Een kalfsvleescroquet op de dag des heeren

De zondag wordt, als minister van Economische Zaken H. Wijers zijn zin krijgt, een gewone werk- en winkeldag, behalve als de betreffende gemeente er niets voor voelt of de betrokken werkgever of werknemer de voorkeur aan de bestaande situatie geeft.
Daar is niets op tegen, zou men zeggen.

Behalve in de ogen van de negentien joodse en christelijke kerkgenootschappen, die een gezamenlijke brief aan de gemeentebesturen hebben gezonden. Zij wijzen op het feit dat er in het leven ‘belangrijkere dingen zijn dan werken en geld verdienen’. Daar zit iets in, zoals in de meeste kalenderwijsheden, al zal menige werkloze bijstandstrekker dit standpunt als enigszins hoovaardig ervaren.
Helaas voor deze negentien joodse en christelijke kerkgenootschappen, maar het confessionalisme is in Nederland op de terugtocht. De heidenen regeren, de christenen opponeren, zo goed en zo kwaad zij dit kunnen, en wij, onkerkelijken, hebben aan de Dag des Heeren geen boodschap, laat staan aan dat antiquarisch verbod op de Dag des Heeren een kalfsvleescroquet te mogen kopen.
Natuurlijk hebben wij, onkerkelijken, begrip voor de gevoeligheden van de confessionele medemens. Minder dan voor hun overgevoeligheden. Het voorstel van minister Wijers laat iedereen in zijn waarde: de gemeente Noordeloos, die zondags christelijk wil blijven pandoeren, en de gemeente Amsterdam, die de dag-van-de- dooie-dienders een wat levendiger aanzicht wil geven. Wel eens in een echte stad als Parijs of New York geweest? Die zijn klaarwakker, van de vroege ochtend tot de late avond, zonder dat dit tot zichtbare frustratie van de beroepsbevolking leidt. In Nederland heerst op zondag, zowel rond de dorpspomp als in de binnensteden, daarentegen de rust van het kerkhof. Dat is nergens voor nodig. Een zondag waarop enig leven in de brouwerij is, is geen verschraling maar een verrijking van de samenleving. Zo'n zondag devalueert echt niet tot een dag 'als alle andere dagen’ als ik ’s morgens een brood kan kopen of ’s middags in de gelegenheid wordt gesteld de antiquariaten af te gaan.
God is dood en het traditionele gezin, dat de zondagmiddag van half twee tot half vijf triktrakkend placht door te brengen, is inmiddels eveneens overleden. Of het een vooruitgang is, weet ik niet. Ik constateer slechts het feit dat inmiddels niemand meer op schriftuurlijke gronden kan worden gedwongen zich te pletter te vervelen. Kan het een en ander wellicht in alle liberale redelijkheid worden geregeld? Kunnen wij, christenen en niet-christenen, misschien een nette afspraak maken? Als zij niet langer jeremieren over de heiligheid van een dag die allang niet meer heilig is, zeuren wij niet meer over die ellendige eucharistieviering die onze klassieke zender op de zondagmorgen verziekt, nadat wij even eerder op oorverdovende wijze door de buurtkerk ons bed uit zijn gebeierd.