Opheffer

Een jaar na de slachtpartij

Een jaar na de slachtpartij op Theo. Hoe zijn we eraan toe?
In de Volkskrant verschijnt een artikel van Ralph Bodelier dat we misschien porno moeten verbieden.

In NRC Handelsblad schrijft Sjoerd de Jong dat schelden in sommige gevallen misschien wel verboden moet worden. In diezelfde krant werden kritische kanttekeningen gezet bij het begrip vrijheid – is dat nu wel in alle gevallen zo goed?

Als ik door de stad loop zie ik overal «Politiehuisjes». Daar wonen fractie leiders die hun democratische plicht niet kunnen uitvoeren, want ze worden blijkbaar bedreigd.

Samir A – die doorgeladen stenguns, gewone pistolen, plattegronden van Tweede Kamer en Schiphol, amateur-explosieven, een plattegrond van het huis van Ayaan Hirsi Ali en een zelfmoordtestament op zak had – wordt vrijgelaten wegens gebrek aan bewijs. Hij sloeg meteen een fotograaf in elkaar.

Filmprofessor Patricia Pisters verwijt Theo van Gogh en Ayaan racisme met de film Submisson. Redenering: welbewust hebben Theo en Ayaan een filmtaal gebruikt die moslims buitensloot en kwetste.

Donner wil het wetsartikel van de godslastering schrappen. Opruiende taal wil Donner verbieden met als reden: dat zal die moslims leren.

Nederland voelt zich, althans volgens de laatste enquête, een stuk veiliger dan vlak na de dood van Theo.

Ik kan zo doorgaan, maar ik word treurig van mijn eigen lijst. Laat ik er iets uitpikken.

Schelden zou verboden moeten worden, want daarmee vervreemden we de moslim gemeenschap van ons.

Wel eens de koran gelezen? Doe het eens een half uur. Vrouwonvriendelijkheid, anti semitisme – het leest als de ene belediging na de andere. «Doe dit… doe dat… vertrouw die niet…», enzovoort. Ik ben niet bereid om dat «voor de lieve vrede» te pikken. En dus zal ik dat bestrijden. Het effect zal misschien zijn dat «de moslims» in hun schulp kruipen (dat effect zie ik trouwens helemaal niet), maar misschien zijn er ook een paar die die koran ook eens gaan lezen naar de maatstaven van de door ons allen zo gewaardeerde vrede en rechtvaardigheid en gelijkwaardigheid.

Persoonlijk vind ik trouwens dat je niet zozeer op moslims moet schelden maar op hun gedachtegoed en dat je vooral moet schelden op de politiek correcte schurken die mij het spreken willen beletten of dood willen. Dat zijn trouwens vaak degenen die stellen dat ik het altijd maar over «de moslims» heb. Ze bedoelen daarmee te zeggen dat ik discrimineer. Ze houden niet op mij te vertellen dat er vele soorten moslims zijn en dat de meesten niet achter de moord op Theo staan.

Mijn antwoord is dan: ik noem een bepaalde fanatieke groep bij voorkeur niet «de moslims», maar zij noemen zichzelf steeds moslims. Mohammed B., de Hofstadgroep: «Wij zijn moslims.» Hoe moet ik ze dan noemen? Gekken? Fascisten? Maar zij plegen moorden uit hoofde van hun religie. Zeg mij maar wat ik moet schrijven. Tot zo lang zal ik dat geloof bestrijden en het moeten hebben over moslims. Soms bestrijd ik hun geloof met argumenten, soms met gescheld, soms met knappe, soms met domme redeneringen – alleen zal ik nooit oproepen tot geweld en zelf geen geweld gebruiken.

Een andere redenering die je veel hoort is: met al dat gescheld bereik je niets, je kwetst alleen maar. Dat klopt. Soms wil je alleen kwetsen, even pijn doen, zonder geweld, zoals je – ik ga nu een gevaarlijke metafoor gebruiken – af en toe een hond een tik geeft om haar te corrigeren. Soms helpt dat, meestal niet, trouwens.

Een jaar na de moord op Theo van Gogh gaat het absoluut niet beter. We hebben het over de «toon» van de muziek, niet meer over de muziek zelf. We moeten niet schelden, minder vrijheid willen, de dialoog zoeken. We moeten elkaar vooral fysiek met rust laten, denk ik, dan komt die dialoog vanzelf.

Het afgelopen jaar heb ik me suf gedebatteerd. Ik kan dat helemaal niet, maar ik deed mijn best. Het beviel me absoluut niet. Wat me niet beviel was het volgende, wat ik zal illustreren aan de hand van een voorbeeld.

«En Opheffer, wat vind jij van de vrijheid van meningsuiting?»

«Nou, ik vind het ’t grootste goed dat we hebben, want ik denk dat het goed is elkaars mening te horen, hoe die ook verwoord wordt.»

«Stop, ik wil even de mening horen van Youssoef. Youssoef wat vind jij?»

«Ik ben ook voor de vrijheid van menings uiting, alleen ging Theo van Gogh te ver, die man heeft het aan zichzelf te danken. Het is goed dat hij is vermoord, hij zat alleen maar te beledigen.»

«Daar wil ik toch even iets op zeggen…»

«Wacht even, Opheffer… Fatima… wat vind jij?»

«Ik ben ook voor de vrijheid van menings uiting, maar Ayaan gaat te ver. Waarom beledigt ze alle moslims, terwijl ik deze hoofddoek draag omdat ik dat wil…»

«En dan nu het woord aan…»

We wisselen meningen uit, we redeneren niet, maar oordelen. Redeneringen hebben geen zin.

Een jaar na de moord op Theo ben ik er niet vrolijker op geworden. Ik heb sterk het idee een verloren strijd te voeren waar ik dacht een sprong te maken. Misschien vergis ik me, dat hoop ik maar.

Ik vind hoop een plicht; vooral de hoop dat ik het niet goed zie, het bij het verkeerde eind heb en me constant vergis.