ANNA BIJNS, VAN ANTWERPEN

Een jufvrouw gansch alleen

Herman Pleij, Anna Bijns, van Antwerpen, € 24,95

Herman Pleij schreef een aanstekelijk portret van de eerste zelfstandige, dichtende en publicerende vrouw in de Nederlandse letteren: de zestiende-eeuwse scherpslijper Anna Bijns.

In het midden van de jaren tachtig van de vorige eeuw was de belangrijkste staatsprijs voor literatuur, de P.C. Hooftprijs, zieltogend. De toenmalige minister van Cultuur, Elco Brinkman, weigerde de prijs namelijk uit te reiken aan de keuze van de jury, Hugo Brandt Corstius, vanwege diens beledigingen aan het adres van politici. De weigering veroorzaakte een geweldig rumoer dat enkele jaren aanhield. Jaren waarin de prijs niet werd uitgereikt. Geen mooier moment, dachten een paar actieve bij de literatuur betrokken feministen (Renate Dorrestein, Anja Meulenbelt, Caroline van Tuyll en ikzelf), om een nieuwe en even grote prijs in het leven te roepen, die de naam van een vrouw zou moeten dragen en die voornamelijk voor vrouwelijke auteurs zou moeten zijn. Immers, de P.C. Hooftprijs was sinds zijn ontstaan in 1947 nog maar viermaal aan een vrouw uitgereikt. Aan Anna Blaman in 1956, aan Ida Gerhardt in 1979, aan M. Vasalis in 1982 en aan Hella Haasse in 1983.
Het was al snel duidelijk dat de ideale kandidate voor de naamgeving van deze prijs de Antwerpse dichteres Anna Bijns was. Een zelfstandige vrouw en geen kloosterlinge, zoals de veel bekendere Hadewijch. Eigenlijk de eerste zelfstandige, dichtende en publicerende vrouw in de Nederlandse letteren. Een geweldig poëtisch talent dat midden in de rumoerige wereld van de zestiende eeuw stond en daar met felle gedichten aan deelnam. Een vrouw bovendien, die haar hele leven gewerkt had en ongehuwd was gebleven. Dat zij zeer geestige antihuwelijksgedichten bleek te hebben geschreven, kwam ons daarbij als een geschenk in de schoot gevallen.
Trouwens, in al haar gedichten toonde zij zich even welbespraakt en humoristisch als temperamentvol en moedig. Maar wie wás Anna Bijns? Geen mens kende haar en zelfs Neerlandici kwamen nauwelijks verder dan haar naam. Er moest dus een boekje over haar geschreven worden en die taak werd mij toegewezen. Ik was immers met haar aan komen zetten. Tevens kon ik dan de doelstellingen van onze nieuwe prijs uit de doeken doen. Een en ander bleek minder makkelijk dan het zo gezegd is.
Er bleken maar weinig feiten over Anna Bijns vast te staan. Voor het beschrijven van haar leven kon ik eigenlijk alleen terugvallen op de uitgave van Van den Branden, archivaris van de stad Antwerpen, die rond de vorige eeuwwisseling alles wat zich in diverse Antwerpse archieven en kronieken bevond opzocht en met elkaar vergeleek en zodoende achter een aantal belangrijke gegevens kwam. In 1911 verscheen zijn verslag daarvan in Anna Bijns: Haar leven, hare werken, haar tijd, 1493-1575, een met veel liefde geschreven boek. Men moet hierbij bedenken dat vóór die tijd nog niet eens haar geboorte- en sterfdatum bekend waren. Dat het nazoeken hiervan nog niet eenvoudig was mag blijken uit het feit dat er gedurende het midden van de zestiende eeuw in Antwerpen niet één, maar wel vijf vrouwen waren die de naam Anna Bijns droegen.
Ik citeerde in mijn pamfletachtige boekje uitvoerig en met groot plezier uit Van den Branden, omdat zijn taalgebruik op zichzelf al een kostelijk goed was. Hij kon intens met Anna meeleven, vooral in haar latere jaren, als zij het steeds zwaarder krijgt. Als inventief en messcherp bestrijdster in verzen van de lutheranen, moet zij meemaken dat de reformatie steeds meer terrein wint en de beeldenstorm de Onze-Lieve-Vrouwe-Kathedraal aan de Groenmarkt treft. Geboren als dochter van een welvarende ‘kousenmaker’ (is kleermaker, speciaal van broeken) in het prachtige pand De Cleyn Wolvinne aan de Grote Markt - het bestaat nog steeds -, moet zij na de vroege dood van haar vader verhuizen naar een veel kleiner pand aan de Keizerstraat. En na de dood van haar moeder en het late huwelijk van haar broer moet zij ook daar weg en verhuist zij naar een nog veel kleiner huisje, eveneens aan de Keizerstraat, waar zij vanaf nu alleen woont. Met haar broer runde zij in het ouderlijk huis een schooltje dat op zijn naam stond. Na zijn huwelijk moet zij, inmiddels al in de veertig, dat zien voort te zetten in een kamertje van 3,50 bij 4,75 meter.
Het beleg van Antwerpen door de Gelderse 'spitsboef’ Merten van Rossum volgt en ten slotte arriveert Alva met zijn schrikbewind. De welvarende en handeldrijvende bewoners van de stad vluchten en Spaanse soldaten maken met hun invallen in willekeurige huizen van onschuldige burgers het verval van de voormalige metropool volledig. 'Jufvrouw Anna Bijns stond nu gansch alleen om te kampen voor haar bestaan in den schrikkelijk beroerden tijd welke zij beleefde’, schrijft Van den Branden hierover bekommerd. Met het onderzoek dat hij naar haar heeft verricht heeft deze stadsarchivaris echter gezorgd voor het fundament onder elke volgende Anna Bijns-studie.
Er is sedertdien weinig belangwekkends over Anna Bijns gepubliceerd, tot nu toe. Want zojuist is verschenen Anna Bijns, van Antwerpen van de bekende oud-hoogleraar Herman Pleij. Het is een aanstekelijk geschreven werk dat deze topdichter van de rederijkers vanuit alle denkbare gezichtspunten belicht. En dit laatste is Pleij volledig toevertrouwd, want hij heeft een brede kennis van de literatuur en de geschiedenis van die buitengewoon boeiende overgangsperiode tussen de Middeleeuwen en de Renaissance. Het boek is te beschouwen als een enorme stap vooruit in de kennis omtrent Anna Bijns. En het zal hopelijk ook bijdragen aan haar bekendheid als groot Nederlandstalig dichter. Voorname bouwsteen van dit boek, dit portret in feite, is zijn diepgaande kennis van de gedichten zelf, die hij onomwonden gebruikt als gegevens om haar leven te reconstrueren. Dit is veel ongewoner dan het er hier nu uitziet, want deze wijze van werken is wetenschappelijk gesproken eigenlijk sedert de Tweede Wereldoorlog al volstrekt taboe. En het is goed dat dit taboe hier doorbroken wordt en dat dit ook welbewust is gedaan en door Pleij wordt toegelicht.
Hier moet echter iets aan worden toegevoegd. Er zijn maar weinig gedichten van Anna Bijns die ook werkelijk toegankelijk gemaakt zijn, dat wil zeggen: hertaald naar een in deze tijd begrijpelijker Nederlands. Zij schreef in de traditie van de rederijkers, wat voor onze tijd ellenlange 'refreinen’ zijn. Welsprekendheid, kundig en kunstig taalgebruik, idem rijmschema’s en neologismen werden toen, in tegenstelling tot nu, hoog gewaardeerd. Ook lang niet alle van de vele alleen in handschrift overgeleverde gedichten zijn gepubliceerd. Pleij, als kenner van het Middelnederlands en kennelijk lezer van veel onbekende gedichten, beschikt dus over veel informatie die de gemiddelde lezer niet kán hebben. Vandaar dat het goed is dat hij daar gebruik van maakt. Maar het maakt zijn gebruik ook minder controleerbaar.
Er kleven nog enkele andere nadelen aan de door Pley gehanteerde methoden. Net als bij Van den Branden gaat het bij Pleij om interpretaties van de maar weinige feiten die vast staan. Zijn die interpretaties bij Van den Branden meer gebaseerd op invoelen en meeleven, bij Pleij stoelen ze eerder op zijn veel grotere kennis van de context van de tijd. Zo weet hij het zeer aannemelijk te maken dat Anna Bijns als vrouw weliswaar geen lid mocht zijn van de rederijkerskamers van de stad, maar dat zij wel tamelijk volledig deelnam aan het rederijkersleven. Conform de officiële norm komt haar naam dus niet op de ledenlijsten voor, noch overigens die van enige andere vrouw. Maar de praktijk was, zo maakt Pleij waarschijnlijk, anders. Hij weet ook duidelijk te maken dat Bijns’ refrein op de stokregel “t Es verlooren Rosen voor soghen [= zeugen] ghestrooydt’ geen smaaddicht is tegen de rederijkers zelf, zoals Van den Branden meent, maar dat het de straatdichters op de korrel neemt die in rederijkerstrant probeerden te dichten en geld vroegen voor hun rijmelarij.
Met deze en nog veel meer voorbeelden verwijst Pleij de volgende gevoelvolle redenering van Van den Branden onverbiddelijk naar de prullenbak: 'De heeren gezellen dier gilden leefden bij het vereenigen nogal lustig, ja, maakten het doorgaans al te bont bij de met wijn opgefrischten dichtoefeningen en overdadige dischfeesten, dat eene christene maagd als Anna daar deel kon aan neemen.’
Eenzelfde soort verschil in interpretatie doet zich voor met betrekking tot de hartstochtelijke en ook hartverscheurende liefdesgedichten die Anna Bijns schreef en die, hoewel ze nooit gedrukt werden en alleen in handschriften tot ons zijn gekomen, een aanzienlijk deel van haar oeuvre uitmaken. Mijns inziens geeft Pleij met recht aan dat de gedichten de sterke indruk wekken dat er een realiteit aan ten grondslag lag. Hij onderkent twee series van refreinen over de tijdsspanne van zo'n drie jaar (1525-1528). Dat ze specifiek gedateerd zijn, in tegenstelling tot de meeste andere gedichten, geeft aan dat ze een bepaald belang voor haar hadden. In deze series is er tweemaal sprake van eenzelfde verloop van de liefde: tweestrijd (uitgedrukt in dialogen), wanhoop en ten slotte pogingen tot berusting. In beide series spelen verraad, achterklap en bedrog, ook van familie, een grote rol.
Net als bij Emily Dickinson het geval is heeft men zich door de eeuwen heen het hoofd gebroken over de vraag: heeft zij het als ongehuwde vrouw nu echt gedaan? Van den Branden is er zeker van: niet. Verontwaardigd schrijft hij: 'Deze en andere minneverzen, waarin Anna Bijns zo los omspringt met de liefde, hebben haar in een valsch daglicht gesteld, deden haar door kunstrechters van heden beschouwen als eene lichte deerne, die hare wulpsche lusten bot vierde en den genotsbeker tot den bodem ledigde. Met hare eigene verzen als beschuldigers werd zij schandig veroordeeld.’ Pleij daarentegen spreekt vanuit de moraal, de opvattingen en de terminologie van nu en noemt het onomwonden seks, waar Anna Bijns het over heeft. En hij meent dat zij leed aan een door de afgebroken liefde(s) veroorzaakt trauma.
Hoe het ook in elkaar gestoken heeft, onomstotelijk staat vast dat deze gedichten behoren tot het meest bijzondere wat er in onze literatuur op het gebied van liefdespoëzie is geschreven. Zo spaart zij de ontrouwe minnaar bijvoorbeeld net zo min haar scheldkanonnades als zij het Luther doet.
Wat uit dit gehele boek oprijst is een met veel kennis, inzet en psychologisch inzicht geschilderd portret van een zeer zelfstandige vrouw, die midden in het leven van haar tijd stond en daar ook in alle opzichten aan deelnam. Het is een portret dat ons aanspreekt. Maar het blijft een persoonlijk portret. Er zijn andere portretten mogelijk, net zo goed als de interpretaties van haar gedichten kunnen verschillen.
Tot slot: wat heeft Anna Bijns ons nog te zeggen in deze tijd? Ik denk veel, maar daarvoor zouden haar gedichten ingekort en hertaald moeten worden. Veel van de verschijnselen van de tijd waarin zij leefde kunnen wij zó herkennen. Neem alleen al de woeker en uitbuiting van handelslieden (op voorspraak van Luther en Calvijn) die zij bestreed. Of het verval van de wereldstad Antwerpen dat zich tijdens haar leven voltrok. Of de godsdienstoorlog. Of de communicatierevolutie die er toen plaatsvond: van handschrift naar druk, te vergelijken met de internetrevolutie van nu. De hele stad werd plotseling een plek waar je je gedrukte pamfletten of gedichten kwijt kon. En dan: de gedichten van Anna Bijns zijn orale gedichten, net als de rappoëzie van nu. Ze zijn gemaakt om hardop en sterk ritmisch voor te lezen en ze zijn daar nog steeds uitermate geschikt voor.

HERMAN PLEIJ
ANNA BIJNS, VAN ANTWERPEN
Bert Bakker, 400 blz., € 24,95


Elly de Waard is dichter. In 1985 publiceerde ze Anna Bijns (O god wat hooren wij nu al rumoers), uitgegeven door de Anna Bijns Stichting