Een inventaris als vallei

Valeria Luiselli meandert tussen vertelling en essay © Zony Maya

Hoe komt het dat het proza van Valeria Luiselli altijd zo vrij en vitaal aanvoelt? Ook bij Archief van verloren kinderen, al weer haar vijfde boek in krap één decennium, ben je na een paar pagina’s al ondergedompeld in een universum dat speelser, ruimer, energieker is dan bij veel van haar tijdgenoten.

Een belangrijk aandeel hierin is iets wat in eerste instantie haaks op die vrijheid lijkt te staan: heldere, vaste vormen. Zo is haar debuut Valse papieren (2010) geordend rond namen van Venetiaanse hotels, wegwijzers in Mexico-Stad of verdiepingen van een flatgebouw. Vertel me het einde (2017) is een ‘essay in veertig vragen’, namelijk de standaardvragen die zij als tolk bij de immigratierechtbank in New York hoort te stellen aan kinderen die zonder ouders de Mexicaanse grens zijn overgestoken.

Op dit materiaal gaat ze in haar nieuwe roman dieper in. We volgen een (samengesteld) gezin, op reis naar de Mexicaanse grens, waar de ouders een audio-documentaire willen gaan maken. Allemaal hebben ze hun eigen doos in de kofferruimte. Die van de kinderen nog leeg, om onderweg te vullen. Die dozen, het archief van hun reis, zijn ditmaal Luiselli’s ordening, daarbinnen weer verdeeld in lemma’s als ‘vertrek’, ‘document’, ‘gedeelde bestanden’.

Juist zo’n starre, bureaucratische structuur permitteert haar om losjes te meanderen tussen vertelling en essay, drama af te wisselen met herinnering, slimme bespiegeling met lyriek. Zo krijg je een scherp contrast tussen vorm en inhoud, en ook tussen de kilte van inventarissen en de verhitte emoties van de beschreven roadtrip. Alleen in Luiselli’s wereld is volkomen aannemelijk dat een inventaris ‘een soort vallei’ is, ‘waarin je gedachten kunnen terugkaatsen, in een net even andere vorm’.

Tot iets voor de helft van het boek is het onduidelijk wat we aan moeten met die waaier van uitgezette verhaallijnen. De vader vertelt de kinderen over de Apache-indianen, op de radio gaat het over zoekgeraakte vluchtelingenkinderen rond de Mexicaanse grens, en de moeder, de vertelster (die veel biografische gegevens deelt met de schrijfster) krijgt een telefoontje van een vriendin van wie haar twee dochters verdwenen toen ze van een detentiecentrum in New Mexico naar eentje in Arizona zouden worden overgezet.

Wordt dit een verontwaardigde politieke stellingname? Nee

Oké, allemaal schrijnend genoeg, maar waar gaat dit heen? Wordt dit een woedende, verontwaardigde politieke stellingname? Nee. Anders dan in haar essayboek van vorig jaar is dit echt een roman. Drama gebaseerd op echt leed dan? Deels, ja. Het verslag van een huwelijkscrisis dan? Ja, ook, deels. Want tussen alle motels gaat het tussen die ouders ook steeds beroerder en kruipt de vertelster, na een eenzame nachtelijke whisky aan een bar, bijna bij een andere man in bed. En dan is er ook nog het boek Treurzangen voor verloren kinderen, waaruit zij onderweg leest en voorleest, lyrische passages over verloren kinderen, vol echo’s uit wereldliteratuur als The Waste Land en Heart of Darkness.

Tot pagina 181 lijkt het boek op zoek naar welk verhaal het nu echt wil vertellen. En dan is het er ineens: ‘Ik weet nog altijd niet hoe ik het ga aanpakken, maar het verhaal dat ik moet vertellen is het verhaal van de kinderen die spoorloos zijn, de kinderen wier stem niet langer gehoord kan worden omdat ze, misschien voorgoed, verloren zijn.’ De volgende vijftig pagina’s is het boek op zoek naar hóe het verhaal verteld moet worden. En dan is er die fenomenale wending. De zoon van net tien neemt het woord, en richt zich in de jij-vorm tot zijn jongere zusje aan wie hij het verhaal van hun reis navertelt. Nu staat alles in een indringender, kinderlijker en misschien wel eerlijker licht, met observaties als: ‘Hoewel we in de auto de hele tijd op elkaars lip zaten, voelde het als het tegenovergestelde van bij elkaar zijn.’

Ook de verhaallijn, die tot dan toe wat kabbelend was, komt nu in een stroomversnelling als ook die twee kinderen kwijtraken. De twee gespiegelde reizen, vanuit en richting de grens, raken elkaar. Ademloos lees je vanaf nu, met een brok in de keel. ‘Naar het zuiden liepen we, Memphis, jij en ik, het hart van het licht in, dicht naast elkaar en zwijgend, zoals de verloren kinderen ook ergens moesten lopen (…)’: zo begint één zin, die zich uitstrekt over 22 pagina’s.

Al die eerdere verhaallijnen komen nu samen, je voelt ze samensnoeren en de vertelling uittillen boven alle politieke en actuele dimensies uit. Het krijgt allegorische trekken, een universele mythe over verloren in de wereld geworpen zijn.

Al het zoekende, aftastende en introducerende van het eerste deel wordt hier gecompenseerd, wat maar weer bewijst dat je boeken soms even de tijd moet gunnen om op je in te werken. Of had dat eerste deel dan strakker en bondiger gekund? Als je heel streng bent is het antwoord daarop: ja. Maar hoe streng moet je zijn, als je daartussen ook op passages stuit als deze:

‘Terugkijkend zie ik alleen de chaos van de geschiedenis die zich herhaalt, keer op keer, een heruitvoering, een herinterpretatie, de wereld, haar gesloopte hart dat onder ons bonkt, een slag overslaat, keer op keer hapert terwijl ze om de zon draait. En in het midden van dat al, stammen, families, mensen, al het moois dat uit elkaar valt, puin, stof, vernietiging.’