HET GRAF VAN MIJN GROOTVADER

Een kaddisj in Lissabon

In 1992 deed schrijver/filmer Philo Bregstein in De Groene Amsterdammer verslag van zijn reis naar Litouwen, waar hij op zoek ging naar de wortels van zijn joodse familie. Onlangs bezocht hij het graf van zijn grootvader in Lissabon en werd hij opnieuw pijnlijk geconfronteerd met de diaspora.

HET WAS ONGEVEER TIEN JAAR na de oorlog dat mijn vader onverwachts tegen me zei: ‘Ik zou graag een keer samen met je naar Lissabon gaan.’ Het is nooit van die reis naar Lissabon gekomen: een paar jaar later kreeg hij op reis in Italië een ongeluk en stierf, relatief jong, 56 jaar oud.
In Lissabon was mijn grootvader Etienne Bregstein in 1940 overleden, op de vlucht voor de Duitsers. Ik herinner me nog duidelijk het moment dat we in Amsterdam aan tafel zaten en het bericht kwam over het ongeluk van mijn grootvader, op de dag dat Nederland capituleerde voor de nazi’s. Mijn grootouders woonden ook in Amsterdam, maar logeerden op dat moment bij mijn oom en tante in Marseille, en mijn grootvader moet geroepen hebben: ‘Ze gaan mijn zoon vermoorden!’ Daarmee bedoelde hij mijn vader Marcel. Hij zou overstuur zijn geraakt en een val uit een raam hebben gemaakt. Mijn vader had via het Rode Kruis telegrammen gestuurd, maar mijn grootvader had die niet willen geloven. Hij was ervan overtuigd dat zijn zoon vermoord was, omdat hij joods was – als Oost-Europese joodse emigrant was hij goed geïnformeerd over de manier waarop de nazi’s sinds 1939 tegen de joden in Polen optraden.
Het was voor mij een van de eerste keren dat ik me ervan bewust werd dat mijn vader en zijn familie joods waren. Mijn vader sprak nooit over persoonlijke zaken, hij leefde voornamelijk op in het vuur van een debat, meestal over juridische problemen. Ik heb hem zelden horen praten over het feit dat hij de ster moest dragen en dat hij jarenlang in onzekerheid heeft geleefd of hij als gemengd gehuwde jood wel of niet gedeporteerd zou worden. Mijn niet-joodse moeder vertelde me later hoe ze elke avond na spertijd als er een auto door de straat reed dacht dat de ‘moffen’ mijn vader kwamen ophalen.
Ik weet ook nog dat we, najaar 1940, aan dezelfde tafel zaten toen het bericht kwam van mijn grootvaders dood. Ik herinner me vaag dat erover gesproken werd dat ‘hij niet meer wilde eten’. Het behoort tot mijn obsessionele jeugdherinneringen. Ik had mijn grootvader als jongetje van zes, zeven voor de oorlog meegemaakt als we mijn grootouders gingen opzoeken in hun flat aan de Emmastraat in Amsterdam, met een echte lift, waarin ik trots aan de hand van mijn grootvader mee naar beneden mocht om de post uit een van de postvakken in de voorname marmeren hal te halen. Ik herinner me hem als een ronde, stevige, joviale Rus, zoals hij ook op de foto was afgebeeld die mijn vader naast zijn bureau in de studeerkamer had staan. Als kind al had ik in mijn oren geknoopt dat ik op ‘opapa’ leek, want zo werd hij in de goede Russische traditie genoemd. In de verhalen van mijn moeder, en later van andere familieleden, was ‘opapa’ een onstuitbaar energieke, trotse en levendige man. Hij was van een arme Oost-Europese joodse emigrant in het begin van de twintigste eeuw een succesvolle Nederlandse zakenman geworden en had jarenlang in een groot huis aan de Keizersgracht in Amsterdam gewoond.
Na de dood van mijn ouders vond ik een Nederlands krantenknipsel waarin stond dat Etienne Bregstein op 17 oktober 1940 was overleden in het Casa de Saude de Benfica in Lissabon. Was dat een ziekenhuis geweest, of een psychiatrische inrichting? Ik vond ook een ansichtkaart, geschreven door mijn grootmoeder, enkele weken voor mijn grootvaders dood, merkwaardig genoeg aan mijn toen tweejarige broertje Koen gericht. Kennelijk wilde ze mijn vader niet in moeilijkheden brengen. Het was een sepia foto van een ouderwetse, mooi gemeubileerde salon, waarop linksboven de naam Casa de Saude de Benfica stond. Het was duidelijk geen armelijk ziekenhuis.

Jarenlang was mijn familiegeschiedenis een ontoegankelijk gebied, waarin ik ook minder geïnteresseerd was dan in de ‘grote’ geschiedenis. Tot ik ontdekte hoe met de jodenvervolging ook onze familie verscheurd was geraakt en gedeeltelijk uitgemoord. Ik sprak met familieleden over wat er gebeurd was in 1940, maar stuitte op een muur van afweer. Pas na veel aandringen hoorde ik van mijn oom Charles en diens zoon Robert dat de val van mijn grootvader in feite een zelfmoordpoging was geweest. Hij was in hun huis in Marseille uit het raam gesprongen en op het balkon terechtgekomen dat grensde aan de kamer van mijn neef Robert, die hem zelf heeft zien vallen. Mijn grootvader had alleen zijn heup gebroken, maar herkende vanaf dat moment niemand meer, zelfs zijn eigen vrouw niet. ‘Wie bent u, mevrouw?’ moet hij tegen haar gezegd hebben.
Mijn ooms en tantes die toen allen aan de Franse Rivièra verbleven, vluchtten in juni 1940, na de inval van de Duitsers in Frankrijk, naar Lissabon. Het was de enige manier om naar de Verenigde Staten te ontkomen, want alle andere West-Europese havens waren door Hitlers Blitzkrieg afgesloten. Per ambulance is ook mijn grootvader in ontredderde toestand naar Lissabon vervoerd. Daar is hij in een ziekenhuis overleden.
Zou er nog een graf zijn in Lissabon? Noch mijn ouders, noch andere familieleden hadden me daar iets over verteld. De enige die zijn begrafenis had bijgewoond was mijn grootmoeder en die was een half jaar daarna in New York gestorven. Over de dood van mijn grootvader, zwaar depressief in een ziekenhuis, werd door alle betrokkenen gezwegen. Het was het ellendige einde geweest van de familieheld, die zijn eigen ‘Amerikaanse droom’ had geleefd en over wie de hele familie altijd vol verering sprak.

Zaterdag 1 november 2008, Allerheiligen. Op dezelfde dag dat men zich in de katholieke wereld naar begraafplaatsen begeeft om de doden te eren, ga ik, samen met mijn broer Koen, voor het eerst het graf van mijn grootvader bezoeken op de kleine joodse begraafplaats van Lissabon.
Het is me na veel moeite gelukt contact te leggen met de piepkleine joodse gemeente van Lissabon. Zo ontmoette ik in café Flore in Parijs een jonge joodse Portugees, Nuno, die zich vol enthousiasme in de joodse geschiedenis verdiept en mijn verhaal aandachtig aanhoorde. De hoofdvraag was: zou er nog een graf bestaan? Als mijn grootvader op een algemene begraafplaats was begraven, was dat graf al lang geruimd, vertelde mijn Portugese informant. Op een joodse begraafplaats moeten graven intact blijven. Het was kort voor het joodse Nieuwjaar, dat hij eind september in Lissabon ging vieren. De avond voor het joodse Nieuwjaar kreeg ik een e-mail van hem dat hij de grafsteen van mijn grootvader had gevonden op de joodse begraafplaats, en ook het overlijdenscertificaat van de joodse gemeente.
In het bericht van Nuno stond ook de Nederlandse tekst die op de grafsteen staat en die hij trouw letter voor letter had gekopieerd, zonder te weten wat het betekende. ‘Wie kan dat toen hebben opgesteld?’ vroeg mijn broer zich af. Onze grootmoeder was het enige familielid indertijd in Lissabon en ze sprak net als onze grootvader voornamelijk Frans en Russisch, en slecht Nederlands. In oktober 1940 was het contact met Nederland verbroken, dus mijn vader kon niet zijn geraadpleegd. Misschien was er telefonisch of telegrafisch contact geweest met New York, waar mijn vaders broer en zuster zaten.
We zitten in een oud hotelletje in het centrum dat duidelijk ook al in 1940 bestond. Het comfort van de kale hotelkamers is basaal, maar de ontbijtruimte is een balzaal. Op het terras op straat treffen we onze neef Bernard, die we tientallen jaren niet hebben gezien. Bernard is de zoon van mijn vaders broer Paul. In juni 1940 was hij als tweejarig jongetje samen met zijn ouders op de vlucht voor de Duitsers vanuit de Franse Rivièra naar Lissabon gekomen en met een Pan Am Flying Clipper naar de Verenigde Staten gevlogen. Er was toen nog geen vliegveld in Lissabon, dat dateert pas van 1942, maar watervliegtuigen konden op de binnenzee van de Taag opstijgen en landen. Het was vanaf het midden van de jaren dertig een technische primeur: de Flying Clippers verzorgden de eerste transatlantische vluchten, omdat ze onderweg op het water konden landen om bij te tanken, meestal op de Bermuda-eilanden.
Ik herinner me Bernard van een bezoek dat hij aan Amsterdam bracht in de jaren vijftig als een mooie angry young man, Elvis Presley-achtig gekleed, met zwart golvend gevet haar. Hij heeft zijn haar verloren, maar niet zijn alerte blik en de clowneske gelaatsuitdrukking waarin hij op zijn vader lijkt. Zijn komst is een verrassing, want ik dacht dat hij in Engeland woonde, maar sinds een paar maanden is hij met pensioen en heeft hij met zijn vrouw een huisje aan zee in het zuiden van Portugal.
Bernards vader, oom Paul, bezocht ik in de jaren tachtig in Costa Rica. Jarenlang had ik thuis verhalen gehoord over Paul, de jongere broer van mijn vader, als rokkenjager en losbol. Totdat hij na zijn vlucht naar Amerika zijn handen uit zijn mouwen moest steken en in New York, en later in Costa Rica, een succesvolle koffiehandelaar werd. Nu kon ik Bernard de informatie van zijn vader geven. In 1938 – ik denk na de Kristallnacht – had hij er bij de hele familie in Amsterdam op aangedrongen om naar Amerika te vluchten. Mijn grootvader was een welgestelde zakenman in ruste en kon makkelijk weg, maar mijn vader was net benoemd tot hoogleraar handelsrecht aan de Gemeente Universiteit van Amsterdam en stond aan het begin van zijn carrière. Ik weet nog dat hij ook na de oorlog nog volhield dat hij er principieel tegen was geweest om te vluchten: dat was verraad aan je vaderland. Dat we, net als veel andere joden – ik denk aan Jacques Presser en Loe de Jong – op de dag van de capitulatie toch met de auto naar IJmuiden gingen en vergeefs probeerden op een boot naar Engeland te komen, mocht ik jarenlang aan niemand vertellen.
Volgens mijn oom Paul hadden onze grootouders graag willen vertrekken, maar zijn ze gebleven ter wille van hun zoon Marcel. Paul ging in 1938 wel weg, samen met zijn vrouw, naar New York om werk te zoeken en visa te regelen. Hun pasgeboren zoontje Bernard hadden ze bij de ouders van mijn tante in Amsterdam achtergelaten. In 1939 kwamen ze terug om hem op te halen, maar in het voorjaar van 1940 gingen ze eerst nog even met vakantie naar Cannes, waar ‘de ouwelui’ zaten. Bij de Duitse inval in Nederland vluchtte oom Paul als eerste van de familie snel met zijn vrouw en hun zoontje via Lissabon naar New York. Ze lieten al hun bezittingen in Amsterdam achter.
Na mijn grootvaders dood had mijn oom met veel moeite het visum voor mijn grootmoeder in de Verenigde Staten geregeld. ‘Omama’ was in Riga, het tegenwoordige Letland, geboren. Ook al had ze de Nederlandse nationaliteit, voor de Amerikaanse immigratiewet was de geboorteplaats richtlijn en Letland behoorde in 1940 tot de Sovjet-Unie, en daar golden quota voor. Na mijn grootvaders dood heeft ze vier maanden in Lissabon moeten wachten tot Paul een Amerikaans Congreslid had kunnen omkopen met steun van rijke Breakstone-familieleden; zo was de naam Bregstein veramerikaniseerd. Een paar weken na aankomst in New York kreeg ze een hartaanval.

Hoe was het gegaan bij de vlucht van de verdere familie via Lissabon? Na mijn collectief rondgestuurde e-mail over het graf van onze grootvader had een neef uit Buenos Aires, die ook Paul heet, me gedetailleerde informatie gestuurd. Daarbij zat een ‘sauf conduit’ uit 1940 van Marseille tot Bidart, een grensplaats vlak bij Hendaye, aan de Atlantische kust. Daar waren ze dus de Spaans-Franse grens over gegaan. Paul, die in 1940 net als ik zeven jaar was, kon zich nog herinneren dat ze in twee taxi’s, een voor de bagage en een voor henzelf, van Marseille naar de Spaanse grens waren gereisd. Het was kort voor de wapenstilstand tussen Frankrijk en Duitsland, 24 juni 1940. Daarna ging de grens dicht en kon men alleen nog via illegale vluchtroutes wegkomen. Zijn vader, mijn oom Charles, had al eerder de moeilijk te verkrijgen Amerikaanse visa in orde gemaakt, voorwaarde voor een transitvisum via Spanje naar Portugal. Aan de Spaanse grens waren ze in de trein naar Portugal gestapt en in Lissabon hadden ze een paar weken op een hotelkamer gehokt tot ze een plaats op een boot naar de VS kregen. Het was de Exeter, de naam was Paul bijgebleven omdat hetzelfde schip later door de Duitsers werd getorpedeerd. Voor een zevenjarig jongetje was het een plezierreis geweest van ongeveer tien dagen, waarbij hij veel pingpong had gespeeld.
Maar hoe waren mijn grootouders zonder Amerikaanse visa de Spaanse grens over gekomen en in een ambulance naar Lissabon ontkomen? Ik stuitte op het verhaal van de consul van Bordeaux, Aristides de Sousa Mendes, een flamboyante aristocraat die na de Duitse inval in Frankrijk besloot alle vluchtelingen zonder voorwaarden of betaling stempels met inreisvisa voor Portugal te geven. In een paar weken lukte het hem om meer dan dertigduizend visa te verstrekken – waaronder tienduizend voor joodse vluchtelingen. Op een gegeven moment had hij, aan een tafeltje dicht bij de grens gezeten, stapels paspoorten ongezien afgestempeld. Na het sluiten van de grens op 24 juni werd hij door dictator Salazar naar Lissabon teruggeroepen en ontslagen. Hij stierf in armoede en kreeg in 1983 postume troost: het Portugese parlement rehabiliteerde hem en plantte een boom voor hem in Yad Vashem.
Van mijn oom Charles wist ik dat een eerste tocht met de ambulance was mislukt: mijn grootvader was bij de Spaanse grens in paniek geraakt, omdat er Duitse soldaten naast de Spaanse douane stonden, en ze waren gedwongen geweest de lange reis van Hendaye naar Marseille terug te maken. ‘De tweede keer was veel gevaarlijker en moeilijker’, had mijn oom gezegd. Ik wist dat hij met zijn gezin via Bordeaux naar Hendaye was gereisd. Had hij die omweg gemaakt om visa van de consul te bemachtigen? Op internet vond ik lijsten van door de consul van Bordeaux afgegeven visa, maar de laatste dagen voor de wapenstilstand houden de lijsten op. En juist toen heeft hij bijna dag en nacht duizenden visa afgestempeld. Het blijft een hypothese, maar wel waarschijnlijk: daar moeten die van mijn grootouders bij zijn geweest.
Het is zondagochtend. We rijden met een taxi naar de Rua Alfonso III, nr 44. In een hoge muur zit een kleine deur met een bordje en een bel: ‘Cemitério Israelita’. Even later komt Nuno, die uit Parijs is overgekomen en ons zal begeleiden. Het is een kleine, intieme begraafplaats met volle pijnbomen en cipressen. Dan realiseer ik me het ongewone voor een joodse begraafplaats: de stenen liggen plat en staan niet recht omhoog, zoals in de asjkenazische traditie. Nuno legt het ons uit: ‘Het is de sefardische traditie. In Marokko zijn alle joodse begraafplaatsen net zo.’ Alle grafstenen zijn wit en goed onderhouden, ook de opschriften.
Dan staan we voor de platliggende grafsteen van onze grootvader met de letters in reliëf:

HIER RUST ZACHT
ONZE ECHTGENOOT
VADER, GROOTVADER
ETIENNE BREGSTEIN
GEBOREN 5 OCTOBER 1872
OVERLEDEN TE LISSABON
17 OCTOBER 1940

Ik zie direct dat er iets in de tekst ontbreekt: op de meeste andere grafstenen staat de geboorteplaats vermeld. Hier staat niet: GEBOREN TE PONEMON. Dat betekende: geboren in Rusland, of Litouwen, terwijl mijn grootvader de Nederlandse nationaliteit had. Misschien wilde men op dat moment liever niet vermelden dat hij een Russische, Litouwse emigrant was. Men had wel degelijk geweten waar mijn grootvader geboren was, blijkt uit het overlijdenscertificaat van de joodse gemeente. Maar daarop staat ook niet zijn oorspronkelijke voornaam, het Jiddische Shepsal (schaap), die hij via de Amsterdamse kantonrechter in 1909 in Etienne had laten veranderen. In deze naamsverandering lees ik de geschiedenis van mijn Oost-Europese joodse familie met hun verfranste namen: mijn grootmoeder die officieel Ita Beila heette, maar zich Betty liet noemen, en hun kinderen Marcel, Paul en Madeleine. Een joods assimilatieverhaal, dat lijkt op de geschiedenis van de Portugese Marranen.
Het is een dikke, hoge steen, duidelijk goed onderhouden. Nuno legt uit dat hoe dikker de steen is, hoe meer men ervoor heeft betaald. De grafsteen voor Etienne behoort tot de hoge grafstenen op de begraafplaats. Ik zeg: ‘Al die jaren is er niemand geweest om zijn graf te bezoeken.’ Mijn broer concludeert: ‘We doen het voor onze vader, die dit zelf niet heeft kunnen doen.’
Dit is het moment om de kaddisj te zeggen. Ik heb nog nooit in mijn leven een kaddisj gezegd, ken geen Hebreeuws en ben areligieus. Maar een verre Breakstone-misjpooche, Jeffrey Marx, rabbijn in Los Angeles, met wie ik al jaren e-mails uitwissel over ons gezamenlijke familieonderzoek, had me aangeraden een kaddisj uit te spreken als ik het graf van mijn grootvader zou vinden, en me een fonetische kaddisjtekst gestuurd. In het vliegtuig naar Lissabon en in de hotelkamer oefende ik de kaddisj alsof ik een examen voorbereidde, en langzamerhand begonnen de ongewone klanken makkelijk in mijn mond te liggen. Nu is het zo ver, en het gaat vanzelf. Het is alsof ik een lied zing, de taal spreekt door mijn mond, de toon en uitspraak geven er betekenis aan.
Bij het weggaan toont Nuno ons bescheiden maar met nadruk dat we onze handen traditioneel horen te wassen bij het verlaten van de begraafplaats. ‘We zijn een orthodoxe gemeente’, heeft hij me al een paar keer gezegd. Nadat de joden eeuwenlang als Marranen, uit angst voor de Inquisitie, in dorpjes ver in het binnenland in het verborgene het jodendom hebben gepraktiseerd, is de vrij recente joodse gemeente teruggekeerd tot de orthodoxe regels. Wij zijn drie barbaarse Bregsteins, die weinig van joodse wetten en tradities weten, al dragen we nu een keppeltje en hebben we trouw een paar steentjes op de grafsteen gelegd en geen christelijke bos bloemen meegenomen.
Na de kaddisj gaan we op zoek naar de kliniek Casa de Saude de Benfica, waar mijn grootvader was opgenomen. Nuno vertelt dat Ben de Saude een bekende joodse arts is geweest die voor de oorlog een privé-kliniek had opgericht. Mogelijk was het zijn kliniek. Hij legt uit dat Benfica de buurt is waar het ziekenhuis lag. Later zie ik overal BENFICA: het teken van de bekende voetbalclub. Maar de kliniek bestaat niet meer, sinds 1964 staat op dat adres een groot ziekenhuis, Hopital da Cruz Vermelha Portuguesa.
Onze grootmoeder had tot ‘opapa’s’ overlijden in het ziekenhuis gewoond, maar hoe was zij de maanden doorgekomen tussen zijn dood en haar vertrek, eind januari 1941? Ik lees documentatie over de golf van vluchtelingen in 1940 in Lissabon, waar in de hoofdstraten meer buitenlandse talen dan Portugees werd gesproken. Dictator Salazar speelde een ambivalente rol: net als Franco collaboreerde hij met de nazi’s en wist daarmee een Duitse bezetting te voorkomen. Hij had de consul van Bordeaux streng verboden vluchtelingen toe te laten, maar dekte zich ook in tegenover de geallieerden. Van de meer dan vijftigduizend joodse vluchtelingen in Portugal is niemand teruggestuurd en ook niet in kampen opgesloten. Wie niet door kon reizen werd geïnterneerd in toeristenplaatsen als Ericeira en Figueira da Foz aan de kust ten noorden van Lissabon. Een goed georganiseerde Portugese Companhia Colonial de Navegacao transporteerde de vluchtelingen met regelmaat vanuit Lissabon naar veilige havens in Noord-, Midden- en Zuid-Amerika. De joodse gemeenschap had ook toestemming van de autoriteiten om een speciaal comité te creëren, de Comassis (Comissao de Assistencia aos Judeus Refugiados em Portugal), dat de vluchtelingen opving en huisvestte.
Salazar had zelfs de tussenkomst geaccepteerd van de Amerikaanse Women’s International Zionist Organisation, die het levensonderhoud van de joodse vluchtelingen in Portugal financierde. Hetzelfde Portugal dat de joden eerst had gedwongen zich tot ‘nieuwe christenen’ te bekeren, en dat ze vervolgens als ‘Marranen’ had laten vertrekken, op de vlucht voor de eeuwenlang fanatieke Inquisitie, werd in de Tweede Wereldoorlog voor mijn grootvader en zijn familie een ‘haven van hoop’.

Na het bezoek aan de joodse begraafplaats maken we een toeristische rondrit door Lissabon. De ouderwetse trams, de ‘electricos’, dateren duidelijk van lang voor 1940 en klimmen tegen de steile straten op als uiting van de voor die tijd moderne technologie. Ze wissen de 68 jaar tussen 1940 en nu uit. Het café naast ons hotelletje is honderd procent antiek, net als vrijwel alle cafés en restaurants in de smalle straten die de heuvels op en af kronkelen. Als we buiten Lissabon een bezoek brengen aan de Torre de Belem, een barok fort uit de zestiende eeuw dat eeuwenlang de ingang van de brede Taag bewaakte, staat in het park ernaast een levensgroot model van een watervliegtuig: hier steeg indertijd de Pan Am Clipper op. In de tram terug zien we de ouderwets gebleven haven met een groot cruiseschip aan de kade. Hier vertrokken de vluchtelingen op weg naar het Vrijheidsbeeld.
Ik bezoek de kleine Synagoge Shaaré Tikvá van 1902, gebouwd in oosterse stijl. Pas sinds 1868 mocht er officieel een joodse gemeenschap in Lissabon bestaan, lees ik, en bijna niet te geloven is de informatie dat de Inquisitie, samen met het dekreet tot verdrijving van de joden, pas in 1821 officieel is afgeschaft. De sierlijke synagoge is vanaf de brede, verpauperde straat vrijwel niet te zien. Hij staat op een binnenplaats, verborgen achter een hoog ijzeren hek met rasters, alsof hij tegen aanslagen moet worden beschermd. Ik suggereer Nuno dat ze dat lelijke, hoge hek beter kunnen weghalen. Hij vindt van niet: ‘Indertijd moest het zo van de autoriteiten. Dat hek hoort tot de joods-Portugese geschiedenis.’ Ik denk aan de Portugese Synagoge in de Amsterdamse jodenbuurt, die daar al meer dan driehonderd jaar oprijst als bewijs van de Nederlandse spreekwoordelijke tolerantie. Tot de mooie droom van integratie en assimilatie in duigen viel met de deportatie en het vermoorden van de meeste Nederlandse joden na 1940.

De avond voor mijn vertrek spreek ik met een van de bestuursleden van de joodse gemeente. Esther behoort net als Nuno tot de jonge generatie, die intensief bezig is met de Portugees-joodse geschiedenis. In het antieke café naast mijn hotel vertel ik haar het verhaal van mijn familie en grootvader. Ook hoe het me spijt geen getuige uit 1940 meer te hebben gevonden. Opeens zegt ze: ‘Ik ken een lid van de joodse gemeente van Nederlandse afkomst, die nu negentig jaar is. Misschien weet hij iets.’
‘Was hij hier al in 1940?’ vraag ik.
‘Ik geloof dat hij hier met zijn ouders in 1926 uit Nederland kwam, hij is verre familie van me.’
‘Wat is zijn naam?’
‘Aberlé.’
Er gebeurt nu iets bijzonders: die naam herinner ik me uit mijn jeugd. Het was een van de namen die mijn ouders uitwisselden over mensen die ik nooit zag, maar die tot hun wereld van bekenden en relaties behoorden. Ik reageer bijna automatisch: ‘Bel hem! Die naam zegt me iets, misschien kende hij mijn grootouders.’ Beduusd pakt ze haar mobieltje, en terwijl ze tegenover me zit zie ik haar ogen groot worden, en begint ze heftig te knikken. ‘Ja, ja… we komen!’ Met Esthers auto rijden we naar een grote moderne rotonde, waar een geïsoleerd oud huizenblok met een zachtgroene gevel vol barokke versierselen nog overeind staat. ‘Hij woont nog altijd in het huis van zijn ouders, op de vierde etage. Tot voor een paar jaar had hij niet eens een lift.’
De lift is inderdaad modern, maar boven komen we binnen in een sinds 1940 onveranderd appartement met paleisachtige, wat vervallen kamers. Een rijzige man in een vuurrode pullover, elegant lichtbruin leren jack en keurig gestrikte stropdas, drukt me stevig de hand. Hij ziet er vitaal uit voor zijn negentig jaar. Ik moet naast hem op de bank komen zitten. Esther moet een pure whisky inschenken, wat, zoals hij zelf constateert, niet koosjer is, maar hij legt me in vloeiend Frans uit dat hij uit een ‘famille liberale’ komt, ook al is hij trouw lid van de joodse orthodoxe gemeente.
Hij heft het glas en kijkt me veelbetekenend aan: ‘Ik ben meneer Bregstein in 1940 met een ambulance op gaan halen aan de Portugese grens. Daar was hij aangekomen met een Franse ambulance die het land niet in mocht. Hij was samen met zijn vrouw. Hij wilde geen verpleger naast zich, hij kon het niet verdragen een wit kostuum te zien. Ik moest naast hem zitten en heb hem vaak in bedwang moeten houden, want hij wilde aldoor opstaan. Maar hij was heel sterk. Hij was verward en heel angstig, hij dacht voortdurend dat de Duitsers achter hem aan zaten. Het was een lange, moeilijke reis. Ik heb hem zelf in het ziekenhuis in Lissabon afgeleverd. Dat alles heb ik gedaan op verzoek van mijn vader, die een goede vriend was van meneer Bregstein.’
‘Was het ziekenhus in Lissabon de Casa de Saude de Benfica?’
‘Ja!’ Rudi Aberlé knikt triomfantelijk. ‘Een heel goede kliniek. Daar is later Salazar ook opgenomen toen hij een attaque kreeg.’
De lege plekken in de puzzel raken plotseling gevuld. Rudolf Aberlé’s vader was in 1926 met zijn gezin vanuit Rotterdam naar Lissabon gekomen en had daar het eerste kantoor geopend van de SGS, de Société Générale de Surveillance, dezelfde firma die mijn grootvader in het begin van de twintigste eeuw in Rotterdam en Amsterdam had opgericht. Etienne Bregstein was een echte kosmopolitische handelsman geweest, die net als de Portugese Marranen indertijd in de diaspora via vrienden en familiecontacten goed zaken kon doen. Hij behoorde tot het ‘internationale joodse wereldcomplot’, waar de bekende Spaanse schrijver De Quevedo de Marranen al in de zeventiende eeuw van beschuldigde. Koren op de molen van de inquisiteurs. Het kreeg eeuwen later zijn nazivariant met Hitlers getier tegen ‘das internationale finanz Judentum’. De SGS was een Internationale Controle Maatschappij. ICM heette de zaak van mijn grootvader oorspronkelijk. Men controleerde – en doet dat vandaag nog – het transport van goederen in havens overal ter wereld. Mijn oom Charles, de man van mijn tante Madeleine, was indertijd directeur in Marseille, en bleek ook een goede vriend te zijn geweest van René Aberlé, Rudi’s vader. Waarschijnlijk hebben ze samen het transport van mijn grootvader per ambulance geregeld.
Zijn ouders hadden mijn grootvader vrijwel elke dag in het ziekenhuis opgezocht. Mijn grootmoeder kwam ook geregeld bij hen thuis eten. Na mijn grootvaders dood had ze in een hotelletje in de buurt gelogeerd, maar ze was tot haar vertrek naar de VS door Rudi Aberlé’s ouders opgevangen in hetzelfde huis waar ik nu op bezoek ben. ‘Alles is nog net als toen’, roept Rudi Aberlé tevreden. ‘Vijftien kamers. Het huis was tegelijkertijd het kantoor van de SGS.’
Het is een overrompelende terugkeer naar 1940. Ik haal het mapje met foto’s van mijn grootouders te voorschijn, maar Rudi Aberlé herkent mijn grootvader niet, die op de foto’s een kaalgeknipte kop heeft met een trotse blik, blozende wangen, een sigaar triomfantelijk voor de mond als bevestiging van zijn succes. ‘Hij was toen heel mager, en erg ziek.’
‘Melancola’ staat als doodsoorzaak op het overlijdenscertificaat van de joodse gemeente. Hij moet in de laatste maanden van zijn leven onherkenbaar uitgemergeld zijn geweest.
Rudi Aberlé vertelt dat hij zelf in die begintijd veel joodse vluchtelingen aan de grens heeft opgehaald en in Lissabon hielp met huisvesting. Hun huis was altijd vol nieuwkomers. Zijn vader was ook heel actief geweest bij de hulp aan joodse vluchtelingen, en had onder andere de ‘cucina economica’ voor hen meegefinancierd. Rudi’s vader heeft vrijwel zeker de begrafenis van mijn grootvader geregeld en als Nederlander de tekst voor de steen opgesteld.
Ik vertel dat de rabbijn van de joodse gemeente volgend jaar een kaddisj voor mijn grootvader zal uitspreken ter gelegenheid van zijn sterfdag en vraag of Rudi Aberlé deel wil uitmaken van de minjan. ‘Een paar jaar geleden dacht iedereen, ikzelf ook, dat ik doodging. Maar ik ben er nog. Als ik er dan nog ben, doe ik het graag.’
Langzamerhand dringt tot me door wat de informatie die ik net kreeg betekent: mijn oom Charles en mijn vader waren dus van alles op de hoogte geweest. Na de oorlog moet mijn vader de omstandigheden van de vlucht en de dood van zijn vader hebben gehoord, uit de mond van mijn oom of van Rudi’s vader, René Aberlé, die nog jarenlang na de oorlog directeur van de SGS-Portugal was. Hij moet ook geweten hebben van het graf op de joodse begraafplaats van Lissabon. Waarom heeft oom Charles, toen ik hem uitvoerig naar de familiegeschiedenis vroeg, niets over Lissabon verteld? Was de dood van mijn grootvader zo’n pijnlijk onderwerp? Ook het verhaal over de zelfmoordpoging had ik alleen met veel moeite uit hem gekregen.
Maar nog meer intrigeerde me de vraag waarom mijn eigen vader er altijd over heeft gezwegen, behalve die ene keer dat hij een reis naar Lissabon voorstelde. Natuurlijk leed hij, als veel joodse overlevenden van de shoah, aan schuldgevoel. Bij hem was dat mogelijkerwijs verzwaard door het idee de oorzaak te zijn geweest van mijn grootvaders zelfmoordpoging. Als ambitieus jurist en geassimileerde jood had hij vóór 1940 de kans voor zijn familie om tijdig te vluchten geblokkeerd.
En ik moet voor de zoveelste keer denken aan de overeenkomst tussen mijn grootvaders zelfmoordpoging en mijn vaders dodelijke val, zeventien jaar later, uit een hotelraam in Italië. Ik ben het nog gaan uitzoeken, omdat er vaak over zelfmoord werd gemompeld. Het bleek duidelijk een ongeluk te zijn geweest, maar heeft daarbij toch een freudiaans element van Fehlleistung meegespeeld?