Een jeugd die nooit ophoudt

Gert Vlok Nel
Het is onnatuurlijk om te leven
Vertaald door Robert Dorsman
Podium, 96 blz., € 16,50

Natuurlijk klinkt kaalgat leuker dan blote kont, blokkiesvloer leuker dan parketvloer en flippin horribaal leuker dan godsgruwelijk. Nederlanders vinden Afrikaans een koddige taal. Ze vragen de spreker wat het woord is voor opa, die dan oepa zegt, met hilariteit tot gevolg. Het zou jammer zijn als het in het geval van Gert Vlok Nel daarbij bleef. We zouden ’m bejegenen als de aboriginal die in een tochtig winkelcentrum in Amstelveen iedere dag wezenloos op zijn didgeridoo blaast. Onjonjonjonjonj doet het. En passanten werpen glimlachend twintig cent in zijn I love Holland-pet. Om snel de iPod weer op te zetten en de snelcursus antropologie te verruilen voor het winkelgalerijtinnef van Katie Meluah.

Gert Vlok Nel is geen antropologisch fenomeen, maar een liedjeszanger en een dichter. Als zanger is hij ingehouden: liedjes kennen vaak niet meer dan twee akkoorden en de teksten worden hees door de melodieën heen gepreveld, als geheime gebeden. Als dichter is hij niet bepaald productief: in 1993 verscheen zijn eerste en enige poëziebundel, Om te lewe is onnatuurlik, onlangs in vertaling verschenen als Het is onnatuurlijk om te leven. Nel noemt in die bundel doring-bomen ‘irrelevant’, als het plenst regent het ‘subcultureel wreed’, bloesem ruikt ‘awhrggg’ en wolken bewegen ‘grotesk’.

Het zijn songs van een éénmans-chaingang, bijtende herinneringen aan een jeugd die nooit ophoudt. Over een moeder die haar kinderen binnenhaalt ‘als wasgoed voor de regen’. Over het geluid van een naderende trein die komt ‘als e bijl uit de nacht’. Over opnieuw een moeder die de tuin in loopt ‘met de riem zogenaamd’, waarop de kinderen zich ‘bang naarbinnen zogenaamd’ begeven.

Misschien is Hennie wel het mooiste gedicht uit de bundel.

ik kreeg Hennie lief met de liefde van de aarde

als wijn & brood, zout; de ontkieming die glimpen

van de lucht (en licht) te zien geeft, zich reikhalzend uitstrekt

als de wilde ganzen op de muur bij Ma

naar de zon even wit of geel als het fornuis

maar de geur van natte planten en resten schrikt af

– de diep verborgen verbondenheid van de grond

van Hennies huid, van de woorden uit Hennies mond

het doet er niet meer toe wie er wint Hennie

de hutten (gaten) zijn inmekaargedonderd, bij de plas

de ganzen nog trappend in de wolken-in-het-water, ándere ganzen –

heb je ze gezien? kinderjaren zijn irrelevant (niks waard) voor dié

verdomde

ganzen. en erosie is e ander woord voor gaten in de grond. psst. maar

onthoud alsjeblieft de dag dat de regen onze wolkenwereld wegvaagde

zomaar

en wij alleen & samen waren in het grijze heelal in onze kano van

zinkplaat

nu zijn woorden overbodig en daden misschien onnodig. ik ben

veel geleerderder (smart vermeerderder) dan jij. het licht is zelden wit.

jij hebt ’m in de 3e oksel van een vrouw (.) (.) gestoken. snookerkampioen

en zaterdagheld geworden op het dorpsrugbyveld maar zelden

stap je ’s avonds vroeger op, terug naar de bitterzoete vrucht. we zien

weinig van elkaar, maar dank je voor die klus

vandaag –

we tapten olie uit e fordmotor bij jouw huisje bij de brug

en voelden het stille groeien van wortels stééds dieper

en boven de duiven bloemen tegen de lucht

Hennie mag dan een vertelling zijn in de categorie daar-moet-je-bij-geweest-zijn, het is magnifiek in de groots opgezette beschrijving van een kleine vriendschap. Merkwaardig is het dat de vriend zijn apparaat in vertaling ‘in de 3e oksel van een vrouw’ steekt, maar in de oorspronkelijke tekst ‘die 1ste oksel rond i vrou’ betreedt. Werkelijk de moeite waard is die puberplatheid in combinatie met het prozaïsche van een werkmansbestaan en dan plots zo’n verbijsterend ‘erosie is e ander woord voor gaten in de grond’, dat terugverwijst naar de niet-geërodeerde aarde (vriendschap) in de eerste regel. Of licht dat ‘zelden wit’ is, versus ‘glimpen’ van lucht en licht in de eerdere hand-in-hand-fase.

Er wordt reikhalzend teruggekeken, middels de ganzen aan de muur bij moeder, naar de onschuldige kindertijd. Het werkelijke broodvragende gevogelte trapt echter ‘in-de-wolken-in-het-water’, spuugt op dat verleden en snatert ‘irrelevant! irrelevant!’, net als de doring-boom aan het begin van deze bespreking. Die boom, in een ander gedicht, getiteld e dag ergens anders wie weet het nog, staat in het zicht van de ik-figuur als hij voor het eerst ‘flikflooit’ met een meisje. Maar in dat gedicht zien we geen ‘bloemen tegen de lucht’ boven de duiven, maar een gomboom die zich vertakt ‘tegen de grimmiger lucht’. In de wereld van Gert Vlok Nel is geluk grimmig, in dit geval omdat tijdens zijn eerste liefdesnacht ergens anders een grootvader zijn leven ziet eindigen, ‘ergens subtiel en brutaal stervend’. Die verbale pofadderbeet moet je eigenlijk in het Afrikaans lezen.

en by sy huisie, herinnerend en nie, was Oupa in sy teer lyf

êrens subtiel & brutaal sterwend, in alle erns.

Ontluikende liefde zo direct gekoppeld aan het ‘flippin horribale’. Een opa die verblijft ‘in de township van de hemel/ waar niemand dichter is, zonder herinnering/ of te veel pijn voelt’. Als je dat ervaart is het onnatuurlijk om te leven. Dan kun je alleen nog maar zingen.