Een kankerturk uit marokko

‘Hoezo bloedmooi’ heet de roman van Hans Sahar die deze week verschijnt. Een schelmenroman van een twintigjarige Marokkaan uit Den Haag. Over ‘Abi’, gigolo, broodpoot en vechtjas. Is het autobiografisch? vraagt iedereen hem. ‘Mensen die dat soort vragen stellen hebben niets meegemaakt. Ze weten niets van het leven.’
‘DE MAROKKANEN zijn het beste wat Nederland is overkomen. Wij hebben Nederland destijds, toen er een werkoverschot was, uit het slop gehaald. Wij hebben jullie uit de problemen geholpen, nu zitten wij met de problemen. Onze ouders, die zich kapot hebben gewerkt, vinden het vreselijk dat hun kinderen niet gerespecteerd en geaccepteerd zijn. Daarom was ik afgelopen zondag zo woedend op Jan Wouters van PSV. Hoe haalt hij het in zijn hoofd om tegen de Marokkaan Abdellaoui van Nac te zeggen: kut-Marokkaan, rot op naar je eigen land! Okee, Wouters was de hele wedstrijd gedold en weggespeeld door Abdellaoui, maar dan ga je toch niet zoiets zeggen. Jan Wouters moet zijn afscheidswedstrijd maar in Marokko spelen, dat lijkt mij leuk voor hem. Wat hij altijd op zijn hart had, heeft hij nu gezegd. Alleen maar omdat hij wordt gedold door een Marokkaan.

Misschien haalt Jan Wouters door zo'n klote-opmerking die Marokkaan helemaal uit zijn evenwicht, Abdellaoui is een jonge gozer. Met zo'n opmerking begint alle ellende, daar moet je zwaar aan tillen. Hoeveel van die scheldpartijen zullen er nu gaan volgen. Hoeveel fans heeft Jan Wouters? Ik heb liever dat Jan Wouters tegen die Abdellaoui zegt: tyfuslijder, ik haat je. Dat is veel beter dan: rot op naar je eigen land. Dat betekent dat je hier niet welkom bent.
Ik heb zelf ook gevoetbald. Iedereen schreeuwde altijd op het veld en langs de zijlijn: schop die kankerturk onderuit. Ik heb echt met Abdellaoui te doen. Dat uitgerekend Jan Wouters, die zo bekend is en in een multicultureel elftal als Ajax heeft gespeeld, zo iets uit zijn strot kan krijgen, dat vind ik schandalig. Als je dit soort dingen hoort, ga je de Hollanders heel anders zien.
Ik heb nou een boek geschreven. Stel dat het boek beter verkoopt dan dat van een Nederlandse schrijver. Die Nederlandse schrijver zegt vervolgens in een interview over mij dat ik naar mijn eigen land moet oprotten. Wat moet ik dan doen? Eigenlijk nog een boek schrijven, en nog veel beter dan dit boek. Zo'n klote-opmerking zou mij moeten stimuleren om nog beter te zijn dan die schrijver.’
‘EIGENLIJK MAAKT het mij niets uit, ik heb het zelf al zo vaak meegemaakt. Maar discriminatie is zo wreed, zo klote. Ik heb het mijn hele leven lang aan den lijve ondervonden. Ik kwam op mijn vierde naar Nederland, woonde in een buitenwijk van Den Haag. We waren de eerste Marokkanen in die wijk. Ik was zeven jaar toen ik door de hele klas in elkaar werd geslagen. Ze wachtten mij op omdat ik tegen de leraar had gezegd dat iemand mij voor kankerturk had uitgemaakt. Je houdt niet voor mogelijk hoe vaak ik toen al werd gekwetst. Iedere keer dacht ik, ik moet hier boven staan, maar iedere keer denk je weer, waarom, waarom? Zelfs de smeris zei tegen mij, rot op naar je eigen land, wat doe je hier. De smeris is zogenaamd degene die mij moet beschermen. Wat kan je dan nog zeggen, wat moet je dan nog?
Voor een Marokkaan is het echt niet makkelijk in Nederland. Ik reed met een vriendje door de stad. Ik voelde mij na jaren eindelijk een beetje thuis in Den Haag. Schreeuwde iemand kankerturk tegen mij. Altijd weer kankerturk, ik ben een Marokkaan! Ik zeg tegen mijn vriendje, die gast pakken we gewoon, die zullen we effe een poepie laten ruiken, dat gaat zomaar niet. Dus we geven die gozer flinke klappen. Komt de politie en die haalt ons uit elkaar. Politie en justitie in Nederland zijn erg snel met het inrekenen van Marokkanen. Die lopen met het idee rond dat alle Marokkanen fout zijn. Maar het was een eerlijk gevecht, zonder wapens, gewoon met de vuisten. Zoals het hoort. Word ik later opgepakt door de politie en in de boeien geslagen. Doe een beetje rustig, zeg ik tegen de politie, ik heb niets gedaan, die gozer schold mij uit voor kankerturk. Ik heb hem klappen gegeven, hij heeft mij klappen gegeven. Dat is toch eerlijk. Zegt de politie, die jongen heeft een aanklacht ingediend tegen je. Ik zeg, okee, maar dan kun je toch wel rustig doen met die handboeien, ik ga wel mee naar het bureau. Zegt de politie, luister tyfusturk, effe dimmen. Toen dacht ik, ik ben hier echt niet welkom. Waarom zeg je zoiets, vraag ik aan de politie. Toen heb ik de achterruit van hun auto eruit gekopt. Laatst kreeg ik daar nog een brief over, of ik de schade wilde betalen. Ik werd helemaal gek, ik heb ze teruggeschreven dat ik geen ene reet betaal. Ik werd gediscrimineerd en dat kan ik niet hebben, dan ga ik geweld gebruiken. Sorry, zo zit ik nu eenmaal in elkaar. Ik ben klein, maar ik ben een echte straatvechter, kijk maar naar mijn knokkels.’
'HET IS RAAR dat ik door dat boek ineens door veel mensen geaccepteerd ben. Door justitie ben ik nog steeds niet geaccepteerd. Dat zal ook nooit gebeuren. Ik zit in de computer. Ik heb twee jaar vastgezeten, veel van de verhalen die ik in die tijd heb gehoord van andere gevangenen staan in mijn boek. Van die tijd heb ik veel geleerd. Je bent misschien wel twee jaar van je leven kwijt, maar je leert wel een heleboel. Of je wordt heftiger in de gevangenis, of je gaat nadenken over je leven. Ik deed dat laatste. Daar had ik alle tijd voor.
Ik had een poosje een Nederlandse vriendin. Haar vader heeft via een bevriende politieagent mijn hele fucking dossier weten te lichten. Het is een stempel dat je altijd bij je draagt, maar ik heb schijt aan dat stempel zolang ik het niet echt op mijn huid heb. Ze mogen denken en zeggen wat ze willen, ik heb er schijt aan. Als iemand echt om mij geeft, accepteren ze alles van me. Als die ex-vriendin haar vaders advies opvolgt, blijft ze maar lekker zijn kindje. Volgens die vader was ik een zeer agressieve jongen die niet bij zijn dochter paste. Maar ik word agressief als er onrecht geschiedt.
Laatst zocht ik een kamer in Den Haag. Ik heb twintig telefoonnummers gebeld en ben zeker tien keer wezen kijken. Over de telefoon zijn de mensen erg aardig. Kreeg ik een vrouw aan de lijn, mijn school is bij haar in de buurt. Ze was enthousiast en zei, kom maar gauw kijken, de kamer zal je wel bevallen. Toen ik bij haar langs ging en ze mijn gezicht zag, werd ze ineens helemaal stil. Ze kwam bijna niet meer uit haar woorden. Gaat het wel goed met u, zei ik nog. Ze liet me de kamer zien en zei plotseling, er is nog een klein probleempje, ik heb een verre neef, die woont nu nog bij zijn ouders maar die wil graag die kamer hebben. Bel ik later op, begint ze weer over die verre neef. Kutsmoes.’
'NEDERLANDERS WETEN niets over Marokkanen. Ja, dat ze geen varkensvlees eten, geen bier drinken en zich nooit uitleven. Nederlanders hebben zulke rare ideeen over moslims. Als ze een oude man met een djellabah zien lopen en een lange baard, denken ze dat hij een terrorist is. Maar juist die goeie moslims zijn tegen geweld. Nederlanders moeten niet zo schrikken van moslims, laat ze maar naar mij toe komen, dan zal ik ze eens uitleggen hoe het zit. Ik ken zoveel moslims, het zijn hele toffe mensen waar niets verkeerd aan is. Ze komen gewoon voor hun geloof uit.
Als Nederlanders over Marokkanen beginnen, beginnen ze meteen over criminaliteit. Natuurlijk zijn er Marokkanen die crimineel zijn. Maar niet alle Marokkanen zijn crimineel. En telkens weer lees ik dat alle Marokkanen stelen. Een burgerlijke Nederlander leest dat en denkt vervolgens dat alle Marokkanen dieven zijn. Als ik ergens ga solliciteren, word ik afgewezen omdat ik een Marokkaan ben. Maar als ik het baantje echt wil, krijg ik het ook. Ik zet door, dat heb ik altijd gedaan. Ik heb mijn babbel mee wat dat betreft. Maar veel Marokkanen gaan er al van uit dat ze die baan niet krijgen, en dan krijgen ze die baan ook niet.
Maar ik ga niet zielig doen. Het probleem is dat je in een kort sollicitatiegesprek al die vooroordelen over Marokkanen niet weg kunt praten. Dan ga ik toch niet in tien minuten uitleggen hoe een Marokkaan in elkaar steekt, in wat voor cultuur hij leeft? Meestal denk ik, hou toch eens een keer op met al dat gezeik over Marokkanen, al die vooroordelen. Ik word er zo moe van, zo moe.
Ik ben de afgelopen weken heel vaak geinterviewd. Veel domme vragen, zoals: Waarom heb je die titel uitgekozen? Waarom heb je dat pseudoniem gekozen? Die mensen weten van niets. Of ze vragen mij waarom Marokkanen zich niet kunnen aanpassen in Nederland. Nou, dat konden ze toch al duizend keer in de kranten lezen. Ik ken alleen maar aangepaste Marokkanen.
Een vrouw die mij interviewde zei dat ze zelf een Marokkaan in de familie had, om te slijmen. Nou, dat is fijn voor u, zei ik toen. Meer niet, wat moet ik met dat soort onzin. En ze zijn natuurlijk geinteresseerd in de conflicten in het boek, waarom de hoofdpersoon Abi het voor geld met mannen doet. Dat leg ik ze dan haarfijn uit, dan ga ik meteen in de verdediging. Ik heb geen enkel probleem met het gedrag van de hoofdpersoon, die mensen blijkbaar wel. Die hoofdpersoon gaat met mannen naar bed omdat hij in nood verkeert, zo eenvoudig ligt het. Het juiste woord is broodpoot. Meestal leg ik ze uit dat broodpoten heel makkelijk en snel hun geld verdienen. Zo blijft iemand in leven, kan hij voor zijn eigen onderhoud zorgen. Wat moet je anders als je je huis uitgetieft bent, helemaal geen toekomst meer hebt? Je kan dan wel schappen gaan vullen bij de Albert Heijn, maar dat doe je niet als je geen dak boven je hoofd hebt. Mensen weten niet waarover ik het heb, ze zitten me met zulke knoppen aan te kijken.
Mensen die dat soort vragen stellen hebben niets meegemaakt. Ze weten niets van het leven. Ik bedoel maar, zo is het leven. Als iemand dat doet om daar beter van te worden, moet hij dat toch zelf weten. Ik lig daar niet wakker van. Ik schrijf juist over dat soort zaken omdat veel mensen daar niets van af weten. Ze snappen dus echt niet hoe de hoofdpersoon van mijn boek, een schooiertje, in contact komt met een keurige antiquair. Nou, de dingen die die keurige man in bed doet, daar kan je een heel boek over vol schrijven.
De meeste interviews die ik heb gedaan gaan dus over dat onderwerp, waarom die jongen een broodpoot is. Ze beginnen daar meteen over, het is hun eerste vraag. Ik heb dat al een paar keer meegemaakt. Ze gaan meteen linken leggen, ze vergelijken mij met de hoofdpersoon uit het boek. Natuurlijk zijn bepaalde gedeelten uit het boek autobiografisch, maar een aantal dingen heb ik van anderen gehoord, die berusten op waarheid. Je weet wanneer iemand de waarheid spreekt en wanneer niet. Je hoort daarvan, begrijp je. Maar die mensen nemen alles uit het boek letterlijk. Dan denk ik bij mijzelf, hoe moet ik dat jou nou uitleggen. Dat moet je zelf gewoon meemaken.
Mijn leven gaat veranderen door dit boek. Maar ik blijf gewoon relaxed, vind het mooi wat mij overkomt. Ondanks het feit dat ik geen enkel vertrouwen heb in de Nederlandse maatschappij. Ik heb na zestien jaar nog steeds geen Nederlands paspoort, eigenlijk wil ik het ook niet. Met mijn achtergrond bij justitie kan ik het waarschijnlijk niet eens krijgen. Ik hoop nog eens een echte biografie te schrijven, die wordt drie keer heftiger dan dit boek.’
'MIJN VADER WOONT hier al 27 jaar, hij haalde ons hierheen voor een beter leven, een betere toekomst. Hij heeft zich kapotgewerkt in een bakkerij, vervolgens in de kassen. Ik ben de oudste uit een gezin van negen. M'n jongere broertjes kijken tegen mij op. Als die zien dat ik een diploma heb en bij elk sollicitatiegesprek word geweigerd omdat ik Marokkaan ben, wat denken die dan? Dat je het als Marokkaan in Nederland toch niet redt, ook al heb je een diploma. Waarom zouden ze dan nog gaan studeren? Ze vinden het prachtig dat ik een boek heb geschreven, daar niet van. Ik hoop dat ik niet alleen een voorbeeld ben voor mijn broertjes en zusjes, maar ook voor andere Marokkanen. Dat die ook eens iets gaan ondernemen.
Tegen mijn vader zei ik: luister pa, ik heb een boek geschreven en het is een modern boek. Ik heb hem niet verteld dat er seks in voorkomt. De hoofdpersoon is geen lieverdje. Maar het is geen autobiografie. Mijn vader houdt ontzettend veel van mij, mijn vader is de tofste vader die je je maar kunt wensen. Wat dat betreft heb ik enorme mazzel gehad. Hij weet dat ik goed mijn best doe. Als ik met rode ogen thuis kom, weet hij dat ik een jointje heb gerookt. Dan zegt hij, heb je weer geblowd? Dan zeg ik, pa, moet je eens goed *luisteren. Toen ik twaalf was heb ik alles al meegemaakt wat er mee te maken viel. Nu ben ik twintig, ben ik erop achteruit gegaan? Ik studeer en heb een boek geschreven.
Hij heeft niet gestudeerd maar is zeer intelligent. Hij heeft zich hier aangepast, begrijpt hoe de dingen in elkaar steken. Hij heeft altijd begrepen dat ik op woensdagmiddag, als het mooi weer was, liever ging zwemmen dan dat ik naar koranles ging. Dan zei hij ook, ga maar lekker zwemmen. Tijdens koranles moest ik allerlei spreuken letterlijk uit mijn hoofd leren, maar er werd nooit bij verteld wat ze nou precies betekenden. Als je iets leert wil je ook graag weten wat het betekent. Maar dat gebeurde niet in onze kleine moskee.
Het mooie van de islam is dat je ergens bij hoort. De islam geeft je identiteit. Ik bid ook elke dag. Ik vind het goed om dat te doen. Niet in de moskee, gewoon thuis. Ik probeer het vijf keer per dag te doen, maar dat is heel moeilijk. Dan spaar ik de gebeden op tot ’s avonds. Ik heb normen en waarden van de Nederlanders overgenomen en heb mijn eigen waarden behouden. Verder moeten de mensen niet zeiken.’