat ligt enerzijds aan geld, en aan de institutionele backing die nodig is om veel projecten van de grond te krijgen’, verklaart Jouwe. ‘Maar het is ook een kwestie van wie bereid is de nek uit te steken, en wat de kansen op waardering zijn als je werk niet eerst in het buitenland op waarde is geschat. Als je onderzoek doet over de doorwerking van kolonialisme in het heden krijg je al snel heel wat over je heen. Dat zag je bijvoorbeeld bij Philomena Essed, maar ik heb het zelf ook ervaren toen ik met collega’s de Gids Slavernijverleden online zette. Het is ook geen toeval dat vernieuwend onderzoek soms de omweg van het buitenland moet nemen. Gloria Wekker wordt nu overal geciteerd en geïnterviewd, maar haar boek kwam ook eerst uit in het Engels. Chandra Frank promoveerde onlangs op de geschiedenis van de zwarte feministische beweging, maar het is geen toeval dat zij dat doet in Engeland. Het is heel moeilijk om in Nederland een promotieplek of een gesubsidieerde onderzoeksplek te krijgen voor dat soort onderwerpen.’

Toch is Jouwe optimistisch over de toekomst: ‘Utrecht, Rotterdam en Amsterdam geven nu via de gemeente onderzoeksopdrachten uit om de koloniale geschiedenis van de stad in te vullen. Dat gaat ongetwijfeld meer gebeuren in andere gemeenten. En de kennis die in een kleine kring van historici en onderzoekers bestaat over het koloniale verleden wordt langzaam naar een ander niveau getild. Soms komt daarbij hulp uit onverwachte hoek, zoals toen de acteur Thom Hoffman de fototentoonstelling Dossier Indië cureerde en het fotoboek Een verborgen geschiedenis uitgaf. Hij deed natuurlijk wel een beetje alsof hij het allemaal voor het eerst blootlegde, maar dat zij hem vergeven: voor het grote publiek was het toch nieuw. Die nieuwe vormen van visualisatie van koloniaal geweld geven ook meer ruimte voor het grotere verhaal.’

Karwan Fatah-Black weet het nog niet. ‘Er leven nu maatschappelijke vragen waartegen al lang weerstand bestaat in de geesteswetenschappen om ze expliciet te stellen’, zegt hij. ‘Daar ligt iets fundamenteels onder, namelijk de vraag over het verband tussen onze nationale identiteit en ons koloniale verleden. Dat Nederland voor het grootste deel van zijn geschiedenis een koloniale mogendheid was met een geracialiseerde slavernij, daar willen veel mensen gewoon niet aan. En dat maakt het moeilijk om geld en ruimte te krijgen om daar onderzoek naar te doen.’