Een israelisch familieverhaal

JERUZALEM - ‘Als het over de Israelische politiek en de rol van de religie in Israel gaat, zijn mijn kinderen, vooral mijn zoons Ari en Benny, het zelden met elkaar eens. Maar zij blijven tenminste met elkaar praten. Wij hebben ze bewust een joodse opvoeding gegeven. Zij spreken nog steeds dezelfde taal, en dat kun je tegenwoordig over de meeste Israeli’s niet meer zeggen. De gelovige en niet-gelovige joden in dit land begrijpen elkaar niet meer.’

Professor Menachem Elon is in Israel een vooraanstaand deskundige in het joodse recht. Hij is gepensioneerd vice-president van het Israelische Hooggerechtshof. De contrasten in zijn gezin, en vooral tussen zijn twee zoons Ari en Benny, zijn typerend voor de tegenstellingen in Israel, waar vijftig jaar na de stichting van de staat niet-gelovig links en orthodox-godsdienstig rechts lijnrecht tegenover elkaar staan.
MENACHEM ELON is in 1935 uit nazi-Duitsland naar het toenmalige Palestina geëmigreerd. Hij maakte het begin van de staat Israel mee als lid van een religieus-zionistische splintergroep. ‘Toen Israel werd opgericht was de relatie tussen gelovige en niet-gelovige joden heel anders. Toen vochten we voor een gemeenschappelijk doel en was het nog vanzelfsprekend om bij elkaar over de vloer te komen. De niet-gelovige Israeli’s wisten nog wat het joodse erfgoed inhield, zodat we met elkaar konden discussiëren.
Door Ben Goerion ging het fout. Hij vond de bijbel en de profeten weliswaar belangrijk, maar de Talmoed, de verzameling commentaren van rabbijnen op de bijbel, schrapte hij als overtollige ballast uit het lesprogramma van de seculiere scholen.
Ik weet nog goed hoe ik in die tijd bij een familielid sinaasappels hielp plukken. Daar ontmoette ik drie kibboetsniks, echte idealisten. Ik studeerde destijds voor rabbijn, terwijl zij het land opbouwden. Ik schaamde me een beetje voor mijn positie.
Zij veronderstelden dat gelovige joden zoals ik tot een uitstervend soort behoorden. Zo dachten veel mensen in die tijd. Maar er was een religieus-zionistische opperrabbijn, de in 1935 overleden Avraham Jitschak Kook, die een totaal andere visie had uitgedragen. Hij zag de terugkeer van joden naar Israel als een religieuze gebeurtenis en volgens hem zou iedereen mettertijd godsdienstig worden. Ik dacht dat rabbijn Kook gelijk zou krijgen. En wat zie je dat er nu gebeurt? Het aantal religieuze joden in Israel neemt toe en blijft toenemen.’
Hij laat trots een rij dikke boeken van zijn hand in de boekenkast zien. 'De bestudering van de traditie van het joodse recht is mijn levenswerk. Uit het joodse recht kun je veel leren over rechtvaardigheid, leiderschap, de rechten van de mens en de vrijheid van het individu. Waarom zouden we dat onbenut laten? Ik vind dat de joodse traditie een rol moet spelen in de joodse staat.
Lang was ik hier een roepende in de woestijn, maar nu zie ik tot mijn vreugde een verandering. Tegenwoordig worden mijn boeken op alle Israelische rechtenfaculteiten gebruikt. In 1992 is door de Knesset wettelijk vastgelegd dat Israel tegelijk een joodse én een democratische staat is.’
VAN DE VIJF kinderen Elon staan Ari en Benny het felst tegenover elkaar. Ari, de oudste zoon, is links en niet-gelovig. Benny, de derde zoon, is extreem-rechts en zeer religieus. Net als Benny zijn de overige kinderen praktiserend religieus. Motti, de jongste zoon, is rabbijn en staat politiek dicht bij Benny. Sefi, de tweede zoon, is advocaat. Hij en Tali, het enige meisje, vormen in de familie het politieke midden.
Ari, de linkse zoon van de familie, woont in Philadelphia en komt elk jaar terug om Talmoed-les te geven in Efal, het onderwijscentrum van de kibboetsbeweging. Hij is door zijn ouders religieus opgevoed. Ze stuurden hem naar een religieuze kostschool in Pardees Chana. Dat was geen aangename ervaring: 'Het was er Spartaans. We werden van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat afgebeuld. Naast de reguliere vakken was het Talmoed, Talmoed en nog eens Talmoed. Verschrikkelijk. Eerst werd ik van pure schrik hartstikke vroom, daarna was het voor mij met de godsdienst voorgoed afgelopen. Ik kon daar echter in die tijd met niemand over praten, zeker niet met mijn ouders en mijn broers.
In die tijd waren er nog niet zo veel van die religieuze scholen, maar na de Zesdaagse Oorlog in 1967 schoten ze als paddestoelen uit de grond. Dat werd de wieg van de rechtse beweging Goesj Emoeniem, het Blok der Gelovigen. De religieuze zionisten leden in die tijd nog altijd aan een minderwaardigheidscomplex. Niet zij maar de ongelovige linkse zionisten hadden immers het land opgebouwd. Door nederzettingen te stichten in de bezette Palestijnse gebieden wisten de kolonisten zich vanaf die tijd op te werpen als de erfgenamen van de kibboetsbeweging.
Toen ik in 1971 filosofie ging studeren in Jeruzalem, kwam ik op de universiteit idealistische jongeren tegen die later de Vrede Nu-beweging zijn begonnen. We beraamden de linkse revolutie, de regering was ons niet progressief genoeg. Ik werd hoofdredacteur van de universiteitskrant en propageerde de teruggave van de bezette gebieden aan de Palestijnen. Maar ik kreeg geen respons.’
'NA DE JOM KIPPOER-oorlog in 1973 ging het nog verder bergafwaarts. In 1977 kregen we een rechtse regering. Onze groep besloot tot een tegenoffensief. We richtten met steun van de kibboetsbeweging een op vrede gericht zionistisch instituut op. Alle grote zionistische denkers namen we onder de loep, van Herzl, Gordon, Brenner en Bialik tot Achad Ha'am. Vooral Brenner fascineerde me mateloos. Net als alle zionistische ideologen had hij kritiek op het traditionele jodendom. “De nieuwe jood” had zich volgens hem nog niet van de geest van de diaspora bevrijd.
Onder invloed van Brenner en Freud verdiepte ik me opnieuw in de Talmoed, maar nu op wetenschappelijke wijze. Volgens Freud kunnen we alleen via het collectief geheugen de individuele psyche begrijpen, en ik vind de Talmoed in ons geval daarvoor het meest geschikte boek. Voor mijn vader is het belangrijk hoe in de Talmoed de rabbijnen de joodse wet, de halacha, bediscussiëren. Mijn broers Benny en Motti halen er directe lessen uit voor hoe de relatie tussen individu, volk, land en geschiedenis moet zijn. Maar voor mij is de Talmoed primair een boek over menselijke verhoudingen. Mijn postmoderne humanistische aanpak past bij de hedendaagse jood die als soeverein mens zijn persoonlijke jodendom bepaalt. Pas als we ons van het autoritaire rabbijnse jodendom hebben bevrijd is de zionistische revolutie compleet.
De moord op Rabin was een enorme schok. Ineens beseften de niet-godsdienstigen dat je de religie niet langer zomaar aan de orthodoxie kunt overlaten. Jigal Amir, Rabins moordenaar, was helemaal geen marginale eenling zoals rechts hem voorstelt, maar juist het product van ’s lands beste religieus-zionistische onderwijsinstellingen.
Jonge mensen vonden het ontzettend moeilijk met die moord om te gaan. Ze brandden kaarsjes, maar ze konden geen kaddisj zeggen voor de dode, want niemand heeft ze dat rouwgebed geleerd. Jonge mensen hebben behoefte aan spiritualiteit. De grote vraag is of het een beweging of een modeverschijnsel is. Ik hoop het eerste, omdat de gapende kloof tussen gelovigen en niet-gelovigen in dit land moet worden overbrugd. Om me hiervoor in te zetten zal ik binnenkort definitief van Amerika naar Israel verhuizen.
Onlangs was ik bij mijn broer Benny in Beit El, een nederzetting in de bezette gebieden. Ik werd door de religieus-zionistische jeugdvereniging Bnei Akiva uitgenodigd om de parasjá, het Tora-gedeelte van die week, te behandelen. Tot mijn verbazing kwam een aantal van hen tot de slotsom dat het joodse geloof en de immorele behandeling van Arabieren elkaar uitsluiten. Kinderen van rechtse kolonisten, die twijfelen of ze wel rechts zullen blijven!’
ARI HEEFT GROTE meningsverschillen met zijn jongere broer Benny. Niettemin, zegt Ari, houden ze van elkaar: 'Wat we met elkaar gemeen hebben is spiritualiteit en humor.’
Benny Elon denkt er ook zo over. 'Mijn broer Ari? Ik hou van hem.’ Benny is orthodox rabbijn en voorzitter van Goesj Emoeniem. 'Ik vind onze persoonlijke band belangrijker dan onze meningsverschillen. Ik heb sowieso niets tegen andere meningen, zolang ze maar niet tot een burgeroorlog leiden. Ari is geen typische linkse duif omdat hij joodse wortels heeft en zich intensief met het jodendom bezighoudt. Mijn problemen liggen bij andere niet-gelovigen. Veel Israeli’s hebben zich van het jodendom afgekeerd en oriënteren zich qua levensstijl op de Verenigde Staten. Daarmee gooien ze het unieke van de eigen traditie overboord.
Ari en ik verschillen nog steeds van mening over de gevolgen van de Zesdaagse Oorlog in 1967. In mijn familie was die overwinning een groot feest. Aan de vooravond van die oorlog waren we bang dat we vernietigd zouden worden door de omringende Arabische landen. In plaats daarvan hebben we Jeruzalem, Judea en Samaria bevrijd. Mijn moeder was in tranen, mijn oom nam me mee naar de Klaagmuur. Ook Ari was toen nog dolgelukkig met de Israelische overwinning.
Later nam hij helaas de stereotiepe denkbeelden van links over: de Zesdaagse Oorlog zou het beginpunt van onze neergang zijn geweest. Tot 1967 waren we volgens hen een vriendelijk staatje, daarna werden we boze bezetters. Onzin. We hebben dit land van meet af aan bezet.
Vlak vóór de Zesdaagse Oorlog hadden we de grootste economische depressie sinds de oprichting van de staat. Veel mensen vertrokken uit Israel. Maar Israels voorspoed begón juist met de Zesdaagse Oorlog! De Russische alija, de emigratie naar Israel uit de Sovjetunie, kwam op gang en Israel werd in de hele wereld een mythe.’
'NET ALS ARI ging ik naar de religieuze school in Pardees Chana. De school stond nog altijd onder het bewind van antizionistische ultra-orthodoxe rabbijnen. Pas met de oprichting van Goesj Emoeniem in 1974 begon een nieuwe beweging. In dat jaar ging ik studeren in de jesjiewa (Talmoed-hogeschool) Merkas Harav bij de geestelijke vader van Goesj Emoeniem, rabbijn Tsvi Jehoeda Kook. Diens vader, rabbijn Avraham Jitschak Kook, de geestelijke voorman van mijn vader, was ervan overtuigd geweest dat de terugkeer naar Israel een spirituele revolutie teweeg zou brengen. Rabbijn Tsvi Jehoeda Kook droeg het gedachtengoed van zijn vader uit en bracht zijn jesjiewa tot bloei. Werken aan de zionistische onderneming samen met álle Israeli’s, dat was zijn devies.
In die tijd richtten twee vrouwen Goesj Emoeniem op. Ze gingen naar Golda Meir met het voorstel om in Elon Moree in Samaria een nederzetting te stichten. Maar Golda trad af vanwege de Jom Kippoer-oorlog en Rabin werd minister-president. Rabin haatte ons vanaf het allereerste begin, hij vond Goesj Emoeniem een kankergezwel in de Israelische samenleving. Met die nederzetting kwam het goed dankzij Peres, die ons uit rivaliteit met Rabin wel heeft gesteund.
In 1992, het jaar dat Rabin opnieuw aantrad als minister-president, werd ik voorzitter van het vernieuwde Goesj Emoeniem. Een paar maanden vóór de moord op Rabin in 1995 sloot ik me aan bij het buitenparlementaire Zo Artzenu ('Dit is ons land’), een actiegroep tegen de Oslo-akkoorden. Ik vind dat die overeenkomst pure zelfmoord voor Israel betekent.
Rabin en Peres hadden idiote illusies. Zij dachten dat 250 miljoen Arabieren ons bloemen zouden gaan sturen vanwege het vredesakkoord! Het Midden-Oosten zou een soort van verenigd Europa worden. Krankzinnig. Voor mij stond het meteen als een paal boven water dat de Oslo-akkoorden tot een Palestijnse staat zouden moeten leiden. Met een Palestijns leger. We kunnen Arafat toch niet dicteren hoe hij zijn staat inricht? Je kunt er vergif op innemen dat we dan op den duur een verschrikkelijke oorlog krijgen.
We gingen de straat op om de regering dit hele verhaal duidelijk te maken. Maar Rabin wilde niet met ons praten. En we werden door de Israelische media doodgezwegen.
De moord op Rabin betekende het einde van Zo Artzenu. We durfden niet meer de straat op, want volgens links waren wij verantwoordelijk voor de dood van Rabin. Maar ik had Rabin nog zo gewaarschuwd dat hij naar de kolonisten moest luisteren! Ik had een voorgevoel dat een gefrustreerde rechtse extremist tientallen linksen overhoop zou kunnen schieten, dat er een burgeroorlog uit zou breken, of dat Rabin vermoord zou worden. Natuurlijk was ik geschokt toen dat werkelijk gebeurde, maar ik was niet verbaasd.’
'SINDS 1996 ZIT IK samen met Rechavam Ze'evi voor de Moledet-partij in het parlement. Mijn partij bepleit de overbrenging van Palestijnen naar Jordanië. Maar dat moet vrijwillig gaan, niet met geweld. De Arbeiderspartij heeft de Palestijnen in 1948 met geweld verjaagd, dat zouden wij nooit doen. Dat roept alleen maar tegenreacties op. Wat wij willen zou een échte oplossing betekenen. Twee staten voor twee volkeren. De Westelijke Jordaanoever voor ons, de Oostelijke Jordaanoever voor de Palestijnen. De bevolking van Jordanië bestaat al voor zeventig procent uit Palestijnen.
Moledet blijft tegen de Oslo-akkoorden. Wij veranderen niet van koers zoals de Likoed. Aanvankelijk waren ze volgens hun partijprogramma tegen de Oslo-akkoorden. Maar toen ze de macht roken besloten ze ermee door te gaan. Desondanks heb ik met Netanyahu een uitstekend contact. Hij kan niet hardop zeggen dat hij een internationaal verdrag aan zijn laars lapt. Dat heeft hij me zo vaak verteld.
De officiële radio en televisie bieden ons geen ruimte. Kijk naar de staatstelevisie op Kanaal 1! Een communistisch bolwerk. Met onze rechtse ideeën kom je daar niet aan de bak. Gelukkig is er Kanaal 7. Ik ben tegen radiopiraten, maar ons schip ligt buiten de Israelische territoriale wateren. Wij hebben Bibi Netanyahu een vergunning voor Kanaal 7 gevraagd en die zal binnenkort worden afgegeven. Onze stem moet via de media naar buiten kunnen komen. We leven toch in een democratie?’
Wat Benny niet vermeldt is dat Kanaal 7 destijds opriep verraders als Rabin te vermoorden.