Koen Peeters, Fijne motoriek

Een jachtige prinses: vijf letters

Koen Peeters

Fijne motoriek

Meulenhoff/Manteau, 64 blz., € 17,95

Koen Peeters (1959) meldt achter in zijn poëziedebuut Fijne motoriek: «Te weten was vooraf dat dit de opdracht was: het schrijven van korte en lange zinnen, doorgaans titelloos, verstaanbaar en wat ouderwets, die over minstens twee dingen gaan en een air vertonen van onaf, nooit bang voor slordig binnenrijm en dubbelpunten en herhaling, grote gebaren en emotie (…).»

Die «opdracht» resulteert in associatieve strofen als deze:

Zo jongensachtig tuimelen vannacht

met je wagen van de trappen

slechts een perte totale

ach wat blikschade van de centrifugale kracht

er is nooit iets aan de hand, je lacht

maar wat dacht je in de bocht tenzij eerst W A A U W ?

Dacht je dat je Diana was,

zo’n prinses uit de boekjes op jacht

en waren de wentelingen zo goddelijk als ze schenen?

Ja, wat dacht je in de bocht?

Het is bijna een kruiswoordraadsel. Een jachtige prinses: vijf letters. Maar zou iemand zich ooit prinses Diana en de Romeinse jachtgodin tegelijkertijd wanen? En zo niet, wat zou de dichter dan willen met die associatie? De rijmwoorden vannacht, kracht, lacht, dacht en jacht (en bovendien -achtig en ach) liggen wel erg voor de hand, ook als we «niet bang» zijn voor slordig binnenrijm. Moeten ze echt allemaal de revue passeren? Het binnenrijm is trouwens minder slordig dan de formulering. Wie zou er ooit kunnen zeggen of wentelingen werkelijk zo goddelijk «waren» als ze «schenen»? Is daar dan een verschil tussen, als we over wentelingen praten?

In de wetenschapsfilosofie maakt men wel eens een onderscheid tussen de context of discovery en de context of justification. Een theorie kan op de meest intuïtieve, toevallige wijze ontdekt worden, maar dat doet er niet meer toe als we willen weten of de nieuwe theorie standhoudt; dan telt alleen de toets der kritiek. Voor een gedicht geldt ongeveer hetzelfde. Inspiratie of noeste arbeid, angst of moed, één vlaag of eindeloze herschrijving: uiteindelijk telt alleen het resultaat. Peeters vertelt de lezer dat zijn zinnen over minstens twee dingen moeten gaan en dat hij niet bang is voor slordig binnenrijm, maar dat is geen excuus voor een simpele brij van associaties.

Opmerkelijk genoeg werkt zijn concept op andere momenten opeens heel goed. Neem de eerste regels van de bundel:

Autoradioweerbericht, zeven uur dertig

het woestijnzand dat gisteren uit de Sahara op de autoruiten viel

regent er vandaag weer af.

Achteloos zandkristal

hier ontheemd aanbeland: noemt men dat een migrant?

Dankzij dit gedicht valt het op: het woord migrant suggereert dat landverhuizing een keuze is. Anders spreken we niet van een migrant, maar van een vluchteling. Alleen kun je een zandkristal moeilijk een vluchteling noemen. Nog voor we weten hoe we die zandkristallen moeten noemen zijn ze trouwens weer weggespoeld door de regen. Dat wordt althans voorspeld op de radio, maar zal de voorspelling uitkomen? Het knettert in deze zinnen, ze kaatsen de lezer overal naartoe.

Of neem een gedicht over een begrafenisdienst. Daarin schrijft Peeters:

Maar zijn moeder bijvoorbeeld

hield van anjers en lelies.

Welgesteld brult het orgel: welkom

in het kot van god.

Onder zijn kerkstoel leest hij in Palatijnse schreven:

Hier rust… en daaronder rust het onleesbare dorp

krabt de dodenakker, kietelt zijn doden

harkt zoals bijvoorbeeld zijn moeder amen.

De dode dorpelingen zijn niet meer te lezen. Niemand kent ze meer. Maar ze liggen daar nog. De dodenakker krabt en kietelt. Het maakt de doden rusteloos in hun onleesbaarheid.

Dat zijn moeder van anjers en lelies hield, is zo’n mooi nietszeggend detail dat zij op slag het papier ontstijgt en een persoon wordt. Dat ze ook nog eens harkt (wie weet harkte ze een graf, want waar is vader?), doet tragiek vermoeden.

Hoe kan het toch dat de «opdracht» van Peeters tegelijkertijd zo veel goede en slechte gedichten voortbrengt? Misschien vertrouwt hij te veel op zijn poëtica. Het idee achter zijn bundel wurmt zich soms als een wethouder Hekking tussen de gedichten en de lezer.

Het verschil tussen een Peeters-gedicht met of zonder «Hekking» is extreem. Bekijk het begin van het gedicht Yoga, of het contempleren van de middenberm eens:

Je gooit je jas en knoopt je das en veters los

geeft teder gas en droomt

dat je vlezen reizen maakt, ongemerkt met je machine

met handels, draden assen

het is de ik, de

vervoering van het ik.

Het ik? De ik? Ik weet ik niet.

Even associëren, twee betekenissen van vervoering bedenken en dan bij een platgetreden denkbeeld over «ik» uitkomen. Vergelijk dat eens met deze regels:

In een kantoortempel worden ronde tafels gedekt,

aan de draaideur wacht een blondine met een lijst.

Ik? Moi_? Mijn naam heeft ze niet begrepen._

Blijven bewegen.

Zou vanavond willen schreien met wie dat thuis niet mag,

ook niet op trein of op kantoor maar op trottoirs

te vloeien onderweg

hoogst pathetisch aan onbekenden.

Hier blijft het idee van een onkenbaar ik opeens haken aan liefde, erotiek, verdriet, rusteloosheid. Schitterend.

Peeters schrijft dat hij niet bang is voor grote gebaren en emotie. Maar hij lijkt er niet op te mikken. Hij speelt bovenal een spelletje met dubbele betekenissen. Hij verwart doel en middel. Toch weet hij af en toe wonderbaarlijk te treffen.