Nu er licht aan het einde van de tunnel is, komen ook de vragen terug die we ons stelden voor we de coronatunnel ingingen. Op 23 januari 2020 nam minister Wouter Koolmees glimlachend het rapport ‘In wat voor land willen wij werken’ in ontvangst. Nadien is er niets meer van vernomen. De hits die op mijn beeldscherm verschijnen na het intikken van de zoekterm ‘Borstlap rapport’ zijn vrijwel allemaal een jaar oud.

Het rapport was een waterscheiding. Nadat de mantra van flexibeler arbeidsmarkten dertig jaar had geklonken, was hier een vernietigend overheidsrapport. De situatie rond de miljoenen schijnzelfstandigen en flexwerkers in Nederland moet veranderen, stond erin. Te vaak zijn dit uitgebuite werkenden in driehoeksverhoudingen tussen werkgever, zzp’ers en uitzendbureaus of andere ‘bemiddelaars’. Borstlap drong aan op ‘naleving van civiele en publiekrechtelijke regels’ – duidelijker kun je de wetteloosheid niet benoemen.

Dit gaat niet om identiteitspolitiek. Dit gaat om de klassieke tegenstelling tussen arbeid en kapitaal. Die tegenstelling vind je niet alleen op de arbeidsmarkt, die weer financieel veilig moet worden. In de belastingstructuur moet arbeid weer lonen, net als echt ondernemerschap – en dat is iets anders dan dividenden incasseren. Op de huizenmarkt moet speculatie ingedamd worden, want ‘bouwen, bouwen, bouwen’ kost ons wel ruimte en natuur, maar zolang de toevloed van investeerders niet geremd wordt zullen de huizenprijzen niet stabiliseren.

De vraag is dus welk vervolg er aan het rapport-Borstlap en aanverwante kwesties gegeven gaat worden. Het speelveld waarop dit moet gebeuren is groter dan Nederland alleen. De flexibilisering van de arbeidsmarkt als bittere noodzaak is zeer, zeer diep in de psyche van besturend Europa ingedaald. Een enkel rapportje in een middelgrote lidstaat van de Unie gaat dat niet veranderen. Europese beleidseconomen en ambtenaren zitten in het volgende narratief. In de muntunie is er geen flexibiliteit in de wisselkoersen. Vanwege fiscale normen is er geen flexibiliteit in de overheidsuitgaven. En de onafhankelijkheid van de Europese Centrale Bank laat geen flexibel monetair beleid toe (hoewel hier nu gelukkig geldt: nood breekt wet). De conclusie is al dertig jaar: dus moeten lonen en pensioenen flexibel zijn.

Welk vervolg gaat er gegeven wordenaan het rapport-Borstlap over flexwerk?

‘Hervormingen’ zijn dus altijd code voor een flexibeler arbeidsmarkt en lagere pensioenen, nooit voor inperking van vastgoedspeculatie, effectievere belasting van vermogens of een daadkrachtiger overheid. Wie zich tegen zulke hervormingen uitspreekt, is in dit discours bij voorbaat verdacht.

Onlangs las ik in een proefschrift dat ‘populisme’ door economen en politieke wetenschappers vaak wordt afgemeten in enquêtes aan de hand van de stelling: ‘De managers van financiële bedrijven zijn ter zake kundig en betrouwbaar.’ Wie het hier níet mee eens is, scoort hoog op populisme, want hij vertrouwt de elite niet. Je moet dus de crisis van 2008 vergeten en aan de kant van het financieel kapitaal staan, om nog serieus genomen te worden. Vervolgens werd in dit onderzoek weerstand tegen ‘hervormingen’ verklaard uit het aldus gemeten populisme, omdat die twee correleren. Ik citeer hier niet uit conservatieve partijbladen of liberale denktanks, maar uit de wetenschappelijke literatuur.

Het is te hopen dat er eindelijk licht begint te komen aan het einde van de tunnel die Europa ingedoken is aan het begin van de jaren negentig, toen de obsessie met structurele hervormingen vaste voet begon te krijgen. De progressieve partijen hebben hier kansen voor open doel. De agenda van januari 2020 ligt nog onaangeroerd op tafel, want coronasteun is geen structurele verandering.

‘Bij ongewijzigd beleid hebben we in Nederland én een economisch én een maatschappelijk én een sociaal probleem’, schreef Hans Borstlap een jaar geleden.

Waar zullen we op 23 januari 2022 staan?