Een jaar zonder vrijheid?

Volgens Isaiah Berlin beperken wetten en regels altijd onze vrijheid. Volgens Jean-Jacques Rousseau maken wetten en regels juist vrij.

Luister naar dit artikel

Het afgelopen jaar waren we in Nederland onze vrijheid kwijt. Dat is alleszins de overtuiging van mensen als Willem Engel en Thierry Baudet. Zij protesteerden daarom tegen maatregelen als de avondklok, de mondkapjesplicht of het verbod op evenementen. Dansleraar Engel vergeleek de coronamaatregelen met de jodenvervolging en spande een kortgeding aan tegen de overheid. Zijn organisatie, Viruswaarheid, beweert te strijden voor een toekomst waarin ‘ook onze kinderen nog de mogelijkheid hebben om zich in vrijheid te ontplooien’. Baudets partij Forum voor Democratie voerde een verkiezingscampagne met de slogan ‘Stop de lockdown. Nederland weer vrij’. Dat was dan blijkbaar niet gelukt, want twee maanden later verspreidde Forum een poster met daarop de boodschap: ‘Op 5 mei herdenken we 75 jaar vrijheid’, met daarbij de jaartallen ‘1945-2020’. Bij het laatste jaartal stond een overlijdenskruisje.

Engel en co. zijn zich hier misschien niet van bewust, maar met dit soort uitspraken echoën ze de ideeën van de liberale denker Isaiah Berlin. Die hield in 1958 een invloedrijk pleidooi om vrijheid enkel als iets ‘negatiefs’ te zien: de vrijheid van interventies door anderen, in het bijzonder staatsinterventie. Volgens Berlin beperken wetten en regels altijd onze vrijheid, zelfs als deze regels worden uitgevaardigd door democratisch verkozen vertegenwoordigers, en zelfs als ze op brede steun van de bevolking kunnen rekenen. ‘Elke wet is een inbreuk op de vrijheid’, zo verkondigde Berlin stellig. Vanuit dit perspectief zijn de coronamaatregelen inderdaad een aanslag op de vrijheid. De verplichting om een mondkapje te dragen, of het verbod om na een bepaald uur op straat te komen, beperken ons zonder enige twijfel in ons vermogen om te gaan en staan waar we willen, wanneer we dat willen.

Maar er is ook een andere manier om over vrijheid na te denken. Volgens de Franse verlichtingsfilosoof Jean-Jacques Rousseau is vrijheid niet de vrijheid om te leven zonder wetten en regels, maar onder wetten en regels die je zelf hebt helpen maken. Rousseau argumenteerde daarom dat vrijheid alleen mogelijk is in een democratische staat, waar alle burgers een gelijke inbreng hebben bij het maken van de wetten. In een democratie, zo stelde Rousseau, blijft iedere burger even vrij als hij of zij zou zijn in de ‘natuurtoestand’ – de situatie waarin mensen zouden verkeren als er helemaal geen staat of overheid zou zijn. Sterker nog, volgens Rousseau is de democratische burger, die te gehoorzamen heeft aan collectief opgestelde wetten en regels, zelfs vrijer dan zijn of haar tegenhanger in de anarchistische natuurtoestand.

Op het eerste gezicht lijken Rousseaus ideeën misschien tegendraads of zelfs onzinnig. Het is al moeilijk voor te stellen dat wetten en regels onze vrijheid niet noodzakelijk inperken. Maar hoe kunnen wetten en regels onze vrijheid nu vergroten? Niettemin snijden de ideeën van Rousseau meer hout dan je op het eerste gezicht zou denken. Want het is wel degelijk zo dat wetten en regels ons kunnen helpen om onze doelen te bereiken, omdat zij niet alleen ons eigen gedrag aan banden leggen, maar ook dat van anderen.

Neem een alledaags voorbeeld: de verkeersregels. De meesten onder ons verplaatsen zich bijna elke dag in het verkeer, van onze woning naar het werk of naar school, om te gaan winkelen, of om vrienden te bezoeken. Tijdens deze ritten zijn we aan allerlei regels en beperkingen onderhevig: we moeten aan de rechterkant van de weg fietsen of rijden, we moeten om de haverklap wachten voor stoplichten, enzovoort. Dit alles lijkt op het eerste zicht onze vrijheid in te perken om te doen wat we willen zonder interventies van buitenaf. Meer bepaald lijken verkeersregels ons te beperken in onze vrijheid om ons zo snel mogelijk te verplaatsen van punt A naar punt B.

Maar is dat ook echt zo? Als we even verder doordenken, wordt al snel duidelijk dat verkeersregels ons juist kunnen helpen om ons doel te bereiken. Stel dat er helemaal geen verkeersregels waren, dan zou het al snel een complete chaos worden op de weg. In steden als Caïro, waar verkeersregels minimaal worden nageleefd, ligt de gemiddelde snelheid veel lager dan in pakweg Rotterdam. En daar betekent zich voortbewegen in het verkeer ook dat er een groter risico is dat je helemaal niet aankomt op je bestemming, door verkeersongelukken. Met andere woorden: verkeersregels beperken onze vrijheid niet, ze helpen ons juist om ons doel te bereiken: ons snel en veilig van punt A naar punt B verplaatsen.

Tegelijk maakt dit voorbeeld ook duidelijk hoe belangrijk een ander punt van Rousseau is: dat de regels op democratische wijze worden opgesteld, met inbreng van de hele gemeenschap en niet alleen een deel ervan. Stel dat verkeersregels enkel worden opgesteld met input van automobilisten, dan gaan die er heel anders uitzien dan wanneer ook voetgangers en fietsers worden geconsulteerd. Het ontbreken van een goeie fietsinfrastructuur en wetgeving die uitgaat van no fault-aansprakelijkheid voor zwakke weggebruikers in landen als het Verenigd Koninkrijk is bijvoorbeeld een gevolg van het ontbreken van een sterke fietserslobby zoals we die in Nederland kennen.

Iets gelijkaardigs kunnen we zeggen over onze ervaringen van het afgelopen jaar. De strenge lockdownmaatregelen voelden vaak beknellend. Natuurlijk kwamen de muren op ons af. Maar ze hielpen ons wel om een doel te bereiken dat breed werd gedragen: ervoor zorgen dat de gezondheidszorg niet omviel. Tegelijkertijd werden de coronamaatregelen niet zomaar door een klein clubje doorgeduwd. Ze bleven ter discussie staan, er was ruimte voor contestatie – en dat was ook vaak nodig.

Kortom, het afgelopen jaar was moeilijk. Maar het was geen jaar zonder vrijheid.


Annelien De Dijn is hoogleraar moderne politieke geschiedenis en publiceerde dit jaar Vrijheid: Een woelige geschiedenis