Een ironisch verslag van de mensheid

Hans Sahl, Memoires van een moralist.Vertaald door W. Hansen, uitgeverij Atlas, 432 blz., f75
DE EERSTE journalistieke opdracht van Hans Sahl (Dresden, 1902) was een slag in het water. Stefan Grossmann, de uitgever van het tijdschrift Tagebuch, had in de jaren twintig de jonge Sahl op pad gestuurd om een cursiefje te schrijven over de atmosfeer in het Berlijnse lokaal waar president Hindenburg zijn stem moest uitbrengen. Toen een uur voor de deadline het Duitse staatshoofd nog niet was komen opdagen, liep Sahl even naar een telefooncel om de redactie telefonisch op de hoogte te brengen van zijn probleem. Bij zijn terugkeer in het stemlokaal kreeg hij te horen dat Hindenburg zijn stemplicht had vervuld en in grote haast was vertrokken.

Ondanks deze tegenslag is Hans Sahl, die in 1993 op 91-jarige leeftijd in Tubingen overleed, niet alleen een begenadigd journalist, maar ook een talentvol essayist, dichter en romancier geworden. In zijn Memoires van een moralist, een terugblik op zijn lange en bewogen levensloop, maken we kennis met een intelligente waarnemer die een soevereine en lucide pen hanteert. Politieke beschouwingen, volwaardige reportages en lyrische passages staan in deze herinneringen op voet van gelijkheid. En soms toont Sahl ons zijn fascinatie voor het macabere. Direct na de opmerking dat het Lago Maggiore glanst als een schoenlepel in de maneschijn, krijgen we het verhaal te horen van de lijkverbrander van wie Sahl een huisje huurt. De gemeenschappelijke maaltijden worden gekruid met vrolijke verhalen uit het crematorium, waarin volgens de verbrander dikke mensen beter in de vlammen opgaan dan magere en vrouwen beter dan mannen: ‘Eerst gaat de houten kist branden, dan de huid en dan het witte vlees. Mijn God, zoals ze met hun armen en benen om zich heen slaan als het hun te heet wordt. Eerst vallen de ledematen op het rooster en dan het brandende hoofd. De haren verschroeien al als de kist in de oven wordt geschoven.’
Dat is nu juist kenmerkend voor Sahl: er is geen onderwerp dat hem niet interesseert en het lukt hem haast altijd om het op een originele manier te benaderen. Deze herinneringen zijn delicieuze hapjes, die met zoveel uiteenlopende kruiden zijn toebereid dat je er niet van verzadigd raakt. Voortdurend wordt het gevoel bespeeld: Sahl laat ons huilen en lachen om de deerniswekkende situaties waarin elk mens nu eens met en dan weer zonder zijn toedoen in verzeild geraakt, om het even of het gaat om de verder onbekende vrouwengek Tonio Totenblau of om de schilder Georg Grosz die in Amerika stomdronken een prijs in ontvangst neemt: 'Hij begroette de doorluchtige leden van de academie met geheven handen, als een bokser die zojuist zijn tegenstander knock-out heeft geslagen.’
MEER DAN ZIJN sectarische tijdgenoot Egon Erwin Kisch is Sahl een razende reporter die elke gelegenheid, ook het geslachtsverkeer, aangrijpt om er een boeiende reportage van te maken. Aan het meisje Marion beleeft de schrijver een bijzonder seksueel genoegen: 'Het meest ongelegen ogenblik kwam het meest gelegen, de hardste stoel was de gemakkelijkste. Soeverein maakte ze zich meester van de mogelijkheden die haar werden geboden, rokend, beheerst, bijna verstrooid en toch enorm erbij betrokken. Als ze kushandjes gevend in de badkamer verdween, was je geneigd voor haar te applaudisseren als voor een acrobate na een verbazingwekkende prestatie aan de trapeze.’
Ondanks zijn verlegen aard in de omgang met mensen laat Sahl zich niet onder druk zetten wanneer er moet worden gekozen. Tijdens zijn Parijse ballingschap ergert hij zich zodanig aan de stalinistische methoden waarmee zijn Duitse collega’s (Anna Seghers, Mans Sperber, Kisch) hun tegenstanders proberen af te maken, dat hij het communisme afzweert. Hij imponeert door de beginselvastheid waarmee hij de vrijheid van de individuele keuze verdedigt en laat zich op een bepaald ogenblik ontvallen dat de keuze voor de vrijheid allicht nog belangrijker is dan de vrijheid zelf. De scepticus Hans Sahl is dan ook in alle opzichten en tot op het laatst een mens van goede wil gebleven, getuige de pieteit waarmee hij terugdenkt aan de talrijke vrouwen die hem verlaten of om soms onduidelijke redenen met hem gebroken hebben. Er is eigenlijk geen spoor van rancune of ressentiment in deze mens, die aan het slot van zijn boek samenvat waarom het hem in deze memoires was te doen: 'Wat me voor ogen stond, was een literatuur die vrij was van ideologie, die authentiek was maar die tegelijkertijd ook een persoonlijke betrokkenheid moest objectiveren, een mengeling van kritiek op onze tijd, literatuur en persoonlijke geschiedenis, een soort ironisch verslag van de mensheid.’
DEZE HERINNERINGEN zijn nuchter en rechtvaardig. Ze vertellen het verhaal van een man met een modern levensgevoel, van een jood die niet in de joodse traditie is opgevoed, een intellectueel die een grote intuitie heeft voor de concrete dingen die te gebeuren staan en die sensibel is voor de schokken en schokjes die zich voordoen in de veranderende samenleving. Zijn strengheid in de portrettering van prominente kunstenaars die niet over die gevoeligheid beschikken, doet daarom weldoend en verfrissend aan. Reeds in de jaren dertig kritiseert hij Brechts 'didactische’ stuk Die Massnahme omdat de politieke moord er om redenen van ideologische doelmatigheid wordt gerechtvaardigd: 'Voor hem (Brecht - pdm) is socialisme niet een te verwezenlijken utopie, geen ideaal dat het nastreven waard is en dat aan de beste instincten van de mens appelleert, maar de onvermijdelijke gang van de geschiedenis, een object voor wetenschappelijk onderzoek en sociale en economische analyse. Brecht gelooft in de maakbaarheid van de geschiedenis.’
Later komt Sahl uitvoerig op zijn moeilijkheden in het contact met de dichter Bert Brecht terug en vraagt hij zich af of met diens afschaffing van het medelijden als een spontane, intermenselijke attitude niet het pad werd geeffend voor juist het totalitaire 'waar alleen nog maar gecontroleerde emoties mochten bestaan en het medelijden alleen was toegestaan als het naar het inzicht van de machthebbers historisch “juist” was.’ Ondanks zijn blijvende bewondering voor vooral het vroege werk van Brecht, kan Sahl het niet laten om de uitvinder van het epische theater op te voeren als een ijdeltuit wiens klerenkast uitpuilt van diverse, chemisch gereinigde arbeidersjasjes.
Zonder dat hij van zijn voetstuk wordt gestoten moet ook Brechts tegenpool, de schrijver Thomas Mann, het een en ander incasseren. Om dit te bereiken kijkt Sahl in een passage die 'De audientie’ heet naar Mann met de ironische blik waarmee de auteur van De toverberg zelf vanaf zijn wolk naar zijn medeschepselen pleegt te turen. Zijn kinderen staan achter hun stoel te wachten tot vader Thomas komt opdagen om aan de koffietafel plaats te nemen: 'Hij verdeelde zijn porties liefde gelijkmatig, als een chef de cuisine die met een grote soeplepel de borden vult.’
Tegelijk neemt Sahl echter ook afstand van Manns ironische methode, die immers tot gevolg heeft dat de schrijver zich buiten en boven de mensheid plaatst: 'Verleren moest je de ironie van Thomas Mann, die me aanvankelijk zo gefascineerd had en die er eigenlijk alleen maar op neerkwam dat hij zich met de hand voor de mond vrolijk maakte over bepaalde frasen, ondeugden, zwakheden en zelfs gebreken van zijn medemensen, die hij in de vorm van leidmotieven door zijn proza weefde.’ Verder wordt Thomas Mann terecht een traag denker in politieke kwesties genoemd, een talmende en aarzelende man die zich op het inzicht van zijn dochter Erika moest verlaten, 'zijn plaatsvervangster op aarde’ en de drijvende kracht achter het linkse cabaret Die Pfeffermuhle. Erika beschikte over het politieke inzicht waaraan het haar vader ontbrak en zij was het die Thomas Mann er uiteindelijk toe bewoog om zich van nazi-Duitsland te distantieren.
HANS SAHL HEEFT bijna een hele eeuw overschouwd. Als kind van welgestelde joodse ouders had hij al vroeg opgemerkt hoe de Duitse joden zich inspanden om goede Duitsers te zijn en hoe ze dat deden met een perfectie die hen uiteindelijk noodlottig zou worden. Dat zijn zuster als jong meisje in Berlijn de kroonprins liet winnen bij het tennisspel, lag nog voor de hand, want 'geen enkele dochter van gegoede joodse huize wilde het bij de Hohenzollern verbruien’. Iets anders is dat Sahls zuster, die later in New York zelfmoord pleegde, trouwde met een jood die zich ontpopte als een Duitse patriot, medeoprichter van het Verband Nationaldeutscher Juden dat zijn aanhangers aanraadde zich fatsoenlijk, dat wil zeggen conservatief te gedragen, 'en zich niet bij het Duitse volk ongeliefd te maken door deelneming aan linkse, dat wil zeggen staatsvijandige strevingen’.
Maar het scherpst is Hans Sahl natuurlijk voor zijn collega’s, voor een joodse intellectueel als Karl Kraus die in zijn eenmanstijdschrift Die Fackel zoveel joodse schrijvers met zoveel haat achtervolgde dat het iets kreeg van de neurotische zelfhaat van de jood die op het punt stond zijn jodendom af te schudden: 'Karl Kraus was in aanleg een groot mens. Maar dat vervluchtigde in de mate waarin zijn polemische kunst een boosaardig karakter kreeg en hij zijn meesterlijke stijl in dienst stelde van een persoonlijke afrekening met mensen in het koffiehuis die nog niet helemaal geassimileerd waren.’
Zoals men ziet zijn Sahls memoires een poging om een tijdperk te vatten in vooral de beschrijving van de mensen die er deel van hebben uitgemaakt en die er een stempel op hebben gedrukt. Het zijn er te veel om hier op te noemen, al kunnen we toch niet voorbijgaan aan de meesterlijke portretten die Sahl heeft gemaakt van de schilder Georg Grosz, de uitgever Ernst Rowohlt, de danseres Lotte Goslar, de schrijvers Ignazio Silone en Erich Maria Remarque en van zoveel anderen die de de auteur zowel in Duitsland als, vanaf 1933, in Zwitserse, Franse en Amerikaanse ballingschap heeft ontmoet. Ongenadig is zijn situatieschets van het Duits theater in de jaren twintig, dat in Berlijn werd beheerst door de 'burgerlijke’ Max Reinhardt en de 'revolutionaire’ Erwin Piscator, twee uitmuntende regisseurs die elkaar op een onvrijwillige manier aanvulden: 'De arbeider die van het schone hield, ging naar Reinhardt om ’s avonds bij te komen van zijn klassebewustzijn. De verlichte burger die er prat op ging dat hij op het punt van de politieke overtuiging niet vooringenomen was, beleefde er een eigenaardig pervers plezier aan bij Piscator voor zijn eigen ondergang te klappen.’
IN DE LAATSTE fase van zijn leven was Hans Sahl blind geworden en zag hij zich genoodzaakt om zijn ideeen en herinneringen op bandjes in te spreken. Van toen af aan moest 'le mot juste’ worden vervangen door 'le mot vrai’. Daar was het hem uiteindelijk om te doen. Soms spreekt Sahl over zichzelf in de derde persoon: 'Voor hem was schrijven een verantwoordelijk iets, en ik heb hem vaak horen zeggen dat een schrijver die zich niet bewust is van zijn verantwoordelijkheid, net zo ter verantwoording geroepen zou moeten worden als een baanwachter die een verkeerd sein heeft gegeven.’