De Franse arbeidersleider Chevrot spreekt arbeiders van een treinstaking toe. Februari 1920 © Topical Press Agency / Hulton Archive / Getty Images

‘Uiteraard is het uitgesloten dat ik ooit de stichter van een school zal worden’, schreef Georges Sorel in 1907 in een brief aan een jonge bewonderaar. Daarvoor vond hij zichzelf te sceptisch, te weinig geneigd om dogma’s te verkondigen. ‘Leerlingen verwachten van hun meesters dat ze het tijdperk van de twijfel afsluiten door met definitieve oplossingen te komen. Ik heb geen enkele aanleg voor zo’n rol.’

Dat liep toch anders. Zelf maakte hij het niet meer mee, maar na zijn dood in 1922, precies honderd jaar geleden, werd Sorel door een nieuwe generatie politici als een grote inspirator beschouwd. ‘De sleutel tot al het contemporaine politieke denken’, noemde de Britse avant-gardist Percy Wyndham Lewis hem in 1926. En dat was niet eens overdreven. Benito Mussolini, een paar weken na Sorels dood aan de macht gekomen, verklaarde dat hij van alle denkers die hem hadden beïnvloed het meest aan Sorel te danken had: ‘Door zijn harde leer over de revolutionaire tactiek heeft hij het meest bijgedragen om de discipline, de energie en de kracht van de fascistische cohorten te vormen.’

Tijdens zijn leven was Sorel een intellectueel in de marge gebleven. 25 jaar lang was hij ambtenaar geweest bij het ministerie van Openbare Werken. Op zijn 45ste nam hij ontslag en trok hij zich terug in een voorstad van Parijs, en begon hij te schrijven voor marxistische tijdschriften. De invloed die hij na zijn dood uit zou oefenen kwam voornamelijk voort uit één boek dat hij schreef – eigenlijk was het een reeks artikelen die hij in het Franse tijdschrift Le mouvement socialiste had gepubliceerd, en die in 1908 werd gebundeld onder de titel Réflexions sur la violence.

Anders dan je van die titel, en van het feit dat Sorel door Mussolini bewonderd werd, zou verwachten, is het niet zozeer geweldsverheerlijking waar het in dit boek om draait. Waar het Sorel echt om ging was de geloofwaardigheid van de socialistische partijpolitiek. Want daarover was begin twintigste eeuw onder de oude socialistische aanhang bittere teleurstelling gaan heersen.

Toen ook al? Bezien vanuit de 21ste eeuw komen de problemen waar de socialistische partijen in Sorels tijd mee worstelden opmerkelijk bekend voor. Na de grote verkiezingswinst van 1898 hadden de Franse socialisten besloten om deel te nemen aan de links-liberale regering van René Waldeck-Rousseau, tot grote teleurstelling van een deel van de achterban, dat de partijleiders beschuldigde van pragmatisme, carrièrezucht en veel te grote toegeeflijkheid tegenover de liberale partijen. Dat de oorspronkelijke idealen waren verwaterd was volgens Sorel alleen al te merken aan de vage, verhullende termen waarmee de sociaal-democratische bestuurders zowel de eigen achterban als de politieke bondgenoten in het parlement tevreden probeerden te houden: ‘De arbeiders doen geloven dat je het vaandel van de revolutie hoog houdt, de bourgeoisie dat je het gevaar dat haar bedreigt tot staan brengt, en het land dat je een onstuitbare stroming in de publieke opinie vertegenwoordigt.’

Door al dat geschipper kon de achterban van arbeiders geen touw meer vastknopen aan wat de standpunten van hun partij nu echt waren. ‘De hedendaagse socialisten bedienen zich van een terminologie die niet meer met hun ideeën overeenkomt’, zo constateerde Sorel al in de tweede zin van zijn boek. In hun toespraken voor de achterban hadden de partijleiders nog de mond vol van ‘klassenstrijd’ en ‘revolutie’, maar in de achterkamertjes van de macht gebruikten ze die alleen nog als dreigement om concessies af te dwingen bij de werkgevers met wie ze aan de onderhandelingstafel zaten.

En zo kon het kapitalistische systeem zonder al te veel bedreigingen blijven bestaan, waarbij de socialistische partij hoogstens wat geleidelijke verbeteringen in de leefomstandigheden van de arbeiders afdwong. Maar de totale omwenteling zoals Marx die voor zich had gezien, van een machtsbolwerk dat in zou storten en in zijn geheel vervangen zou worden door een economie waar de arbeiders zelf zeggenschap zouden hebben over de productiemiddelen, was al lang het doel niet meer – in elk geval niet voor de partijtop. Wel voor de arme sloebers die zich kapot werkten in de fabrieken en die nog steeds de revolutie in het vooruitzicht kregen gesteld. Het was deze ‘scheiding tussen leiders en volgelingen’ die in Sorels ogen perverse vormen had aangenomen, en die hem dreef tot het schrijven van zijn boek.

Het ‘geweld’ uit de titel sloeg dan ook in de eerste plaats op een politiek van onverzettelijkheid die de socialisten zouden moeten omarmen, in weerwil van hun leiders. Het doel zou weer moeten zijn om het ‘kapitalisme te vernietigen’ in plaats van zich eraan te conformeren. De organisaties die hij daar het best toe in staat achtte, waren de vakbonden. Daar zat de meeste energie, de meeste strijdbaarheid. Daar liepen nog mannen rond die bereid waren om de confrontatie aan te gaan. En als het nodig was een flinke mep uit te delen.

Sorel stelde zich er een soort rechtschapen mannen-uit-één-stuk bij voor, die anders dan de ‘slappe en verwijfde’ burgerij tenminste bereid waren om voor zichzelf en voor hun overtuigingen op te komen. Typerend genoeg omschreef hij deze ruwe bolsters aan de hand van boeken die hij had gelezen – zelf stond Sorel, inmiddels een zwaarlijvige zestiger die zijn hele leven lang een keurig burgermansbestaan had geleid, kennelijk niet in contact met dat soort mensen. Dus hij begon over een reisverslag waarin de boeren op het Noorse platteland werden verheerlijkt, die allemaal een dolk aan de gordel schenen te dragen, die ze niet bang waren om te gebruiken. Af en toe viel er wel eens een dode, maar Sorel vond dat toch een stuk minder erg als de messteek van een fatsoenlijk en rechtschapen mens afkomstig was.

Ook de Amerikaanse pioniers stelde Sorel voor als wilskrachtige types die zich niet lieten tegenhouden door ‘bandieten die de toekomst van zijn land in gevaar brengen. (…) Dat is waarom er 25 jaar geleden in Denver zo veel lijken bungelden boven de kleine, houten brug over Cherry-Creck (…) Om een Amerikaan te worden en te blijven, moet men het leven zien als een gevecht en niet als een genoegen (…) wat de Amerikaan succesvol maakt, wat zijn type bepaalt… is moreel karakter, persoonlijke energie, actieve energie, scheppende energie.’

De Franse filosoof George Sorel, datum onbekend © Roger Viollet / Getty Images

Het was allemaal pure romantisering, precies zoals in de VS nu nog steeds de vrijheid om een wapen te dragen wordt verheerlijkt door politici die zelf in omhekte villa’s wonen. Geweld is acceptabel, en zelfs toe te juichen, zolang het uit edelmoedige motieven voortkomt, daar komt de morele code van zo ongeveer elke actiefilm uit Hollywood nog steeds op neer.

Dat strijd het beste in mannen naar boven zou halen, eigenschappen als moed en opofferingsgezindheid, was in het Frankrijk van honderd jaar geleden vooral onder nationalisten en conservatieven een veel gehoorde overtuiging. De socialisten moesten niets van dit soort militaristische romantisering hebben. Voor hen waren oorlogen niets meer dan imperialistisch gesteggel over macht en land, waar alleen de heersende klassen wat bij te winnen hadden en waarbij de arbeiders alleen maar als kanonnenvoer dienden. Daarom luidde het marxistische credo dat als het ooit tot oorlog zou komen de arbeiders uit alle landen simpelweg moesten weigeren elkaar te bevechten, en tot een algemene staking moesten overgaan. Zo hadden de verschillende socialistische partijen van Europa het ook vastgelegd tijdens de Tweede Internationale.

Dat was ook nog steeds Sorels overtuiging. En toch herkende hij in de ouderwetse oorlogsromantiek van soldatenmoed en zelfopoffering iets waar het in het socialisme vaak aan ontbrak: de bezielende werking van mythische verhalen. Daar hadden de marxistische ideologen, die alle cultuur en religie als afgeleide van de materiële verhoudingen zagen, veel te weinig oog voor gehad. Het marxisme was veel te verstandelijk, veel te wetenschappelijk van toon. Hoe kon je daar de gewone arbeiders, die vaak niet eens hun lagere school hadden afgemaakt, mee aanvuren en bezielen?

Dan waren de oude religieuze verhalen, vol magie en heroïek, toch een stuk beter in staat om op het gevoel van de massa’s in te spelen. Sorel vroeg zich af of het socialisme, als het alleen maar zou streven naar materiële verbeteringen, niet gedoemd was om zijn vuur te verliezen. En zo onherroepelijk zijn ondergang tegemoet ging: ‘Op de dag dat die meerderheid haar bezieling verliest, zullen de dapperen zelf ongeïnspireerd tot de aanval overgaan’, zo citeerde hij een van Frankrijks bekende filosofen van de Verlichting, Ernest Renan, die over het verdwijnen van religie in de moderne samenleving had geschreven: ‘Religieuze mensen leven van een schim. Wij leven van de schim van een schim. Waarvan zal men na ons leven?’

Politieke confrontaties zijn tot op zekere hoogte noodzakelijk voor een goed werkende democratie, omdat ze onvermijdelijk zijn

Als de socialisten weer een krachtige beweging wilden vormen, moesten ze met een verhaal komen dat niet op het verstand, maar op het gevoel van de arbeiders aanspraak zou maken: een verhaal van mythische allure, een verhaal dat de glorieuze momenten uit de geschiedenis deed herleven, een verhaal over grote, alomvattende strijd tussen de krachten van het Goede en het Kwade: zo’n verhaal zou in staat zijn de achterban weer iets te geven waarin ze konden geloven, iets waar ze werkelijk passioneel over konden zijn.

Voor de socialistische beweging kon zo’n mythisch verhaal alleen op het vlak van de klassenstrijd liggen: dáár moesten de socialisten hun mythen van onverzettelijke heldhaftigheid zoeken, zoals het christendom die in de martelaren had. Er waren genoeg voorbeelden van confrontaties van de vakbonden met de politie bij stakingsacties, knokpartijen van arbeiders die met blote handen vochten voor hun bestaansrecht, om aanspraak te doen op de primaire instincten van de achterban. ‘De stakingen hebben in het proletariaat de edelste, diepste en meest stuwende gevoelens gewekt die het bezit’, vond Sorel. De associaties die het beeld van een staking opriep, waren op zichzelf al krachtiger dan alle moeizame theoretische verhalen van de marxistische ideologen en de vage, ontwijkende taal van de sociaal-democratische partijpolitici bij elkaar.

Honderd jaar na zijn dood wordt Georges Sorel, voorzover mensen zijn naam nog kennen, bijna alleen nog maar genoemd als het over de intellectuele inspiratiebronnen van het fascisme gaat. Dat de focus van historici daar ligt, is op zich begrijpelijk, maar het gaat wel voorbij aan waar het Sorel in de eerste plaats om te doen was. Zijn felle kritiek op de pragmatische socialistische partijpolitiek is vandaag de dag bovendien nog steeds relevant. Denk alleen al aan de bittere teleurstelling die veel PvdA-kiezers voelden toen ze zagen hoe enthousiast hun partijleiders het vrijemarktbeleid van het kabinet-Rutte II steunden. Ook de vraag waarom de SP maar niet kan profiteren van de groeiende ontevredenheid onder ‘afgehaakte Nederlanders’ valt te beantwoorden met hulp van een van Sorels observaties: dat alleen orthodoxe socialistische leerstellingen niet genoeg zijn om mensen in vervoering te brengen, omdat veel mensen nu eenmaal behoefte hebben aan zingeving in hun leven, een hoger doel, zoals het romantische verhaal over een heroïsche strijd tussen Goed en Kwaad dat kan bieden.

‘Dharma’, zo omschreef Steve Bannon, de politieke strateeg van de Trump-campagne in 2016, de levensinstelling die in Amerika volgens hem verloren was gegaan, en waar de meerderheid van de bevolking weer naar snakte. Dharma is een bekend religieus begrip in de Indiase samenleving, met verschillende betekenissen. Voor Bannon betekent het zoiets als een ‘morele lotsbestemming’, een roeping waar miljoenen mensen gehoor aan willen geven. ‘Zelfs als dat lot en die bestemming hun eigen persoonlijke destructie zouden betekenen.’

Zo omschreef Bannon het in een interview met filmmaker Errol Morris, in 2018 uitgebracht als de documentaire America Dharma. In hun gesprek hadden Morris en Bannon het over de economische gevolgen van globalisme, de strategie in de campagne tegen Hillary Clinton, maar ook over films – Bannon regisseerde een aantal documentaires en is een groot filmliefhebber, voornamelijk van oorlogfilms. Aan de hand van een aantal fragmenten uit klassiekers als The Searchers en Twelve O’Clock High gaat het gesprek over moed, plicht, kameraadschap, heldhaftigheid en opofferingsgezindheid. De grote oorlogsdeugden. Bannon wordt er zichtbaar opgewonden van als hij erover praat. Moeiteloos schakelt hij over van oorlog naar politiek. ‘Oorlog is drie fasen: 1. Neem een duidelijke morele positie in, zodat je mensen kunt motiveren om te vechten. 2. Maak van je vijand een rokend gat. 3. Vul genoemd gat met je eigen verhaal en je eigen waarden.’

Nu is het binnen de kaste van de politieke strategen natuurlijk niet zo uitzonderlijk om campagnes met oorlogvoering te vergelijken. Maar Bannons benadering ging nog wel iets verder dan dat: in de dreiging van het jihadistisch terrorisme herkende hij bijvoorbeeld onmiddellijk een politieke kans: ‘Ik zei “dit is een echte vijand, een echte vijand die in staat is om te inspireren”.’ En over het succes van het internetkanaal Breitbart News, dat Bannon mede oprichtte en van 2012 tot 2016 leidde, vertelt hij: ‘De sleutel van deze sites was de comment section. Die kon op een zeker moment als wapen ingezet worden. De stemmen van woede hebben, als je ze op de juiste manier dirigeert, latente politieke macht.’

Ik moest bij het zien van de documentaire onmiddellijk aan Réflections sur la violence denken, vooral op de momenten dat Bannon het over de uitgebuite Amerikaanse arbeiders heeft. Want dat is wat Bannon anders maakt dan andere campagneleiders van nationalistische partijen: als je hem hoort praten over het ‘bloedbad van de globalisering’ zou je bijna denken dat hier een vakbondsleider aan het woord is. ‘Als we niet een manier vinden om het systeem de welvaart te laten verspreiden, dan krijgen we een revolutie in dit land. Die komt eraan, zoals de nacht volgt op de dag.’

Het vervelende voor de Amerikaanse werkende klasse was alleen dat toen Trump eenmaal aan de macht was er van zijn protectionistische beloftes niet veel terechtkwam. De werkgelegenheid groeide, maar de winsten stroomden als vanouds naar de vermogende klassen. Pogingen om het landelijke minimumloon te verhogen werden door Trumps regering tegengehouden (ook al beweerde Trump publiekelijk voor verhoging te zijn), de onderhandelingspositie van vakbonden werd verzwakt, er kwam een wet die werkgevers het recht gaf om de fooien van hun werknemers te confisqueren. Tijdens het kijken van American Dharma kreeg ik af en toe de indruk dat Steve Bannon zich werkelijk over de uitzichtloze situatie van de Amerikaanse onderklasse bekommerde, maar dat valt niet te rijmen met de keuzes die Trump uiteindelijk maakte – die Bannon, ondanks zijn ontslag als adviseur in het Witte Huis, volmondig steunde.

Alles wijst erop dat het de strijd zelf was, en niet de sociaal-economische problemen, waar het Bannon om te doen is. Misschien is dat wat er nu eenmaal gebeurt als je politiek als oorlog gaat bedrijven: op een gegeven moment raakt het oorspronkelijke doel uit het oog, precies zoals soldaten in een oorlog na verloop van tijd ook niet meer weten waar ze ook al weer precies voor vochten. De strijd en de vijand worden waarden op zichzelf. Want zo werkt geweld, in een vicieuze cirkel, waarbinnen elke actie om een tegenreactie vraagt, elk conflict weer een nieuw conflict uitlokt.

Omringd door landarbeiders laat de Italiaanse dictator Benito Mussolini zich - met ontbloot bovenlijf - fotograferen, nadat hij een uur eigenhandig op de dorschmachine had gewerkt, Aprilia, Italië, 1938. © Nationaal Archief / Collectie Spaarnestad/Het Leven/Fotograaf onbekend

Voor die uitzichtloze realiteit van geweld had Sorel geen enkele aandacht. Daar hadden wel meer intellectuelen aan het begin van de twintigste eeuw last van. Daarom is het ook verstandig om niet al te veel naar studeerkamergeleerden te luisteren. Toch maakte Sorel met wat misschien wel zijn meest studeerkamerachtige stelling was wel degelijk een belangrijk punt: met een verwijzing naar het werk van de op dat moment immens populaire Franse filosoof Henri Bergson, wiens colleges hij elke vrijdagmiddag in het Collège de France bezocht, betoogde Sorel dat het in de politiek niet om objectieve feiten ging; ideeën kun je niet toetsen aan een statische, meetbare werkelijkheid, ze vinden hun waarde in hun ‘contacten met stromen van werkelijkheid’. Want de werkelijkheid is voortdurend in beweging – dat was de kern van de paradigmawisseling die op dat moment in de hele Europese academische wereld plaatsvond, onder invloed van de evolutionaire biologie en de ontdekkingen in de quantummechanica.

Voor het politieke denken zou dat grote consequenties krijgen – hoe de evolutieleer in de politiek doorwerkte is een verhaal apart, daar hield Sorel in Réflections sur la violence zich verre van. Wat wél enorme invloed had op Sorels opvattingen was de overtuiging dat de werkelijkheid niet statisch was geordend, maar in haar kleinste deeltjes bestond uit energie en dynamiek. Het succes van een politieke beweging hangt niet af van haar op feiten gebaseerde argumentaties, maar van haar energie – daar kwam het in de kern op neer. Sorel pleitte voor strijd omdat dat de beste manier was om energie op te wekken. Zoals de natuur bestaat uit op elkaar knallende atomen en elektronen, zo bestaat de politieke werkelijkheid ook uit wrijving en conflicten.

Daar wijzen gerespecteerde politicologen als Jan-Werner Müller nu nog steeds op: het heeft niet zoveel zin, en het is waarschijnlijk zelfs gevaarlijk, om te doen alsof de werkelijkheid niet uit conflicten bestaat. Die fout hebben de middenpartijen, die politiek als een soort neutraal, probleem oplossend management gingen bedrijven, de afgelopen decennia gemaakt, constateerde bijvoorbeeld ook politiek journalist Marcel ten Hooven, die in dat verband in zijn boek De ontmanteling van de democratie een uitspraak van Joop den Uyl aanhaalt, die waarschuwde voor de situatie waarin ‘maatschappelijke spanningen niet meer worden vertaald in politieke tegenstellingen en het politieke bewustzijn wordt gedoofd onder de wattendeken van sussende bezweringen’.

De politieke confrontaties die Sorel in zijn werk bepleitte, zijn tot op zekere hoogte noodzakelijk voor een goed werkende democratie, simpelweg omdat ze onvermijdelijk zijn. Als partijen die confrontaties te lang uit de weg gaan, zullen er vanzelf nieuwe politici opstaan om in dat gat te springen, zoveel maakt de aanwas van alle splinterpartijen aan de politieke flanken wel duidelijk. En dat een politieke partij een strijdbaar, zingevend verhaal nodig heeft, al was het maar om de achterban te mobiliseren, hoeft ook niet per se een gevaar op te leveren. De problemen beginnen pas als het verschil tussen mythe en werkelijkheid vervaagt, als mensen écht gaan denken dat de politieke tegenstanders landverraders zijn, of dat we door een globalistische elite van pedoseksuele satanisten of buitenaardse hagedissen worden geregeerd. Want even los van de kolderieke claims in dat soort complottheorieën: de basisgedachte ervan heeft wel degelijk invloed op de politieke werkelijkheid, namelijk dat de politieke tegenstanders worden verbeeld als vijanden met wie een compromis ondenkbaar is. Wat dat betreft voldoen ze volledig aan Sorels recept om via mythen een onverzoenlijke politieke strijd te creëren.

Réflections sur la violence zal altijd een belangrijke historische bron zijn om de crisis van het socialisme aan het begin van de twintigste eeuw te begrijpen, en hoe in reactie daarop het fascisme ontstond. Dat er nog zoveel actueels in te herkennen valt, biedt allicht reden tot zorg. Dat betekent niet dat we onze toevlucht weer moeten zoeken tot allerlei gemakzuchtige waarschuwingen voor de terugkeer van het fascisme, maar het nodigt wel uit om scherp in het zicht te houden wanneer politieke strijd constructief is voor een democratie, en wanneer het een bedreiging vormt.

Van historicus Ewoud Kieft verscheen onlangs Vechten voor democratie, een essay over hoe de democratie wordt uitgehold gehold en wat we daar tegen kunnen doen