Zoektocht naar de mysterieuze schrijfster Harper Lee

Een interview? ‘Hell no’

Op 11 juli is het een halve eeuw geleden dat Harper Lee To Kill a Mockingbird publiceerde – na de bijbel het meest gelezen boek van Amerika. De inmiddels 84-jarige Lee woont nog steeds in Monroeville, maar wil met niemand praten.

Medium mockingbird2

IK WEET NOG GOED hoe ik aan de vooravond van een trip naar Alabama, waar ik vijftig jaar na de moord op Martin Luther King Jr. onder meer Birmingham en Montgomery zou aandoen, in Brooklyn voor de boekenkast stond – op zoek naar leesvoer voor onderweg. Mijn oog viel op een stukgelezen paperbackuitgave van To Kill a Mockingbird van Harper Lee. Speelde dat niet in Alabama?
Dat deed het, zo stond op de achterflap. Al op de eerste bladzijde van het boek werd me duidelijk waarom To Kill a Mockingbird een klassieker is in de Amerikaanse literatuur: sfeer. Slechts enkele alinea’s denk je als lezer aan een zoet zomerverhaal in het gezapige Zuiden te beginnen. Dan besef je: er dreigt gevaar. Niet alleen voor de protagonisten, maar voor alle betrokkenen. Toen ik het boek enkele uren later uit had, besloot ik na Montgomery ook Monroeville te bezoeken – het plaatsje waar Harper Lee geboren is en sinds 2006 weer woont, en dat model stond voor het dorp waar To Kill a Mockingbird zich afspeelt.
To Kill a Mockingbird begint als een kinderboek. De zesjarige Scout woont met haar broer Jem en vader Atticus Finch in Maycomb, een fictief dorpje in het zuiden van Alabama. Het is 1935, dus Amerika zit midden in de Great Depression, maar dat ontgaat de kinderen. Samen met hun vriendje Dill, gemodelleerd naar Lee’s jeugdvriend Truman Capote, zijn Scout en Jem gefascineerd door hun geheimzinnige en enge buurman Boo Radley.
In Maycomb wonen behalve Boo meer ludieke figuren, zoals de pathologische roddelaarster Stephanie Crawford, de hoogbejaarde morfiniste mevrouw Watson en de uiterst strenge huishoudster Calpurnia. Gaandeweg blijkt dat de levens van deze excentrieke personages worden verscheurd door klassenverschillen, armoede en racisme.
Als vader Atticus Finch, die advocaat is, aangewezen wordt om een van verkrachting beschuldigde man te verdedigen, gaat de beerput open. De verdachte, Tom Robinson, heeft de pech dat hij zwart is – en zijn beschuldiger een blanke vrouw. Scout en Jem zijn opeens de kinderen van een nigger-lover.
To Kill a Mockingbird was vanaf de dag van publicatie, 11 juli 1960, een kaskraker. Lee won er in 1961 een Pulitzer-prijs mee en verkocht binnen een jaar 2,5 miljoen exemplaren (meer dan dertig miljoen inmiddels). De roman zou nooit meer uit druk raken en is in meer dan veertig talen vertaald. Volgens de National Library Association lezen jaarlijks een miljoen mensen het boek, waarmee Mockingbird volgens diezelfde organisatie na de bijbel Amerika’s meest gelezen boek is.
Sinds 1990 eert het lokale toneelgezelschap The Mockingbird Players de grote schrijfster en haar boek middels het opvoeren van een toneelversie van To Kill A Mockingbird. De voorstellingen vinden plaats op het dorpsplein en in de rechtbank van Monroeville en zijn steevast uitverkocht.
Monroeville, zevenduizend inwoners, 28 kerken, is voor altijd verbonden met To Kill a Mockingbird. En echt niet alleen omdat The Mockingbird Players er elk jaar hun stuk opvoeren. Het is net zo goed het gevolg van een beslissing van haar beroemdste inwoonster: in 1964 besloot Harper Lee om nooit meer met de pers te praten. Ze was de aandacht zat en vond dat ze alles wat ze over haar boek of haarzelf te zeggen had, wel gezegd had. Verzoeken om interviews doet ze sindsdien af met: ‘Hell no.’
Daarmee was het plaatsje Monroeville opeens verworden tot de voornaamste bron voor wie meer wil weten over de schrijfster. Zo iemand was ook Lee’s biograaf Charles Shields, een voormalige leraar Engels die in 2006 Mockingbird: A Portrait of Harper Lee publiceerde. Deze – uiteraard ongeautoriseerde – biografie won de 2007 Southern Independent Booksellers Alliance for Best Nonfiction Book. Van Shields leren we onder meer dat Lee, net als haar personage Scout, als kind een tomboy was. Op de universiteit was ze hoofdredacteur van het humoristische tijdschrift The Rammer Jammer. Zonder haar rechtenstudie af te maken, vertrok ze naar New York waar ze met hulp van jeugdvriend Capote een baantje vond, vrienden maakte en een roman schreef die nog altijd op elke middelbare school in Amerika wordt onderwezen. Vlak voor verschijning van To Kill a Mockingbird vergezelde Lee Truman Capote naar Kansas, om hem te helpen een moordzaak in een klein plaatsje te onderzoeken. Volgens Shields was Lee’s aandeel in de totstandkoming van Capote’s monumentale In Cold Blood aanzienlijk groter dan Capote ooit zou erkennen.
Lee was er geen minder grote literaire ster om, hetgeen haar maar slecht beviel, schrijft Shields. Ze werkte nog jarenlang aan een tweede roman en, in de jaren tachtig, aan een non-fictieboek over een seriemoord in Alabama, maar was ontevreden over het resultaat. Dat was het voor de schrijver Lee. Wat restte was een leven buiten de schijnwerpers, deels in New York, waar ze nog wel eens in metro’s, boekwinkels of musea werd gesignaleerd, deels in Monroeville, waar ze een met boeken gevulde oude boerderij deelt met haar oudere zuster. In dat plaatsje arriveerde ik in de zomer van 2008.

‘ALLE AANWEZIGEN opstaan! Deze rechtbank is in sessie!’ bulderde Alexander Blass. De op dat moment 81-jarige (en inmiddels overleden) oud-winkelier was de nestor van het lokale toneelgezelschap The Mockingbird Players. Het zou de laatste keer zijn dat hij de rol van griffier van de rechtbank speelde.
Blass was de eerste om te erkennen dat zijn aandeel in het stuk marginaal was: ‘Maar als ik mijn mond opendoe, staat wel iedereen in het publiek meteen op. Ook Madeleine Albright.’ Daarmee refereerde Blass aan een voorstelling in 1997, toen de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken zich onder de toeschouwers bevond.
De rechtszaal in het Old Courthouse van Monroeville, waar de slotscène van het stuk plaatsvindt, was die dag zo goed als leeg. The Mockingbird Players waren net klaar met de repetitie van de rechtszaakscène en liepen het gebouw uit om te lunchen. Blass en regisseur Stephanie Salter bleven achter en lieten broodjes bezorgen om die in de rechtszaal op te eten.
Na de lunch zouden The Mockingbird Players nog een beroemde scène uit To Kill a Mockingbird repeteren: de dolle hond. Regisseur Salter legde ons uit waarom die scène zo belangrijk is: ‘De dolle hond is een metafoor voor de op hol geslagen maatschappij van die dagen. Advocaat Atticus Finch, de vader van Scout, staat voor gerechtigheid. Juist Atticus, en niet de onzekere sheriff, schiet de gevaarlijk zieke hond neer. Dat is krachtige symboliek.’
De rechtszaakscène heeft als bijzonder element dat het publiek erbij betrokken wordt. ‘Net als toen wordt het publiek gescheiden’, vertelde Salter. ‘Kleurlingen boven, blanken in de zaal. Uit de zaal wordt een jury aangewezen van alleen maar blanke mannen. Op een tournee in Israël is het voorgekomen dat die jury weigerde de zwarte verdachte te veroordelen.’
Daarvoor kent het voornamelijk Amerikaanse publiek in Monroeville het verhaal te goed. Wie het boek niet gelezen heeft, kent wel de filmversie uit 1962 met Gregory Peck in de hoofdrol. Volgens recent onderzoek weet tachtig procent van de Amerikaanse zeventienjarigen waarover To Kill a Mockingbird gaat.

Medium mockingbird1

Voor Salter betekent Lee’s verhaal ‘magie’, vertelde ze: ‘Dit stuk betovert de mensen, zowel het publiek als de acteurs. Als het zwarte gospelkoor vanaf de balustrade van de rechtszaal begint te zingen, krijgt iedereen kippenvel. Het heeft te maken met een verlangen naar het eenvoudige leven dat er niet meer is. Het wekt een gemeenschapsgevoel op, hoe imperfect het leven in 1935 ook was.’
In Monroeville bestaat dat eenvoudige leven volgens Salter nog: ‘Mijn dichtstbijzijnde buurman is een koe, mijn voortuin is acht hectare groot. Alles gaat langzaam, iedereen kent elkaar. Net als in het boek van Harper Lee.’
Blass, slechts een jaar jonger dan Lee, kon zich biograaf Charles Shields nog herinneren: ‘Nelle, want dat is Lee’s echte voornaam, niemand noemt haar hier Harper, had ons verzocht om niet met die man te praten, dus dat hebben we ook niet gedaan.’ Lachend: ‘Die man had geen schijn van kans!’ Over de biografie was hij dan ook weinig lovend: ‘Dat is allemaal uit de derde en vierde hand.’
Blass bleek overigens best te willen praten over Harper Lee: ‘Dat Nelle niet in het openbaar verschijnt, wil niet zeggen dat ze niet van gezelschap houdt. Ze houdt van discussiëren, lang tafelen met veel wijn en heeft een enorm gevoel voor humor. Dat zie je ook aan al die maffe personages in haar boek.’
Die personages zijn letterlijk uit het leven gegrepen, verzekerde Blass: ‘Ik was krantenjongen in de jaren dertig en kende dus iedereen. Bijvoorbeeld die oude vrouw die altijd boos is, die bestond, alleen heette ze anders. Net als de geheimzinnige buurman Boo Radley. Daar waren we allemaal doodsbang voor.’
Ook Truman Capote, die als Dill in Mockingbird voorkomt, kon Blass zich nog goed herinneren. ‘Truman was niet erg populair hier’, zei Blass, terwijl hij het hoge stemmetje van Capote nadeed. ‘Op een dag waren we aan het honkballen toen hij kwam aanrijden in zijn Buick-limousine, met zwarte chauffeur. Hij was toen een jaar of twaalf. Daar stond hij dan in zijn knickerbocker en vroeg: hé jongens, wat spelen jullie? We negeerden hem gewoon. Hij was een sissy.’
Blass realiseerde zich dat hij al pratende over Lee en Mockingbird in de ban van de nostalgie aan het raken was. ‘Je hebt het toch over je jeugd hè, de wonderjaren. Maar zo geweldig was die tijd niet. Dit was tijdens de Great Depression. De sfeer was grimmig. Veel mensen hadden honger. Er was racisme. Dat maakte het nog grimmiger.’

DAT RACISME zou nog tot ver na de Tweede Wereldoorlog in geïnstitutionaliseerde vorm aanhouden. ‘Racisme was de traditie’, vertelde Blass. ‘Je schudde een zwarte man nog niet eens de hand. De meeste mensen stonden daar niet bij stil. Zo was het gewoon in die dagen in Alabama.’ Blass, zelf blank, kon zich er maar moeilijk bij neerleggen. Toen hij eind jaren vijftig als winkelier aan de beurt was om de jaarlijkse parade te organiseren, besloot hij deze niet door te laten gaan als dat jaar de zwarten weer niet zouden mogen meelopen. Het bracht hem in problemen met zijn dorpsgenoten. ‘Nigger-lover noemden ze me. De nacht voor de parade zette de Klan een brandend kruis in mijn tuin. En maar rondjes rijden rond het huis. Veel auto’s herkende ik, die waren van klanten van mijn winkel en leden van mijn kerk.’ Hij belde de politie. ‘De sheriff zei: ik kan niets doen, de rechter verbiedt het me. Onzin natuurlijk. Ook de staatspolitie kwam niet te hulp. Allemaal bang voor de Klan. De parade is nooit doorgegaan.’
Ook in To Kill a Mockingbird komt racisme nadrukkelijk aan de orde. ‘Maar niet op de gebruikelijke manier’, zei Blass. ‘Als de mensen aan het Zuiden denken, denken ze aan lynchpartijen en bomaanslagen. Maar Nelle’s verhaal is anders, alleen al doordat het door de ogen van een klein meisje wordt verteld. Als Tom dood is, zegt Scout: ze hebben Tom vermoord. Dan antwoordt Atticus, haar vader: voor hen was hij niet Tom. Zo troost hij haar.’
Zelf heeft Lee altijd beweerd dat Mockingbird niet alleen over racisme gaat. ‘Mijn boek portretteert een aspect van de beschaving, niet eens per se die in het Zuiden,’ zei ze in 1963 tegen The New York Times. ‘Ik heb geprobeerd om het conflict van de menselijke ziel te laten zien, verwoord in de simpelst denkbare termen.’
Feit is wel dat To Kill a Mockingbird geschreven is in een periode waarin de strijd tussen het blanke establishment en de burgerrechtenbeweging onder leiding van Martin Luther King Jr. op zijn kookpunt was. En Alabama was met zijn onverholen racistische gouverneur George Wallace het middelpunt. Het was hier dat Rosa Parks weigerde achter in de bus te gaan zitten (Montgomery, 1955) en de rellen op de University of Alabama (1956) plaatsvonden. Lee was in het geheel niet bij de burgerrechtenbeweging betrokken, maar haar boek wordt er voor altijd mee geassocieerd.
Lee is er in ieder geval nooit op uit geweest om een ware geschiedenis of autobiografie te schrijven, zei ze in datzelfde interview met de Times. Haar motto was slechts: ‘Een schrijver moet schrijven over wat hij weet en hij moet dit eerlijk doen.’ Daarin was ze met Mockingbird zo goed geslaagd dat ze nooit meer een tweede boek heeft geschreven. Althans, dat is wat meestal wordt aangenomen. Volgens biograaf Shields zou Lee wel hebben geprobeerd een tweede boek te schrijven. Blass geloofde dat niet: ‘Nelle wist dat het na Mockingbird alleen maar minder kon worden. Ze had gezegd wat ze te zeggen had.’ De enige die weet hoe het echt zit, zwijgt.
Blass bleek overigens niet de enige inwoner van Monroeville te zijn die Lee’s spreekverbod weerstond. Alsof de roddelzucht van Mockingbird-karakter Stephanie Crawford te diep in de genen van de dorpelingen zit. Mary Tomlinson, een voormalige lerares en sinds haar pensionering de features-redacteur van de Monroe Journal, wist bijvoorbeeld te vertellen dat Lee vroeger erg goed in volleybal was. ‘Ze was veel beter dan ik. Sterk en atletisch. Ze speelde meestal in een blauwe rok.’
Uit de vaak ongeprovoceerde loslippigheden van lieden als deze Mary Tomlinson, of van de dame achter de toonbank van antiquair Elaine’s, of de directeur van het Old Courthouse Museum, en natuurlijk uit de verhalen van de praatgrage Blass viel het volgende beeld van de inmiddels 84-jarige Harper Lee te destilleren: ze rookt. Tot 2006 hield ze een appartement in New York aan en bracht ze de winters door in Monroeville. Sinds ze een beroerte heeft gehad, woont ze het hele jaar door in Monroeville, in hetzelfde huis als haar 97-jarige zus Alice, een juriste die nog altijd drie dagen per week praktijk houdt. Ze drinkt niet meer, of nauwelijks. Ze verplaatst zich meestal in een rolstoel, maar kan nog wel lopen. Haar rechterhand is goed, de linker niet meer. Haar geest is nog altijd messcherp. Elke zondag eet ze in wat bekendstaat als het beste restaurant van Monroeville: Radley’s, vernoemd naar Boo Radley, het personage uit haar eigen roman.
‘Mevrouw Lee is er vanavond niet’, deelde de eigenares van restaurant Radley’s – uiteraard al lang op de hoogte van de aanwezigheid van een buitenlandse journalist in het dorp – omgevraagd mee, toen ik haar om een tafel vroeg. ‘Maar Atticus Finch en zijn vrouw zitten aan de tweede tafel achterin te eten.’
Atticus bleek Dennis Owens te heten. ‘Dit is het laatste jaar dat ik Atticus speel’, vertelde de bijna twee meter lange verzekeringsagent uit Monroeville. ‘De mensen beginnen zo langzamerhand te geloven dat ik Atticus ben. Maar dat is het probleem niet. Met mijn sterke zuidelijke accent verdien ik het niet om hem te spelen. Atticus was een echte heer.’
Belofte maakt schuld, maar blijkbaar niet genoeg voor Owens om de twee jaren daarop niet toch weer Atticus Finch te spelen, zo blijkt als ik het Old Courthouse Museum in Monroeville bel. De voorstellingen van To Kill a Mockingbird waren in dit jubileumjaar volledig uitverkocht, vertelt de dame aan de telefoon, ‘net als in andere jaren’. De rolbezetting was, op de vorig jaar overleden Blass na, hetzelfde als de afgelopen jaren. Salter was wederom regisseur. ‘Alleen de kinderen waren nieuw vergeleken met vorig jaar, maar dat kan niet anders’, zegt ze. ‘Die groeien letterlijk uit hun rol.’ Als gebruikelijk was dorpsgenoot Harper Lee, hoewel speciaal uitgenodigd, niet onder het publiek gesignaleerd.


Beeld: (1) (Frederick H Treesh / Bettmann / Corbis). (2) Mary Kathryn Estes (links) als Scout en Dot Deanna Bradley als Calpurnia in het stuk To Kill A Mockingbird in Monroeville, Alabama, 2007 (Tami Chappell / Reuters)