Een kalm huiselijk vergeten leven

Terwijl de helden van eerdere generaties – Mulisch, Nooteboom, A.F.Th. – op de barricades stonden, stonden die van Joost Zwagerman bij de bushalte.

Wanneer je het oeuvre van Joost Zwagerman herleest stuit je op zijn gecanoniseerde voorbeelden zoals je in de bergen op een dichtbegroeid geitenpaadje kunt stuiten. Je kunt er moeilijk omheen. Je moet er dan bij zeggen dat hij zijn voorbeelden zelf gecanoniseerd heeft, in essays en interviews, op tv en in druk. Zelfs kun je bedenken dat het is alsof hij hun dilemma’s en thema’s naar Nederland heeft willen importeren, via zijn eigen proza. De verlossing van het getergde burgermansbestaan die Theo Altena vindt in zijn overspel met een zwarte collega (De buitenvrouw), had rechtstreeks bij John Updike vandaan kunnen komen; de satire van de literaire en mediawereld in Chaos en rumoer neigt nadrukkelijk naar Martin Amis, de postmoderne plot waarin de roman de roman kannibaliseert duidelijk naar Philip Roth; de coke, de kunst en het lege hedonisme van Gimmick! schudden de hand met Bret Easton Ellis. Hij heeft zijn inspiratiebronnen nooit verzwegen, het probleem is alleen dat hij er in vergelijking zelf zo gewoontjes bij afsteekt. Hij had niet de duizelingwekkende woede van Roth, niet de speelse, bijtende satire van Amis, vond niet de lyriek van Updike, durfde het compromisloze nihilisme van Bret Easton Ellis net niet aan.

Small joost zwagerman

De vraag is in hoeverre je dat Zwagerman kunt aanrekenen – hij miste de extremiteiten die de Amerikaanse maatschappij de romancier wel biedt, het weidse landschap, de duizelingwekkende steden, de gepolariseerde cultuur, groezelige motelkamers. Hij moest het doen met Nederland, het opgeruimde land van, quote, ‘middelmatigheid, het strakke maaiveld, de mentaliteit die zegt dat je normaal moet doen, omdat je dan al gek genoeg doet’.

Misschien moet je de waarde van Zwagermans proza dan niet zien in hoe dicht hij zijn voorbeelden nadert, maar juist in hoezéér hij tegen ze afsteekt. Wanneer je de romans herleest die hij vanaf halverwege de jaren tachtig schreef, lees je een minutieus portret van kleinburgerlijk, rustig Nederland, het gezapige land voordat de Fortuynen en Wildersen de onderbuiken laxeerden. Over dertig, veertig jaar moeten ze heerlijk bronmateriaal opleveren voor historici op zoek naar de couleur locale van pre-populistisch Nederland.

Hoewel Zwagerman in essays hard op Nederlands burgerlijkheid kon afgeven, schreef hij er in zijn romans opvallend warm over. De protagonisten in Vals licht, De buitenvrouw en Chaos en rumoer wagen zich op hun tenen buiten hun natuurlijke habitat – richting prostitutie, overspel en de malende kaken van de media – maar weten als het erop aankomt niet hoe snel ze weer terug moeten zien te komen naar bank, afstandsbediening, Spaanse sloffen en moeder de vrouw. Zelfs in Gimmick! is zijn hoerende en snoerende antiheld in het diepst van zijn wezen een jongen uit de middenklasse, die gewoon verlangt naar het meisje dat hem heeft verlaten. In De buitenvrouw beschrijft Zwagerman hoe zijn held Theo, leraar Nederlands, als student in Amsterdam de kroningsrellen van 1980 meemaakte. Het is een prachtig beeld; terwijl het Centraal Station volloopt met grimmig kijkende jongeren, in het zwart gestoken of in legerbroeken en motorjacks, klaar om actie te voeren, maakt hij in zijn bandplooibroek een tegengestelde beweging door de massa. Hij verlaat de stad. ‘In de trein naar Alkmaar deelde hij een coupé met een dame met een witte poedel.’

De volgende alinea gaat nog schrijnender verder: ‘De Alkmaarse bussen reden die dag volgens de zondagsdienst, en Theo moest lang wachten op lijn 4 naar het Overdie.’ Misschien moet je in Alkmaar geboren zijn om te weten hoe hemeltergend saai Overdie is, maar zelfs als je dat niet bent, is het niet te missen hoe Zwagerman zich afzet. Terwijl de helden van eerdere generaties – Mulisch, Nooteboom, A.F.Th. – op de barricades stonden, stond de held van Zwagerman bij de bushalte. In De buitenvrouw beschrijft hij heel nauwkeurig de kringverjaardagen in Noord-Holland en de vooringenomen praatjes die er over de blokjes kaas en leverworst heen vliegen, maar uiteindelijk is Theo nergens zo gelukkig als thuis, met zijn vrouw, op zijn ‘onovertroffen Chesterfield’.

In zijn nieuwe boek over het werk van Zwagerman heeft letterkundige, leraar Nederlands en Couperus-biograaf Rémon van Gemeren het niet of nauwelijks over Zwagermans voorbeelden. Er worden sowieso weinig andere auteursnamen genoemd dan die van Zwagerman, de relletjes die rond zijn boeken ontstonden worden ook overgeslagen. Wél staat Van Gemeren stil bij de huiselijkheid in diens fictie in een ontwapende bekentenis in zijn epiloog – al is bekentenis een te dramatisch woord: ‘Ik woon in een uitermate doorsnee rijtjeshuis in een dorp (net geen buitenwijk, al schep ik er genoegen in om het wel zo te zien) en ben daar, geloof ik, redelijk tevreden. Het liefst blijf ik er, zoals ik het nu zie, nog vele jaren, schrijf er mijn boeken, geef ondertussen les op een gymnasium en leef te midden van een intieme kring van familie en vrienden.’

Van Gemeren gaat verder: ‘Af en toe sta ik hierbij stil en dan denk ik soms aan Max Havelaar. Met mijn vijfde klassen lees ik altijd verschillende passages uit Max Havelaar, en het meest raakt me steevast de volgende zin: “Hij gloeide van onverzadelijke eerzucht die hem alle gewone onderscheidingen in ’t maatschappelijk leven als nietig deed voorkomen, en toch stelde hij zijn grootst geluk in een kalm huiselijk vergeten leven.” Het meest dramatische aan de roman vind ik niet het onrecht dat Max in Indië ontdekt, of zijn mislukte poging om dit te bestrijden, maar het gevolg hiervan; dat zijn grootste geluk, een rustig leven met zijn vrouw Tine, zoon Max en de plaatselijke inheemse bevolking waarvoor hij iets kan betekenen, te ver van hem afdrijft om het ooit nog te kunnen bereiken. Zijn intimiteit wordt hem bestolen, door de buitenwereld, maar ook door hemzelf, door zijn rechtvaardigheidsgevoel en zijn eerzucht, die hem ertoe nopen alles op te geven.’

Wie in de buitenwijken leeft, is zich eigenlijk aan het verzoenen met de dood

Iets soortgelijks geldt voor Zwagermans helden. Ze streven continu iets groots en avontuurlijks na dat ze niet gelukkig zal maken. Dat is de tragiek.

Aanvankelijk werd Van Gemerens boek aangekondigd als ‘Uit de dingen stilte drinken’, een zinsnede van de dichter C.O. Jellema, maar blijkbaar dacht iemand op de uitgeverij; hé, pleegde die Zwagerman geen zelfmoord? Kunnen we niet iets somberders bedenken? En warempel, dat is gelukt, het heet nu Leven in een doodgeboren droom, met stip de depressiefste boektitel van het jaar. Maar op die titel na is Leven in een doodgeboren droom een letterkundig werk zoals je zou willen dat ze meer werden geschreven – het zoekt nieuwe betekenis in oude boeken, het maakt een oeuvre dieper en inhoudelijker, en houdt zo dode schrijvers levend.

In zijn boek gaat Van Gemeren vooral op zoek naar een rode draad in Zwagermans oeuvre, en hij komt uit bij een radicale verwerping van het leven waar de personages in vastzitten. Nu is dat niets nieuws (zo’n beetje ieder personage uit de wereldliteratuur verzet zich tegen zijn leven of de maatschappij waarin hij leeft, anders is hij de inkt niet waard), maar volgens Van Gemeren gaat de verwerping verder; ze accepteren de realiteit van hun bestaan niet. Ze vinden het onechte echter dan de realiteit. Het is de hyperrealiteit, zoals de Franse filosoof Jean Baudrillard dat noemde, waarin de werkelijkheid en de verbeelding van de werkelijkheid door elkaar heen lopen. Het hoertje Lizzie uit Vals licht lijdt aan pseudologica fantastica, een dwangmatig fabuleren, waarbij je zelf geen onderscheid meer maakt tussen wat je verzint en wat echt is. Raam uit Gimmick! ervaart de nepheid als onverwoestbaar; ‘Als ik het water uitloop, loop ik niet het water uit maar actéér ik dat ik het water uitloop.’ De gefnuikte uitgeschreven schrijver Otto Vallei begint halverwege Chaos en rumoer te bedenken dat zijn leven niet echt is, maar verzonnen is door een concurrerende schrijver, aangezien zijn leven precies zo verloopt als die het in een roman heeft beschreven. In zijn latere essays vergaapte Zwagerman zich aan kunst, omdat die kunst echter zou zijn dan de wereld zelf, en bovendien dat kunst de kijker in staat stelt aan zichzelf te ontsnappen.

Dat laatste is de andere lijn in Van Gemerens studie. Zijn boek is nadrukkelijk niet-biografisch, schrijft hij herhaaldelijk, maar ook hij kan niet anders dan de belangrijkste conclusies over Zwagerman koppelen aan zijn zelfgekozen levenseinde. Vanaf zijn eerste poëziebundel, Langs de doofpot (1987), was Zwagerman gefascineerd ‘door het verlangen om stil en roerloos te zijn, wat neerkomt op verdwijnen, er helemaal niet meer zijn’. Nu werd dit bij Zwagermans overlijden ook al veel vaker gezegd, maar Van Gemeren laat overtuigend zien in hoeveel verschillende romans, gedichten en essays dit doorwerkt. Over romans waarin toch heel veel meer over te zeggen valt, brengt hij de thematiek steeds terug tot verdwijnen. In Martin Amis’ Money (1984) worden de hoofdpersonen gedreven door geldzucht, maar volgens Zwagerman staat geld gelijk aan verdwijnen. Money wil aantonen dat ‘mens-zijn niet gelukkig maakt – en daarom wil John Self (de hoofdfiguur) iets anders: niet langer mens, maar díng zijn. Artikel zijn, door zichzelf geconsumeerd. Geld zijn, door zichzelf geteld – tot je, letterlijk, uitgeteld bent, in de gitzwarte, doodse betekenis van het woord.’

En zo is er nog veel meer. De apathie van Bret Easton Ellis is een vorm van verdwijnen, de nostalgie van Woody Allen, de zelfmystificatie van Boudewijn Büch, Carl Friedman en James Frey, het rusteloze van Martin Bril. Wanneer Douglas Coupland en John Updike over het leven in de buitenwijken schrijven, dan schrijven ze eigenlijk over verdwijnen, want de buitenwijken zijn stil en stilte is dood. Wie in de buitenwijken leeft, is zich eigenlijk aan het verzoenen met de dood. In zijn buitenwijkroman De buitenvrouw schrijft hij dat het gelukkige huwelijk van zijn hoofdpersoon Theo met Sylvia een soort ‘wederzijdse stervensbegeleiding’ is.

Uiteindelijk komt Van Gemeren dus bij de ultieme wens tot verdwijnen uit: zelfmoord. Zwagerman schreef er voor het eerst over in 2001, na de zelfdoding van Herman Brood. Het is een onderwerp waar hij nooit is uitgekomen. Hij verzette zich tegen de romantisering van zelfmoord, het was immers, schreef hij in 2004, ‘zelden het onwankelbare en apotheotische eindpunt van een gefnuikt mensenleven, maar veeleer een fataal moment in een keten van tragische gebeurtenissen dat misschien niet fataal zou zijn geweest bij een aantal gewijzigde omstandigheden: toezicht door artsen, passende medicatie, betere externe preventie, een uitgebreidere consultatie van familieleden door psychiaters’. Hij bleef schrijven dat zelfmoord een daad was die je de achterblijvers niet kon aandoen. En toch. Maar toch. Hij stierf op 8 september 2015, 51 jaar oud.

Het is wellicht gek om te zeggen dat ik hem mis, want persoonlijk kende ik hem amper, maar wat Rémon van Gemeren nog eens laat zien is hoe vitaal Zwagerman in de Nederlandse cultuur stond. En hoe typisch Nederlands hij was, alle Americana ten spijt. Pieter Steinz is te vroeg gestorven, Wim Brands, Michaël Zeeman – zoveel populaire pleitbezorgers van de Nederlandse kunst en literatuur hebben we niet meer over.


Dit jaar zal op 18 november, de verjaardag van Joost Zwagerman, voor het eerst de Joost Zwagerman Essayprijs worden uitgereikt: 7500 euro voor een schrijver die nog niet in boekvorm heeft gepubliceerd en geen vaste positie heeft in de media. Het onderwerp staat vrij. Inzendingen van maximaal drieduizend woorden mailen naar mnl@library.leidenuniv.nl